0

Terugvorderen steun voor plattelandsontwikkeling

Op 7 februari 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een arrest gewezen inzake het terugvorderen van steun voor plattelandsontwikkeling. Alvorens inhoudelijk op dit arrest in te gaan, zal ik eerst een korte toelichting geven op de steun voor plattelandsontwikkeling.

Europese Plattelandsverordening

De Raad van de Europese Unie heeft een plattelandsverordening vastgesteld gericht op steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). De Europese plattelandsverordening is thans neergelegd in Vo. 1698/2005 (daarvoor: Vo. 1257/1999). Het ELFPO dient ter ondersteuning van het Europees beleid voor plattelandsontwikkeling.

Lidstaten dienen terzake de Europese plattelandsverordening een plattelandontwikkelingsbeleid op te stellen waarin wordt aangegeven welke maatregelen in de desbetreffende komende periode (thans: 2007-2013) gefinancierd zullen worden. Voor Nederland is het Plattelandontwikkelingsprogramma (POP) van belang. Dit is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op de ontwikkeling van het platteland in de brede zin van het woord. Het Plattelandontwikkelingsprogramma geeft invulling aan de Europese Plattelandsverordening, zoals hiervoor vernoemd. Het financieren van de plannen uit het POP geschiedt met de middelen uit het ELFPO. De doelstellingen voor Nederland richten zich op het verbeteren van de concurrentiepositie van land- en bosbouw, de verbetering van natuur & landschap, plattelandsontwikkeling en het invoeren van de zogenaamde Leader-aanpak (deze aanpak heeft te maken met op zichzelf staande projecten die worden ontworpen en uitgevoerd door lokale partnerschappen om specifieke lokale problemen aan te pakken).

Provincies zetten hun ambities op de verschillende punten uiteen in hun Provinciale Meerjarenplannen (PMJP). De uitvoering van het POP geschiedt langs twee sporen, te weten het ondernemersspoor via het Ondernemersprogramma en het gebiedsgerichte spoort via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG).

Arrest Hof van Justitie

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) heeft betrekking op het terugvorderen van steun voor plattelandsontwikkeling, zoals bedoeld in de Europese plattelandsverordening (het arrest heeft nog betrekking op de oude Plattelandsverordening, te weten Vo. 1257/1999). Meer specifiek ging het om het terugvorderen van steun voor plattelandsontwikkeling om reden dat de betrokken landbouwer, kort gezegd, niet de benodigde aanvragen had ingediend, terwijl hij voor het overige wel voldeed aan de verschillende voorwaarden voor het verkrijgen van de steun.

In onderhavig arrest heeft het Hof van Justitie een aantal prejudiciële vragen beantwoord. Met de gestelde prejudiciële vragen heeft de betrokken lidstaat wensen te vernemen of Vo. 1257/1999, Vo. 817/2004 (houdende uitvoeringsbepalingen van Vo. 1257/1999) en Vo. 796/2004 (houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden met betrekking tot, kort gezegd, steunverlening) aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke degene die steun heeft ontvangen voor de verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw die hij voor verschillende jaren is aangegaan, alle steun die hij voor de voorafgaande jaren reeds heeft ontvangen, moet terugbetalen omdat hij heeft nagelaten om jaarlijks overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen een aanvraag in te dienen, ook al verklaart hij dat hij steeds aan zijn verplichtingen inzake de exploitatie van de betrokken oppervlakten is blijven voldoen en dat de bevoegde administratie hem niet heeft gehoord, maar de betrokken oppervlakten niet meer kunnen worden gecontroleerd aangezien het betrokken jaar reeds voorbij is.

Oftewel: staan er Europese regels in de weg aan het terugvorderen van reeds uitbetaalde steun, wanneer wel is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de steun, doch niet, conform nationale bepalingen, telkens opnieuw een aanvraag voor de steun is ingediend? Het antwoord van het Hof van Justitie luidt ontkennend: er staan geen regels uit voornoemde Europese verordeningen in de weg aan het terugvorderen van reeds – onverschuldigd – uitbetaalde steun.

Daartoe verwijst het Hof van Justitie in de eerste plaats naar de artikelen 22 tot en met 24 Vo. 1257/1999 (voorganger van 1698/2005), waarin algemene voorwaarden zijn gesteld aan het toekennen van steun voor landbouwproductiemethoden die met name met het oog op natuurbeheer zijn ontworpen. Uit deze artikelen blijkt dat bij steun voor milieumaatregelen in de landbouw steeds sprake is van door de betrokken landbouwers aangegane verbintenissen om milieuvriendelijke landbouw te bedrijven. Deze verbintenissen dienen voor ten minste vijf jaar te worden aangegaan. Als tegenprestatie voor verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw verlenen lidstaten jaarlijks steun.

In de tweede plaats wijst het Hof van Justitie op artikel 37, vierde lid, Vo. 1257/1999 dat bepaalt dat lidstaten de voorwaarden waaronder steun voor plattelandsontwikkeling wordt toegekend, strenger mogen maken. Ook mogen lidstaten aanvullende voorwaarden stellen. Deze voorwaarden dienen echter wel in overeenstemming te zijn met de in de verordening vastgestelde doelstellingen en eisen.

Voorts is artikel 66, vijfde lid, Vo. 1257/1999 van belang. Uit dit artikel vloeit voort dat landbouwers slechts betalingen ontvangen indien zij ieder jaar een aanvraag om betaling indienen, tenzij sprake is van een nationale procedure die een jaarlijkse doeltreffende verificatie mogelijk maakt. Om in aanmerking te kokmen voor steun voor milieumaatregelen in de landbouw, dient dus ieder jaar een aanvraag ingediend te worden. Dat het van belang is om ieder jaar een aanvraag om steun voor milieumaatregelen in de landbouw in te dienen, wordt ook benadrukt in artikel 67, eerste lid, Vo. 817/2004. Door het jaarlijks indienen van een aanvraag kan worden nagegaan of de betrokken landbouwer de aangegane verbintenissen opo het gebied van milieumaatregelen in de landbouw nakomt.

Gelet hierop heeft het Hof van Justitie geconcludeerd dat een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat een steunaanvrager slechts voor steun voor milieumaatregelen in de landbouw in aanmerking komt, indien hij zich ertoe verbindt om gedurende de volledige vijfjarige periode waarbinnen de verbintenissen gelden, elk jaar een aanvraag voor de aangemelde agromilieuactiviteiten bij het betaalorgaan in te dienen, verenigbaar is met de Europese verordeningen, zoals hiervoor bedoeld. Het is dus van belang dat de betrokken landbouwer aan alle voorwaarden voldoet én jaarlijks een aanvraag om steun indient, om voor de toekenning van steun in aanmerking te komen. Indien aan één van de voorwaarden niet is voldaan, kan de betrokken landbouwer dus geheel worden uitgesloten van steunverlening. Wanneer de landbouwer bovendien wordt uitgesloten van steun voor milieumaatregelen in de landbouw omdat aan één van de toekenningsvoorwaarden niet is voldaan, volgt uit artikel 71, tweede lid, Vo. 817/2004 jo. artikel 73 Vo. 796/2004 dat de begunstigde van die steun verplicht is alle reeds betaalde bedragen die betrekking hebben op de ontzegde steun, terug te betalen.

Ondanks dat onderhavig arrest niet gewezen is in een Nederlands geschil, is het wel van belang voor de Nederlandse praktijk, nu in Nederland immers ook steun wordt toegekend op grond van de Europese plattelandsverordening en de (direct) daaraan gerelateerde andere Europese verordeningen. Wel van belang om op te merken is dat, zoals gezegd, onderhavig arrest betrekking heeft op de voormalige Europese plattelandsverordening. Nu de nieuwe plattelandsverordening ook voorwaarden aan de toekenning van steun stelt, zal het arrest ook relevant zijn voor steunverlening op grond van de huidige plattelandsverordening.

mw. mr. Franca Damen

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *

vijftien − 6 =