‘Geurperikelen’ bij gecombineerde luchtwassers

De verhoging van de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers per 20 juli 2018 leidt tot de nodige ‘geurperikelen’. Deze verhoging kan bijvoorbeeld leiden tot een verzoek om een omgevingsvergunning voor een varkenshouderij in te trekken of de daaraan verbonden voorschriften te wijzigen. Op 15 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:108) deed de Raad van State hier een interessante uitspraak over.

Achtergrond

In maart 2018 is het onderzoeksrapport ‘Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen’ van WUR gepubliceerd. In dit rapport concludeert WUR dat gecombineerde luchtwassers veel minder geur blijken te reduceren dan waarvan wordt uitgegaan. Naar aanleiding hiervan zijn de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers in de bijlage bij de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) verhoogd. Deze wijziging van de Rgv is op 20 juli 2018 in werking getreden en wordt hierna ook wel ‘Rgv 2018’ genoemd.

Wat was er aan de hand?

De provincie Limburg heeft op 21 januari 2014 een omgevingsvergunning milieu verleend aan een varkenshouderij. Deze vergunning is onherroepelijk.

In de varkenshouderij worden gecombineerde luchtwassers toegepast. In de vergunning is hiervoor uitgegaan van een geurreductie van 85%. Dit volgde namelijk uit de op dat moment geldende geuremissiefactoren in de Rgv.

Op grond van de Rgv 2018 wordt voor de vergunde luchtwassers niet meer uitgegaan van 85% ammoniakemissiereductie, maar van slechts 45%. Dit was voor een aantal omwonenden aanleiding om de provincie te verzoeken om de omgevingsvergunning voor de varkenshouderij in te trekken of zodanig te wijzigen dat de vergunde bedrijfsvoering ten minste voldoet aan de wettelijke eisen van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gebaseerd op de meest actuele milieuinzichten.

De provincie heeft geweigerd om de omgevingsvergunning in te trekken. Wel heeft de provincie een aantal vergunningvoorschriften gewijzigd. Dit heeft de provincie gedaan op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De provincie heeft in de vergunning een meetverplichting, streefnormen en grenswaarden voor geuremissie opgenomen. De streefnormen zijn gebaseerd op een geurverwijderingsrendement van de luchtwasser van 85% en de grenswaarden op een rendement van 45%.

De omwonenden vinden dit niet genoeg en hebben daarom beroep en vervolgens hoger beroep ingediend.

Juridisch kader

Artikel 2.31, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning moet wijzigen als blijkt dat de nadelige gevolgen die een inrichting voor het milieu veroorzaakt

  • gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen of
  • gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moeten

worden beperkt.

Artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning milieu kan wijzigen als dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.33, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning milieu intrekt als de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en artikel 2.31 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt.

Oordeel van de rechter

Weigering intrekking vergunning

De Raad van State is eerst ingegaan op de vraag of de provincie terecht heeft geweigerd om de vergunning in te trekken. Hiervoor is van belang dat een omgevingsvergunning milieu pas mag worden ingetrokken als:

  • de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en
  • de nadelige gevolgen niet voldoende kunnen worden beperkt met een wijziging van de vergunningvoorschriften.

Volgens de Raad van State staat niet vast dat de varkenshouderij ontoelaatbare geurhinder zal veroorzaken. Daarvoor zijn verschillende redenen.

  • Het is nog niet duidelijk of de varkenshouderij het streefpercentage van 85% geurreductie bij een optimale instelling van de luchtwassers niet kan halen.
  • De varkenshouderij heeft andere mogelijkheden in onderzoek om de geuremissie te verminderen.
  • In de praktijk moet na geurmetingen blijken welke geurreductie voor de varkenshouderij feitelijk haalbaar is.
  • Het geurreductiepercentage van 45% in de Rgv 2018 is een niveau dat minimaal kan worden gehaald. Gecombineerde luchtwassers kunnen in de praktijk mogelijk een hoger reductiepercentage halen.
  • Het geurreductiepercentage van 45% in de Rgv 2018 is geen algemeen aanvaard milieutechnisch inzicht dat geldt voor alle stallen met vergunde gecombineerde luchtwassers.
  • De gewijzigde inzichten over geurreductiepercentages van gecombineerde luchtwassers geven geen duidelijkheid over de geurreductie die in dit geval kan worden gehaald.

De provincie heeft de omgevingsvergunning voor de varkenshouderij daarom terecht niet geheel of gedeeltelijk ingetrokken naar aanleiding van de Rgv 2018.

Wijziging vergunningvoorschriften

Vervolgens heeft de Raad van State de gewijzigde vergunningvoorschriften beoordeeld. In dat kader heeft de Raad van State allereerst opgemerkt dat een nieuw inzicht over de effectiviteit van een bepaalde techniek geen technische ontwikkeling in de zin van artikel 2.31, eerste lid, sub b, van de Wabo is. Met het gewijzigde inzicht verandert de techniek immers niet.

De nieuwe inzichten over de geurreductie van luchtwassers hebben ook niet geleid tot de ontwikkeling van nieuwe technieken om geur vanuit dierenverblijven te reduceren. Gecombineerde luchtwassers worden nog steeds beschouwd als de beste beschikbare techniek om de geurhinder te beperken.

In de oude vergunningvoorschriften stond dat de gecombineerde luchtwassers een geurverwijderingsrendement van 85% halen. De provincie heeft dit percentage uit de voorschriften geschrapt. Dat mocht de provincie ook doen, omdat het percentage geen zelfstandige betekenis heeft. Het percentage is alleen bedoeld als een extra omschrijving van het vergunde type luchtwasser. Dat type werd in de oude Rgv beschreven als een systeem met 85% geurreductie.

Het schrappen van het percentage uit de vergunningvoorschriften heeft dan ook geen gevolgen voor het milieu. De geurbelasting die de varkenshouderij mag veroorzaken, verandert hierdoor niet.

De provincie hoefde ook niet alsnog een geurverwijderingsrendement van 85% voor te schrijven. Want als de varkenshouderij dat rendement niet kan halen, dan kan het bedrijf niet overeenkomstig de vergunning in werking zijn.

Het was voldoende om de streefnormen en meetverplichtingen op te leggen. Dit is volgens de Raad van State vooralsnog namelijk toereikend om het milieu te beschermen.

Als de varkenshouderij de streefnormen zou overschrijden en niet aan de inspanningsverplichting zou voldoen, dan kan dat voor de provincie aanleiding zijn om anders te beslissen. Dan zou de provincie de omgevingsvergunning alsnog geheel of gedeeltelijk in kunnen trekken of de vergunningvoorschriften opnieuw kunnen wijzigen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Beweiden en bemesten in relatie tot stikstof: hoe staat het er nu voor?

Voor beweiden en bemesten is in beginsel een natuurvergunning nodig. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1604). Maar hoe moet het nu verder? Daar gaf het Adviescollege stikstofproblematiek op 19 december 2019 een advies over. Diezelfde dag liet de minister weten dat de inzet van het kabinet is om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken. Hoe staat het er nu voor?

Achtergrond

Dat voor beweiden en bemesten een natuurvergunning nodig kan zijn, is niet nieuw. Dat oordeelde de Raad van State namelijk al in een uitspraak van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:316). Maar omdat dit volgens de toenmalige Staatssecretaris tot een ongewenste situatie leidde, is er een vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten ingevoerd. Deze vrijstelling gold eerst op landelijk niveau, maar daarna – vanwege de invoering van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 –op provinciaal niveau.

In een juridische procedure is de rechtmatigheid van deze vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten ter discussie gesteld. In de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Raad van State geoordeeld dat deze vrijstelling in strijd is met de eisen in de Europese Habitatrichtlijn. Daarom is de vrijstelling onverbindend. Dat betekent dat we juridisch gezien weer terug zijn bij de uitspraak van 4 februari 2015: voor beweiden en bemesten kan een natuurvergunning nodig zijn.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister van LNV) heeft daarna aangegeven weer met een oplossing te willen komen. Deze oplossing moet er zijn voor de aanvang van het nieuwe beweidings- en bemestingsseizoen in 2020. De minister van LNV heeft het Adviescollege stikstofproblematiek om advies hierover gevraagd.

Adviescollege stikstofproblematiek

Het Adviescollege stikstofproblematiek heeft op 19 december 2019 het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ uitgebracht. Het is een tussentijds advies voor de korte termijnaanpak van beweiden en bemesten in 2020 en is gericht op de vraag of voor beweiden en bemesten alsnog natuurvergunningen zouden moeten worden verleend.

Bemesten

Over bemesten merkt het Adviescollege op dat de ammoniakemissie hiervan ten opzichte van de Europese referentiedatum (vaak 7 december 2004) doorgaans is afgenomen. Deze afname is gerealiseerd door het aanscherpen van toegestane hoeveelheden per gewas, strengere aanwendingsnormen en gewijzigde technieken (die leiden tot een lagere uitstoot).

Als bemesten niet leidt tot een toename van emissies ten opzichte van de referentiedatum, dan kan worden uitgesloten dat bemesten significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. In dat geval is bemesten geen ‘project’ waarvoor een natuurvergunning is vereist, maar een zogeheten ‘andere handeling’. Voor andere handelingen gold tot 1 januari 2020 ook een natuurvergunningplicht, maar deze is met de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof per 1 januari 2020 vervallen. Dat betekent dat als bemesten slechts een andere handeling is, hiervoor geen natuurvergunning nodig is. Volgens het Adviescollege is dat “in het overgrote deel van de gevallen” aan de orde.

Er kunnen echter uitzonderingen zijn waarin bemesten wel leidt tot een toename van emissies. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het grondgebruik structureel is veranderd (bijvoorbeeld van akkerland naar grasland) of als gronden eerst niet of nauwelijks en nu volop bemest worden. Als bemesten leidt tot een toename van emissies dan is sprake van een ‘project’ en dan is hiervoor wel een natuurvergunning nodig.

Het Adviescollege beveelt aan om de bedrijfsspecifieke situaties in beeld te brengen, waarbij sprake is van een wijziging van grondgebruik. Er moet worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een hogere emissie dan op de referentiedatum. Hiervoor kunnen de meitellingen worden gebruikt. Vervolgens moet worden onderzocht of het gebruik tot knelpunten in Natura 2000-gebieden leidt. Voor deze uitzonderingssituaties beveelt het Adviescollege aan om een specifieke aanpak te ontwikkelen.

Beweiden

Over beweiden merkt het Adviescollege op dat dit op twee manieren bijdraagt aan een afname van de ammoniakemissie. Doordat de dieren een periode niet in de stal zijn, wordt de stal namelijk minder bevuild met mest en dooft de emissie in de stal uit. Daarnaast is er een afname van de ammoniakemissie doordat er minder stalmest wordt aangewend op de weilanden waar de dieren door weidegang zelf mest op brengen. Mest van beweiding kent een veel lagere ammoniakemissie dan mest die in de stal is opgevangen en opgeslagen, en vervolgens op het land wordt uitgereden.

Bedrijven die in de vergunning voor de stal gebruikmaken van de optie om te beweiden, mogen rekenen met een emissiereductie van 5% voor de emissies in de stal. Hierbij wordt alleen rekening gehouden met de eerste vorm van reductie (minder bevuiling met mest omdat de dieren een periode niet in de stal zijn). Het tweede positieve effect van beweiden is niet in de vergunning verdisconteerd.

Beweiden heeft dus een positief effect. Het is daarom aannemelijk dat voor beweiden geen sprake is van een hogere depositie dan waar in de stalvergunning al rekening mee is gehouden. Er is geen reden voor een verdere beoordeling van het huidige gebruik.

Standpunt kabinet

De minister van LNV heeft naar aanleiding van het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ op 19 december 2019 een Kamerbrief gestuurd. Hierin geeft de minister aan dat de inzet van het kabinet is om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken.

Het is echter nog steeds wachten op duidelijkheid en zekerheid.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Nieuwe beleidsregels intern en extern salderen

Op 10 december 2019 hebben de provincies, waarvan de provincie Friesland onder voorbehoud, ingestemd met de nieuwe beleidsregels intern en extern salderen. Dit hebben zij gedaan nadat zij hierover afspraken hebben gemaakt met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zo volgt uit een Kamerbrief van 4 december 2019.

Achtergrond

De provincies hebben op 8 oktober 2019 de beleidsregels intern en extern salderen vastgesteld. Tussen de minister en de provincies en de provincies onderling bestond er echter verschil van inzicht over deze beleidsregels. Verschillende provincies hebben de beleidsregels intern en extern salderen daarom (kort) na 8 oktober 2019 alweer ingetrokken of opgeschort.

Nadat de minister en de provincies begin december 2019 afspraken over de beleidsregels hebben gemaakt, hebben de provincies op 10 december 2019 de nieuwe beleidsregels intern en extern salderen vastgesteld.

Wijzigingen

De nieuwe beleidsregels intern en extern salderen verschillen op enkele punten van de beleidsregels zoals deze op 8 oktober 2019 waren vastgesteld. De belangrijkste wijzigingen zien op de uitgangssituatie die bij intern en extern salderen moet worden gebruikt om te beoordelen of er sprake is van een toename van de stikstofdepositie.

Intern salderen

Op grond van de oude beleidsregels gold voor intern salderen als uitgangssituatie dat alleen rekening mocht worden gehouden met de capaciteit die aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd en voor zover het bedrijf beschikte over dier- en/of fosfaatrechten of CO2-rechten.

De koppeling met deze rechten is in de nieuwe beleidsregels losgelaten. Op grond van de nieuwe beleidsregels geldt voor intern salderen als uitgangssituatie dat rekening mag worden gehouden met de capaciteit die aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. Het gaat daarbij om de feitelijk gerealiseerde capaciteit op het moment van het indienen van een nieuwe vergunningaanvraag.

Op deze hoofdregel bestonden enkele uitzonderingen. In geval van die uitzonderingen mocht de referentiesituatie (in plaats van de feitelijk gerealiseerde capaciteit) als uitgangspunt worden gehanteerd. Die uitzonderingen blijven ook in de nieuwe beleidsregels bestaan en daaraan is een uitzondering toegevoegd. In de volgende situaties (uitzonderingen) mag de referentiesituatie als uitgangspunt voor een nieuwe vergunningaanvraag worden gebruikt:

  • op het moment van inwerkingtreding van dit artikel is het project nog niet volledig gerealiseerd, maar zijn wel aantoonbaar stappen gezet met het oog op volledige realisatie;
  • op het moment van inwerkingtreding van dit artikel is nog niet aangevangen met de realisatie van vergunde capaciteit, maar zijn daarvoor wel al aantoonbaar onomkeerbare significante investeringsverplichtingen aangegaan;
  • het project is noodzakelijk ten behoeve van de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied;
  • de aanvraag ziet op het toepassen van een alternatieve verdergaande N-emissie reducerende techniek ter vervanging van de eerder verleende emissie reducerende techniek, die leidt tot een vermindering van de N-emissie, zonder uitbreiding van de capaciteit zoals opgenomen in de laatst verleende toestemming (deze uitzondering is nieuw);
  • het gaat om één of meer van de volgende projecten: energieprojecten van nationaal belang, wegen, vaarwegen, spoorwegen, luchtvaart, woningbouw, duurzame energieopwekking, militaire activiteiten of projecten in het kader van de nationale veiligheid.
Extern salderen

Op grond van de oude beleidsregels gold voor extern salderen als uitgangssituatie dat alleen rekening mocht worden gehouden met de feitelijk benutte capaciteit op 8 oktober 2019 (dus de aantoonbaar feitelijk gerealiseerde capaciteit voor zover deze feitelijk werd benut op 8 oktober 2019). Ook deze uitgangssituatie is gewijzigd en gelijk getrokken met die voor intern salderen.

Dit betekent dat op grond van de nieuwe beleidsregels ook voor extern salderen als uitgangssituatie geldt dat rekening mag worden gehouden met de capaciteit die aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. Het gaat daarbij om de feitelijk gerealiseerde capaciteit op het moment van het indienen van een nieuwe vergunningaanvraag.

Als extra voorwaarde bij extern salderen geldt op grond van de nieuwe beleidsregels dat de saldogever eerst moet verzoeken om zijn vergunning voor de niet-gerealiseerde capaciteit in te trekken. Pas daarna verleent de provincie een natuurvergunning aan de saldo-ontvanger.

Ongewijzigd

De andere regels zijn (nagenoeg) ongewijzigd gebleven in de nieuwe beleidsregels intern en extern salderen. Dat betekent onder andere dat intern en extern salderen in bepaalde gevallen uitgesloten blijft (bijvoorbeeld bij deelname aan een warme saneringsregeling), dat er bij extern salderen 30% van de rechten wordt afgeroomd en dat extern salderen nog niet mogelijk is met bedrijven die op 4 oktober 2019 beschikten over dier- en/of fosfaatrechten. Extern salderen met deze bedrijven zal pas mogelijk zijn als hierover landelijke wetgeving is vastgesteld. In de Meststoffenwet zal naar verwachting worden bepaald dat in geval van verkoop van ammoniakrechten in het kader van extern salderen de bijbehorende dier- en/of fosfaatrechten worden ingenomen. Hierover komt naar verwachting in februari 2020 duidelijkheid over.

Samenvatting

  Intern salderen Extern salderen
Basis natuurvergunning of laagste vergunning sinds referentiedatum natuurvergunning of laagste vergunning sinds referentiedatum
Wegnemen latente ruimte niet gerealiseerde capaciteit niet gerealiseerde capaciteit
Betekent de volgende uitgangssituatie feitelijk aantoonbaar gerealiseerde capaciteit op moment aanvraag natuurvergunning (met uitzonderingen) feitelijk aantoonbaar gerealiseerde capaciteit op moment aanvraag natuurvergunning
Terug naar Besluit emissiearme huisvesting ten hoogste de emissie die is toegestaan o.g.v. Besluit emissiearme huisvesting ten hoogste de emissie die is toegestaan o.g.v. Besluit emissiearme huisvesting
Afroming n.v.t. 30% afromen
Bijbehorende dierrechten n.v.t. worden ingenomen (indien Meststoffenwet daartoe wordt gewijzigd)
     
Niet toegestaan bij deelname aan warme saneringsregeling; indien intrekking rechten nodig is o.g.v. artikel 6, lid 2, Hrl bij deelname aan warme saneringsregeling of stoppersregeling ammoniak; indien intrekking rechten nodig is o.g.v. artikel 6, lid 2, Hrl

mw. mr. Franca Damen

Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur

Op 20 december 2019 is een concept voor de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur ter consultatie voorgelegd. Deze regeling stelt een stikstofregistratiesysteem in dat ruimte moet bieden bij het verlenen van toestemming voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken.

Achtergrond

In december 2019 is de Spoedwet aanpak stikstof vastgesteld. Deze spoedwet voorziet onder andere in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling een stikstofregistratiesysteem in te stellen. Van deze mogelijkheid willen de betrokken ministers zo spoedig mogelijk gebruik maken.

Wijziging Regeling natuurbescherming

De Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur zal de Regeling natuurbescherming wijzigen. Hierna worden de belangrijkste wijzigingen toegelicht.

Definities

In artikel 1.1 van de Regeling natuurbescherming worden verschillende definities ingevoegd, waaronder de volgende:

  • depositieruimte: ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die is opgenomen in het register;
  • emissiereductieplan: document, waarin is toegelicht hoe de emissies van stikstof gedurende de realisatie van het project worden bereikt;
  • register: het Stikstofdepositieregister ,bedoeld in artikel 2.3, beschikbaar op aerius.nl;
  • woondealregio: regio waar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een woondeal mee heeft ondertekend.

Toepassingsbereik

Het stikstofregistratiesysteem geldt alleen voor de projecten die zullen worden opgenomen in artikel 2.2 van de Regeling natuurbescherming, namelijk:

  • projecten ter realisatie van 75.000 woningen, inclusief noodzakelijke en direct met het woningbouwproject samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en
  • zeven (vastgelegde) tracébesluiten.

Aan deze projecten kan op basis van het stikstofregistratiesysteem depositieruimte worden toegekend. Dat kan worden gedaan in een natuurvergunning, een omgevingsvergunning met bijbehorende verklaring van geen bedenkingen voor natuur of een tracébesluit.

Het stikstofregistratiesysteem

Hoe het stikstofregistratiesysteem werkt, wordt vastgelegd in artikel 2.4 van de Regeling natuurbescherming en is vergelijkbaar met het PAS. Er kan namelijk depositieruimte worden gereserveerd, toegedeeld, afgeschreven en bijgeschreven. De omvang van de depositieruimte wordt berekend met AERIUS Calculator en is afhankelijk van de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van bepaalde bronmaatregelen. Maximaal 70% van de vermindering van stikstofdepositie wordt als depositieruimte in het stikstofregistratiesysteem opgenomen.

Als gevolg van de volgende bronmaatregelen wordt depositieruimte in het stikstofregistratiesysteem opgenomen:

  • de snelheidsverlaging op rijkswegen (zie de Kamerbrief van 13 november 2019);
  • de warme saneringsregeling varkenshouderij (zie de Kamerbrief van 13 november 2019);
  • de andere samenstelling van veevoer (zie de Kamerbrief van 13 november 2019);
  • maatregelen die na 1 januari 2020 door decentrale bestuursorganen zijn getroffen en waarvaan mededeling is gedaan in de Staatscourant.

Bronmaatregelen worden niet in de berekening van de vermindering van stikstofdepositie betrokken:

  • zolang voor de bronmaatregel een wettelijke regeling nodig is die dit borgt en deze regeling nog niet in werking is getreden;
  • voor zover de vermindering van stikstofdepositie niet met voldoende zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en
  • zolang handhaving van wettelijke voorschriften die verband houden met de bronmaatregel onvoldoende verzekerd is.

Depositieruimte

De omvang van de toe te delen depositieruimte moet worden berekend met AERIUS Calculator. Daarbij wordt een verschil gemaakt tussen een tijdelijke en permanente toename van de stikstofdepositie.

Woningbouwprojecten

Voor woningbouwprojecten geldt dat een aanvraag voor een natuur- of omgevingsvergunning in ieder geval de volgende informatie moet bevatten:

  • een nauwkeurige omschrijving van het woningbouwproject, waarin in ieder geval is omschreven:
    • het type te realiseren woningen;
    • het aantal te realiseren woningen;
    • de wegen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen die ten behoeve van de woningen moeten worden aangelegd; en
    • een overzicht van stikstofemissiebronnen die zijn gehanteerd als uitgangspunt voor de berekening van de stikstofdepositie in AERIUS Calculator;
  • een emissiereductieplan.

Bij het toedelen of reserveren van depositieruimte aan woningbouwprojecten wordt zo nodig een voorkeursvolgorde aangehouden. Daarbij moeten dan in ieder geval de volgende criteria worden meegewogen:

  • de mate waarin het project aansluit bij de lokale of regionale woningbehoefte;
  • of het woningbouwproject binnen een gemeente wordt gerealiseerd die deel uitmaakt van een woondealregio;
  • de verhouding in het project tussen het aantal te realiseren woningen ten opzichte van de benodigde depositieruimte;
  • de inhoud van het emissiereductieplan voor een project.

Aan een omgevingsvergunning voor een woningbouwproject waaraan depositieruimte uit het stikstofregistratiesysteem is toegedeeld, worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:

  • binnen het project of de locatie van het project worden de mogelijkheden tot intern salderen volledig benut;
  • de woningen worden niet aangesloten op een distributienet voor aardgas;
  • het project wordt uitgevoerd overeenkomstig het emissiereductieplan en tijdens de bouw worden alle overige maatregelen getroffen die redelijkerwijs van de vergunninghouder kunnen worden gevergd om stikstofdepositie te beperken;
  • het project wordt binnen drie jaar vanaf de datum waarop de vergunning onherroepelijk is geworden, gerealiseerd.

Nu de Spoedwet aanpak stikstof op 1 januari 2020 in werking treedt, kan de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur worden vastgesteld.

mw. mr. Franca Damen

Inwerkingtreding Spoedwet aanpak stikstof 1 januari 2020

Op 1 januari 2020 treedt de Spoedwet aanpak stikstof in werking. De Spoedwet aanpak stikstof voorziet in aanvullende instrumenten om de stikstofproblematiek aan te pakken en moet nieuwe activiteiten met stikstofdepositie mogelijk maken.

Achtergrond

De aanpak van de stikstofproblematiek ziet op het verminderen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, natuurherstel en het weer vlot trekken van vergunningverlening voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken (hetgeen ook de drie doelen voor het Programma Aanpak Stikstof waren). Om deze aanpak mogelijk te maken, zijn aanvullende instrumenten voorgesteld in het wetsvoorstel voor de Spoedwet aanpak stikstof.

Het wetsvoorstel dateert van 27 november 2019 en is op 5 respectievelijk 17 december 2019 door de Tweede respectievelijk Eerste Kamer aangenomen. De Spoedwet aanpak stikstof is vervolgens op 30 december 2019 in het Staatsblad (nr. 517 voor de wet en nr. 518 voor de bekendmaking) gepubliceerd en treedt op 1 januari 2020 in werking.

Vervallen vergunningplicht andere handelingen

Artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming bepaalt wanneer een natuurvergunning is vereist. Deze was tot 1 januari 2020 vereist voor projecten en andere handelingen. Maar vanaf 1 januari 2020 vervalt de vergunningplicht voor andere handelingen. Het gaat daarbij om activiteiten met niet-significante effecten voor Natura 2000-gebieden. Daarmee sluit de vergunningplicht voortaan aan bij artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.

Mogelijkheid drempelwaarde

De Spoedwet aanpak stikstof maakt het invoeren van een drempelwaarde mogelijk. Deze drempelwaarde kan in een ministeriële regeling of een provinciale verordening worden opgenomen. De drempelwaarde kan worden ingevoerd voor bepaalde categorieën projecten, waaraan voorwaarden kunnen worden gesteld. Deze voorwaarden kunnen in ieder geval betrekking hebben op:

  • een drempelwaarde die een project niet mag overschrijden;
  • de manier waarop een project wordt gerealiseerd;
  • de ligging van de locatie van een project ten opzichte van een Natura 2000-gebied;
  • de onderzoeken naar de gevolgen van een project voor een Natura 2000-gebied die moeten worden uitgevoerd;
  • de maatregelen die voorafgaand aan of tijdens de realisatie van het project moeten worden getroffen om te voorkomen dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied worden aangetast;
  • de melding van het voornemen om een project te realiseren, de termijn waarbinnen en de manier waarop de melding moet worden gedaan en welke gegevens daarbij moeten worden overgelegd.

Er kan alleen een drempelwaarde worden ingevoerd als dit, kort gezegd, ecologisch kan worden onderbouwd en die onderbouwing voldoet aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Uit een advies van de Afdeling advisering van de Raad van State blijkt dat die onderbouwing lastig zal zijn gelet op de omstandigheid dat de kritische depositiewaarde voor stikstofdepositie in veel Natura 2000-gebieden wordt overschreden.

Stikstofregistratiesysteem

De Spoedwet aanpak stikstof maakt het (in artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming) mogelijk om bij ministeriële regeling een stikstofregistratiesysteem in te stellen. In het stikstofregistratiesysteem wordt stikstofdepositieruimte opgenomen die ontstaat als gevolg van een daling van stikstofdepositie door aanvullende bronmaatregelen. De stikstofdepositieruimte kan vervolgens (zoals in het Programma Aanpak Stikstof) aan nieuwe activiteiten worden toegedeeld, zodat aan die nieuwe activiteiten toestemming kan worden verleend.

In de ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over onder andere het volgende:

  • de aanwijzing van projecten of categorieën projecten waarvoor stikstofdepositieruimte wordt gereserveerd; hiervoor kan een voorkeursvolgorde worden vastgesteld;
  • de omvang van de totale stikstofdepositieruimte;
  • de meet- en rekenvoorschriften die moeten worden toegepast.

Het stikstofregistratiesysteem is in eerste instantie bedoeld om de woningbouw en infrastructuur door te kunnen laten gaan.

Voor het invoeren van een stikstofregistratiesysteem is een concept Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur gepubliceerd.

Veevoer

De Spoedwet aanpak stikstof voorziet ook in een wijziging van de Wet dieren. De reden hiervoor is om de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bevoegdheid te geven om nadere regels te kunnen stellen aan veevoer om ook via dat spoor de stikstofdepositie te laten dalen.

In de Wet dieren wordt bepaald dat in een ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over de samenstelling van diervoeders of andere stoffen die zijn bedoeld voor het voederen van dieren. Het kan daarbij gaan om:

  • een maximum hoeveelheid van een bestanddeel (zoals eiwitten) in individuele partijen diervoeders en
  • een maximum hoeveelheid van een bestanddeel (zoals eiwitten) die een dier (in de totale hoeveelheid diervoeders) mag gebruiken.

Voorwaarde is dat de regels geen significant negatieve gevolgen mogen hebben voor diergezondheid, dierenwelzijn, volksgezondheid en afzetbelangen.

Als dergelijke regels worden gesteld, dan is de overtreding hiervan strafbaar. In de Wet op de economische delicten wordt namelijk vastgelegd dat een overtreding van deze regels een economisch delict is.

Crisis- en herstelwet

Ook de Crisis- en herstelwet wordt gewijzigd, en wel in die zin dat in bijlage I bij deze wet een nieuwe categorie wordt toegevoegd:

“besluiten over fysieke maatregelen voor verbetering of herstel van Natura 2000-gebieden”

Voor deze besluiten gelden de versnelde procedures uit de Crisis- en herstelwet.

Meststoffenwet

Verder wijzigt ook de Meststoffenwet. Hierin wordt vastgelegd dat als de varkens- of pluimveehouderij op landelijk niveau het fosfaat- en/of stikstofplafond dreigt te overschrijden en mede gelet op

  • de representativiteit van de prognose,
  • het mogelijk structurele karakter van de overschrijding en
  • de totale omvang van de productie van dierlijke meststoffen in relatie tot de nationale plafonds,

dat dan in een algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat varkens- of pluimveerechten bij overdracht worden afgeroomd.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 103