Nieuwe rechtspraak over het geurbeheersplan

Op 10 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:277) heeft de Raad van State weer een uitspraak gedaan over het al dan niet moeten opstellen van een geurbeheersplan bij een veehouderij.

Het geurbeheersplan

Veehouderijen moeten voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Hiervoor zijn BBT-documenten vastgesteld. Deze zijn opgenomen in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht.

Als er sprake is van een veehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens of meer dan 750 plaatsen voor zeugen, dan moet ook aan Europese BBT-documenten worden getoetst. Die documenten worden ook wel BREF’s of BBT-conclusies genoemd.

Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie nieuwe BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen gepubliceerd. BBT 12 gaat over het geurbeheersplan en bepaalt het volgende.

Om geuremissies van een boerderij te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1), een geurbeheersplan opzetten, uitvoeren en regelmatig evalueren met daarin de volgende elementen: (…).

BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. In BBT 26 zijn enkele standaarden voor het monitoren van geuremissies voorgeschreven.

Rechtspraak

In een uitspraak van 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant een eerste uitspraak gedaan over de vraag waar een geurbeheersplan al dan niet toe verplicht.

Maar wanneer is een geurbeheersplan nou precies verplicht? Daarover heeft de Raad van State op 22 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1741) een eerste uitspraak gedaan. In die uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat geen geurbeheersplan is vereist als een veehouderij aan de Wet geurhinder en veehouderij voldoet. Dan wordt namelijk geen geurhinder bij een geurgevoelig object verwacht.

In een uitspraak van 23 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3101) heeft de Raad van State de uitspraak van 22 juli 2020 nader uitgelegd. Het bevoegd gezag moet bij de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij ook in acht nemen dat in de veehouderij ten minste de voor de veehouderij in aanmerking komende BBT worden toegepast.

Uitspraak Raad van State

Op 10 februari 2021 heeft de Raad van State opnieuw een uitspraak gedaan over de vraag wanneer een geurbeheersplan is vereist. Deze uitspraak bouwt voort op de uitspraken van 22 juli 2020 en 23 december 2020.

Volgens de Raad van State is in het geval dat aan de orde is in de uitspraak van 10 februari 2021 geen geurbeheersplan vereist. De veehouderij voldoet namelijk aan de geurnormen van de Wet geurhinder en veehouderij. Degenen die tegen de vergunning voor de veehouderij zijn opgekomen, hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks geurhinder bij geurgevoelige objecten is te verwachten. Daarnaast heeft de Raad van State er rekening mee gehouden dat het Activiteitenbesluit handvatten biedt om de goede werking van de vergunde luchtwasser te waarborgen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Locatiegegevens PAS-meldingen openbaar

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) moet de locatiegegevens van PAS-meldingen openbaar maken. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:153).

Achtergrond

Veel bedrijven hebben na de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) een bedrijfsontwikkeling gerealiseerd op basis van een PAS-melding. Met de PAS-uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is echter duidelijk geworden dat PAS-meldingen geen juridische status hebben. Achteraf bezien is er voor alle activiteiten die zijn gerealiseerd op basis van een PAS-melding, een natuurvergunning nodig. Omdat bedrijven daar over het algemeen niet over zullen beschikken omdat zij konden volstaan met een PAS-melding, zijn die bedrijven juridisch gezien in overtreding.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) heeft echter in meerdere Kamerbrieven aangegeven PAS-meldingen te zullen legaliseren. Bedrijven hebben namelijk te goeder trouw gehandeld.

Verzoek MOB

De MOB laat het daar echter niet bij zitten. De MOB wil weten welke bedrijven allemaal een PAS-melding hebben ingediend en heeft daartoe een Wob-verzoek bij het ministerie ingediend (een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur). De minister heeft de PAS-meldingen toegestuurd, met uitzondering van de naam van de melder en de locatiegegevens.

Voor de MOB was dit niet genoeg. De MOB wil namelijk ook de locatiegegevens van de PAS-meldingen hebben. De MOB heeft daarom bezwaar en vervolgens beroep ingediend tegen het besluit van de minister.

Uitspraak rechtbank

Rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 juli 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:2388) een uitspraak gedaan over het beroepschrift van de MOB. De rechtbank heeft de MOB in het gelijk gesteld en geoordeeld dat de minister de locatiegegevens alsnog openbaar moest maken. Dat zou de minister tussen 24 juli 2020 en 31 juli 2020 moeten doen.

De minister was het met deze uitspraak niet eens en heeft daartegen daarom hoger beroep ingediend. Ook heeft de minister gevraagd om de uitspraak van de rechtbank te schorsen. De minister wilde namelijk voorkomen dat zij de locatiegegevens van PAS-meldingen openbaar moet maken. Zij wil eerst een oordeel van de Raad van State over de vraag of zij de gegevens daadwerkelijk openbaar moet maken.

In afwachting van het oordeel van de Raad van State over het hoger beroep van de minister, heeft de voorzieningenrechter van de Raad van State de uitspraak van de rechtbank in een uitspraak van 31 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1858) geschorst. Dat betekende dat de minister de locatiegegevens van PAS-meldingen op dat moment (nog) niet openbaar hoefde te maken.

Uitspraak Raad van State

Op 27 januari 2021 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over het hoger beroep van de minister. De Raad van State heeft de minister in het ongelijk gesteld. Dat betekent dat de minister de locatiegegevens van PAS-melders alsnog openbaar moet maken.

De discussie

Of de locatiegegevens wel of niet openbaar moeten worden gemaakt, hangt af van de vraag hoe de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) moet worden uitgelegd. Het uitgangspunt van de Wob is dat alle informatie in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid openbaar zijn. Dat is alleen anders als in de Wob een weigeringsgrond staat op grond waarvan de overheid mag weigeren om informatie openbaar te maken.

Over milieu-informatie zijn in de Wob bijzondere regels opgenomen. Milieu-informatie moet namelijk in vrijwel alle gevallen openbaar worden gemaakt. Dat geldt vooral als de milieu-informatie over emissiegegevens gaat. Sommige weigeringsgronden gelden expliciet niet als het gaat om milieu-informatie. Voor sommige andere weigeringsgronden geldt dat als het gaat om milieu-informatie, de weigeringsgrond alleen geldt als het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang dat is genoemd in de weigeringsgrond.

Een van de weigeringsgronden in de Wob is de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, sub e, van de Wob). Als het belang van het openbaar maken van informatie niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, dan mag die informatie niet openbaar worden gemaakt. Maar als het gaat om milieu-informatie die betrekking heeft op emissiegegevens, dan mag moet de informatie (ondanks de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) toch openbaar worden gemaakt (artikel 10, vierde lid, van de Wob).

Er is echter nog een uitzondering voor milieu-informatie. Milieu-informatie hoeft (toch) niet openbaar te worden gemaakt als het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen bijvoorbeeld de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage (artikel 10, zevende lid, van de Wob).

In de procedure over het al dan niet openbaar maken van de locatiegegevens van PAS-meldingen gaat het juridisch gezien vooral om de vraag of de locatiegegevens wel of niet als milieu-informatie en emissiegegevens moeten worden aangemerkt. Zo ja, dan mogen deze gegevens – ondanks de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer – niet worden geweigerd. Dat is alleen anders als het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage. In dat geval zouden de locatiegegevens alsnog niet openbaar gemaakt hoeven te worden.

Volgens de Raad van State zijn de locatiegegevens van PAS-meldingen milieu-informatie en emissiegegevens. Daarvoor verwijst de Raad van State naar eerdere rechtspraak over de begrippen ‘emissies in het milieu’ en ‘informatie over emissies in het milieu’. Die begrippen moeten ruim worden uitgelegd en daaronder vallen in ieder geval de volgende gegevens:

  • gegevens die daadwerkelijk over de uitstoot gaan;
  • gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu;
  • gegevens die het publiek in staat stellen om te controleren of de beoordeling van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies door het bestuursorgaan juist is.

Volgens de Raad van State volgt uit de rechtspraak dat ook de plaats van de emissies informatie over emissies in het milieu is.

“Het oordeel van de rechtbank dat een emissie een bron heeft, dat die bron een locatie heeft en dat om die reden de locatiegegevens van een emissiebron ook emissiegegevens zijn, is dus juist.”

Omdat de locatiegegevens emissiegegevens zijn, moeten deze gegevens openbaar worden gemaakt. Dat geldt ondanks de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Er zou één uitzondering kunnen zijn om de locatiegegevens van PAS-meldingen toch niet openbaar te hoeven maken. Dat zou het geval zijn als het belang van het openbaar maken van de locatiegegevens niet opweegt tegen het belang van de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage. Daarvoor geldt een hoge bewijsrechtelijke en motiveringsdrempel.

Volgens de Raad van State heeft de minister deze drempel niet gehaald. Dat dierenrechtenextremisme is genoemd in de publicatie ‘Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland’ is niet genoeg bewijs. Dat is namelijk geen concreet aanknopingspunt dat daadwerkelijk schade zal optreden. Dat geldt ook voor het eventuele risico dat het openbaar maken van de locatiegegevens van PAS-meldingen de kans vergroot dat juist deze bedrijven mogelijk met enige vorm van intimidatie en/of bedreiging te maken krijgen. Dit is onvoldoende om te oordelen dat de locatiegegevens van alle PAS-meldingen niet openbaar hoeven te worden gemaakt.

Dit betekent dat de minister de locatiegegevens van alle PAS-meldingen alsnog openbaar moet maken.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Koekje van eigen deeg

Deze column verscheen in januari 2021 in de regiobladen van Agrio.

Een moment dat zo’n belangrijke stikstofuitspraken worden gepubliceerd, dat de website van de Raad van State (RvS) overbelast raakt. Zo’n moment was het op woensdag 20 januari 2021, 10:15 uur. Toen werden namelijk stikstofuitspraken gepubliceerd waar de praktijk al lange tijd naar uitkeek. Een uitspraak ging over de vraag of bij intern salderen nog een natuurvergunning nodig is. Op 1 januari 2020 is met de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof namelijk de natuurvergunningplicht aangepast. Sindsdien is alleen nog een natuurvergunning nodig als sprake is van significante effecten op Natura 2000. Volgens de RvS is daar geen sprake van als door het wijzigen en/of uitbreiden van een bedrijf de stikstofdepositie op Natura 2000 niet toeneemt. Daarom oordeelde de RvS dat geen natuurvergunning nodig is voor intern salderen. Bij extern salderen is dat anders. Dan neemt de stikstofdepositie op Natura 2000 namelijk wel toe door het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een bedrijf. Die toename kan worden ‘weggenomen’ door extern te salderen, maar dat moet worden vastgelegd in een natuurvergunning.

Een andere uitspraak ging over de vraag wanneer een onherroepelijke natuurvergunning mag of moet worden ingetrokken. De provincie moet beoordelen of een natuurvergunning moet worden ingetrokken als sprake is van een (dreigende) verslechtering met significante gevolgen voor Natura 2000 en het bedrijf waarvoor een natuurvergunning is verleend daar effect op heeft. Als de verslechtering van Natura 2000 alleen kan worden voorkomen door een natuurvergunning in te trekken, dan moet een provincie die natuurvergunning intrekken. Maar als er (binnen afzienbare termijn) al andere maatregelen worden getroffen om die verslechtering te voorkomen, dan hoeft de provincie een natuurvergunning niet in te trekken. Daarbij komen de door de overheid aangekondigde stikstofmaatregelen om de hoek kijken. Als die stikstofmaatregelen worden uitgevoerd, kan dat mogelijk voorkomen dat natuurvergunningen moeten worden ingetrokken.

En dan is er nog een stikstofuitspraak waar de overheid zelf misschien eens door in de knel komt. De RvS oordeelde namelijk (in navolging van het advies van het Adviescollege Hordijk) dat de overheid onvoldoende heeft gemotiveerd waarom stikstof bij verkeer maar tot 5 km wordt gerekend. De RvS vindt het onbegrijpelijk dat bij andere stikstofbronnen (zoals agrarische bedrijven) wel verder dan 5 km wordt gerekend, maar bij verkeer niet. Die uitspraak brengt dus vooral veel infrastructurele projecten in gevaar. Je zou kunnen zeggen dat de overheid nu eens een koekje van eigen deeg krijgt…

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Afkapgrens 5 km voor stikstof bij verkeer onvoldoende onderbouwd

De afkapgrens van 5 km die bij het beoordelen van de stikstofdepositie van verkeersbewegingen wordt gebruikt, is onvoldoende onderbouwd. Dat heeft de Raad van State geoordeeld in een uitspraak van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:105).

Achtergrond

De stikstofdepositie van activiteiten moet worden berekend met AERIUS Calculator. In AERIUS Calculator zijn verschillende andere rekenmodellen geïmplementeerd. Voor verkeersbewegingen is dat SRM2 en voor andere activiteiten/bronnen is dat OPS.

Tussen SRM2 en OPS bestaat een belangrijk verschil. SRM2 berekent de stikstofdepositie alleen maar voor verkeer dat binnen 5 km van (rekenpunten in) Natura 2000-gebieden rijdt. OPS berekent de stikstofdepositie daarentegen op veel grotere afstand.

Het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof (Adviescollege Hordijk) had hier in het advies ‘Meer meten, robuuster rekenen’ stevige kritiek op. De minister heeft die kritiek in onder andere een Kamerbrief van 13 oktober 2020 terzijde geschoven.

Uitspraak Raad van State

In de uitspraak van 20 januari 2021 heeft de Raad van State geoordeeld dat de afkapgrens van 5 km voor stikstofdepositie van verkeersbewegingen onvoldoende is onderbouwd. Hierdoor is namelijk onduidelijk wat de invloed van verkeer buiten de afkapgrens is op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Ook is onduidelijk hoe groot die invloed is. Daardoor kan niet “volledig, precies en definitief” worden geconcludeerd dat de verkeersbewegingen geen nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden hebben.

Bovendien is naar het oordeel van de Raad van State geen goede verklaring gegeven voor het verschil in rekengrenzen tussen SRM2 en OPS. Waarom zijn in SMR2 bronnen maar tot 5 km betekenisvol te herleiden tot een individueel project, terwijl dat in OPS tot een veel grotere afstand geldt? De Raad van State vraagt zich dat in de uitspraak expliciet af. In aanvulling daarop heeft de Raad van State het volgende overwogen:

“(…) is in het bijzonder onduidelijk waarom het kennelijk wel mogelijk is om met AERIUS Calculator voor andere bronnen dan wegverkeer de stikstofdepositie ‘betekenisvol te herleiden’ op grotere afstanden dan 5 km.”

Nu zal afgewacht moeten worden hoe de minister de afkapgrens van 5 km nader gaat motiveren en/of gaat aanpassen. Dit kan voor (vrijwel) alle bedrijven gevolgen hebben, aangezien (vrijwel) alle bedrijven met verkeersbewegingen te maken hebben.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Geen natuurvergunning nodig voor intern salderen

Voor intern salderen is geen natuurvergunning nodig. Dat blijkt uit de uitspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71).

Met de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof per 1 januari 2020 is de natuurvergunningplicht in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming gewijzigd. Sindsdien is alleen nog een natuurvergunning nodig voor activiteiten die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben. Vóór 1 januari 2020 was ook een natuurvergunning nodig voor activiteiten die niet-significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied konden hebben.

Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat als een wijziging of uitbreiding van een activiteit niet tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie leidt – oftewel: als sprake is van intern salderen – dat dan significante gevolgen kunnen worden uitgesloten.

Omdat sinds 1 januari 2020 alleen nog een natuurvergunning nodig is voor activiteiten die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben en deze gevolgen bij intern salderen dus kunnen worden uitgesloten, is er in geval van intern salderen geen natuurvergunning meer nodig.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 4 116