De intrekking van een natuurvergunning

Op 20 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:71) heeft de Raad van State een interessante uitspraak gedaan over de vraag wanneer een natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken.

Achtergrond

Op 19 augustus 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant een eerste uitspraak gedaan over de vraag wanneer een onherroepelijke natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken (ECLI:NL:RBOBR:2019:4830). In die uitspraak heeft de rechtbank hiervoor een ‘stappenplan’ gegeven.

Tegen de uitspraak van de rechtbank was hoger beroep ingediend. Omdat deze juridische procedure van groot belang is voor de praktijk, werd er met veel belangstelling naar de uitspraak in hoger beroep uitgekeken. Op 20 januari 2021 heeft de Raad van State hierover een uitspraak gedaan.

Juridisch kader

Wanneer een natuurvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd, staat in artikel 5.4, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). Daaruit volgt dat een natuurvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

  • de vergunninghouder in strijd handelt met de vergunning of de daaraan verbonden voorschriften (sub a);
  • de gegevens op grond waarvan de vergunning is verleend, zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat, indien de juiste gegevens bekend waren geweest, een andere beslissing zou zijn genomen (sub b);
  • de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend (sub c) of
  • de omstandigheden sinds de vergunningverlening zodanig zijn gewijzigd, dat de vergunning niet, niet zonder beperkingen of voorwaarden, of onder andere beperkingen of voorwaarden zou zijn verleend, als die omstandigheden al bekend waren op het moment van vergunningverlening (sub d).

In de hiervoor genoemde gevallen mag het bevoegd gezag een natuurvergunning intrekken of wijzigen, maar hoeft dat niet te doen. Daarvoor moet het bevoegd gezag een belangenafweging maken.

In sommige gevallen moet het bevoegd gezag echter een natuurvergunning intrekken of wijzigen. Dat is volgens artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb het geval als dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht lidstaten om passende maatregelen te treffen om verslechteringen en verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de soorten en habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen te voorkomen.

Uitspraak Raad van State

De relatie tussen de intrekkingsbevoegdheid en -plicht

In sommige gevallen heeft het bevoegd gezag de bevoegdheid – oftewel: de mogelijkheid – om een natuurvergunning in te trekken. In die gevallen moet het bevoegd gezag een belangenafweging maken. Bij die belangenafweging kan onder andere een rol spelen dat een vergunning onherroepelijk is. Dit heeft te maken met de rechtszekerheid.

Maar stel dat blijkt dat de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend (artikel 5.4, eerste lid, sub c, van de Wnb) of dat de omstandigheden sinds de vergunningverlening zodanig zijn gewijzigd en de vergunning niet zou zijn verleend als die omstandigheden al bekend waren ten tijde van de vergunningverlening (artikel 5.4, eerste lid, sub d, van de Wnb), dan moet het bevoegd gezag mogelijk verder kijken. Het bevoegd gezag moet verder kijken als uit de herbeoordeling van de vergunning blijkt dat deze leidt tot een (dreigende) verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden. Dan moet het bevoegd gezag namelijk ook beoordelen of de vergunning móet worden ingetrokken (artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb).

Kortom:

  • als achteraf blijkt dat een natuurvergunning in strijd met de wet is verleend of vanwege gewijzigde omstandigheden achteraf blijkt dat de natuurvergunning niet verleend had mogen worden en
  • uit een herbeoordeling blijkt dat de vergunning tot, kort gezegd, een verslechtering van Natura 2000-gebied kan leiden,

dan moet het bevoegd gezag beoordelen of de natuurvergunning moet worden ingetrokken.

De verplichting om te beoordelen of een natuurvergunning moet worden ingetrokken (artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb), geldt in sommige gevallen – los van het bovenstaande – überhaupt. Dat is het geval als:

  • sprake is van (dreigende) verslechtering of verstoring met significante gevolgen van een habitattype of soort waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen en
  • de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden.

Bij het toepassen van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb is er – anders dan bij het eerste lid – geen ruimte voor een belangenafweging.

Wanneer moet een natuurvergunning worden ingetrokken of gewijzigd?

Een natuurvergunning moet (dus verplicht) worden ingetrokken als dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Dat artikellid verplicht lidstaten, kort gezegd, om passende maatregelen te treffen om verslechtering met significante effecten van Natura 2000-gebieden te voorkomen. Welke maatregelen een lidstaat daarvoor treft, is een keuze van de lidstaat. Maar het wel of niet uitvoeren van die maatregelen als verslechteringen met significante effecten dreigen, is geen keuze van de lidstaat. Als die verslechteringen dreigen, móet de lidstaat namelijk maatregelen treffen.

Omdat in veel stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in Nederland de zogeheten kritische depositiewaarde wordt overschreden en veel gebieden dus overbelast zijn met stikstofdepositie, zullen in veel gevallen passende maatregelen getroffen moeten worden om te voldoen aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Dat staat niet met zoveel woorden in de uitspraak van de Raad van State, maar dat is in de praktijk wel duidelijk (mede gelet op andere uitspraken van de Raad van State).

Zoals gezegd, mag een lidstaat zelf bepalen welke passende maatregelen worden getroffen, als ze maar daadwerkelijk worden getroffen.

Als het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning de enige mogelijkheid is om de dreigende verslechtering van Natura 2000-gebied te voorkomen, dan moet het bevoegd gezag die natuurvergunning intrekken.

Als er ook andere mogelijkheden zijn om dreigende verslechtering van Natura 2000-gebied te voorkomen, dan heeft het bevoegd gezag een keuze (‘beoordelingsruimte’):

  • er worden andere passende maatregelen getroffen om dreigende verslechtering van Natura 2000-gebied te voorkomen en/of
  • de natuurvergunning wordt ingetrokken.

Dat er andere passende maatregelen kunnen worden getroffen, betekent dus niet dat een natuurvergunning niet mag worden ingetrokken. Maar als er andere passende maatregelen kunnen worden getroffen, kan het bevoegd gezag er wel voor kiezen om die maatregelen te treffen en/of om de natuurvergunning in te trekken.

Als er voor andere passende maatregelen wordt gekozen, dan moeten die maatregelen wel vaststaan. Duidelijk moet zijn:

  • welke andere maatregelen zijn of zullen worden getroffen;
  • binnen welk tijdpad de maatregelen worden uitgevoerd en
  • wanneer verwacht wordt dat de maatregelen effectief zijn.

Het is van belang dat de maatregelen, voor zover ze nog niet zijn uitgevoerd, binnen een afzienbare termijn worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet dit alles aannemelijk en inzichtelijk maken. Het is niet vereist dat de voordelige effecten van de maatregelen op voorhand vaststaan (dat moet wel als het gaat om mitigerende maatregelen die in een passende beoordeling worden betrokken).

De Raad van State overweegt daarbij ook het volgende:

“Als er een pakket van maatregelen of een programma in uitvoering is dat gericht is op de daling van stikstofdepositie en dat zo nodig vergezeld gaat van monitoring van de uitvoering en effecten en dat voorziet in bijsturing of aanvulling indien nodig, dan kan het college [FD: het bevoegd gezag, veelal de provincie] daar naar verwijzen.”

Hiermee geeft de Raad van State aan dat als de overheid een pakket of programma voor ‘stikstofmaatregelen’ in uitvoering heeft, er sprake is van andere passende maatregelen. Dan is het bevoegd gezag niet (meer) verplicht om natuurvergunningen in te trekken, omdat er dan dus al andere passende maatregelen worden getroffen.

In dat kader zijn de structurele aanpak stikstof en het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering van belang. Daarin wordt namelijk voorzien in een pakket aan ‘stikstofmaatregelen’ (bronmaatregelen om de stikstofdepositie te verlagen). Wel is van belang dat dan ook uitvoering wordt gegeven aan die maatregelen.

Geen intrekking bij intern salderen

Als een natuurvergunning is verleend op basis van intern salderen, dan kan het intrekken van deze vergunning geen passende maatregel zijn ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Sinds 1 januari 2020 geldt namelijk geen natuurvergunningplicht meer bij intern salderen. Stel dat de natuurvergunning – die op basis van intern salderen is verleend – toch zou worden ingetrokken, dan kan de vergunde activiteit nog steeds worden gerealiseerd. Daarvoor is namelijk sinds 1 januari 2020 geen natuurvergunning meer nodig. Door het intrekken van de natuurvergunning kan dan dus niet worden voorkomen dat de activiteit alsnog wordt gerealiseerd.

Het intrekken van een natuurvergunning die is verleend op basis van intern salderen, is dus geen passende maatregel. Dat betekent dat het intrekken van de natuurvergunning dan geen zin heeft en ook niet verplicht is op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Stikstofperikelen

Deze column verscheen in december 2020 in de regiobladen van Agrio.

De stikstofperikelen blijven voortduren. En in plaats van dat er verbetering in lijkt te komen, heb ik soms de indruk dat het alleen maar erger wordt. De reden daarvoor ligt met name in de ‘stikstofwaarde’ in het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering (wetsvoorstel) en in het opnieuw benutten van stikstofruimte die wordt gecreëerd door bronmaatregelen. Het wetsvoorstel bepaalt dat de stikstofdepositie in 2030 op ten minste 50% van het areaal van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden tot onder de kritische depositiewaarde (KDW) moet zijn gebracht. Dat is een resultaatsverplichting; een waarde die móet worden gehaald. Gelet op de ‘stikstofdeal’ die minister Schouten met een aantal politieke partijen heeft gesloten, lijkt die stikstofwaarde te worden aangescherpt voor de jaren na 2030. In 2035 zou de stikstofdepositie op ten minste 74% van het areaal tot onder de KDW moeten zijn gebracht. Dat de stikstofdepositie omlaag moet, is een juridisch gegeven (en wellicht ook een ecologisch gegeven, maar dat laat ik over aan ecologen). Maar het op zo’n korte termijn zo ver omlaag brengen van de stikstofdepositie, is een enorme opgave. Om dat doel te bereiken, moet op grond van het wetsvoorstel een programma stikstofreductie en natuurverbetering worden vastgesteld. Daarin worden onder andere bronmaatregelen opgenomen om de stikstofdepositie omlaag te brengen. Die maatregelen zijn volgens het wetsvoorstel bedoeld om te voldoen aan, kort gezegd, de instandhoudingsverplichtingen uit de Europese Habitatrichtlijn. Dat betekent dat die maatregelen niet mogen worden gebruikt om andere activiteiten met stikstofdepositie toe te staan.

Maar als je bijvoorbeeld kijkt naar de toelichting op het wetsvoorstel en de toelichting op de Regeling gerichte opkoop veehouderijen (Opkoopregeling), dan blijkt dat die maatregelen daarvoor wel (mede) zullen worden gebruikt. De stikstofruimte die wordt gecreëerd met de bronmaatregelen uit het programma stikstofreductie en natuurverbetering (zoals de Opkoopregeling), zal ook kunnen worden gebruikt om andere activiteiten met stikstofdepositie mogelijk te maken. Op die manier zal de stikstofdepositie echter niet voldoende dalen om de stikstofwaarde te kunnen bereiken. Dit terwijl die waarde op grond van het wetsvoorstel móet worden bereikt. Als die waarde niet gehaald dreigt te worden, zullen extra bronmaatregelen volgen. En zo dreigt er naar mijn mening een onwenselijke, vicieuze cirkel, zonder dat er een oplossing in zicht is voor PAS-melders en andere knelgevallen. De stikstofperikelen zullen zo blijven voortduren…

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Kritisch advies over salderen en de pelsdierhouderij

Voor een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij is een wetsvoorstel voorbereid. Het kabinet was voornemens om de stikstofruimte van de pelsdierhouderij in te zetten voor andere activiteiten. Maar een kritisch advies van de Afdeling advisering van de Raad van State heeft hier een stokje voor gestoken.

Achtergrond

Vanwege de bevattelijkheid van nertsen voor het coronavirus en de daarmee gepaard gaande risico’s voor de volksgezondheid, wil het kabinet overgaan tot een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij. Hiervoor is een wetsvoorstel voorbereid. Over het concept wetsvoorstel heeft de Afdeling advisering van de Raad van State (Afdeling) een advies uitgebracht. In dit advies is de Afdeling kritisch over de voornemens van het kabinet om de stikstofruimte van de pelsdierhouderij in te zetten voor andere activiteiten.

Concept wetsvoorstel

In het concept wetsvoorstel was het de bedoeling om te regelen (1) dat een pelsdierhouderij maximaal 70% van de ammoniakemissie mag gebruiken voor intern salderen en (2) dat de niet-hergebruikte ammoniakemissie van de pelsdierhouderij in het stikstofregistratiesysteem voor woningbouw en infrastructuur gaat en/of wordt gebruikt voor het legaliseren van bestaande activiteiten.

Advies Afdeling

De Afdeling heeft geadviseerd om de salderingsregeling uit het wetsvoorstel te schrappen. Daarvoor heeft de Afdeling, samengevat, de volgende redenen genoemd.

  1. Er zijn al beleidsregels over intern en extern salderen. Eventuele salderingsregels voor de pelsdierhouderij passen beter in die beleidsregels dan in deze wetgeving. Anders raakt de regelgeving over salderen versnipperd.
  2. De vrijkomende stikstofruimte komt niet ten goede aan de natuur, maar wordt gebruikt voor het stikstofregistratiesysteem of het legaliseren van bestaande activiteiten. Dit staat op gespannen voet met de Habitatrichtlijn.
  3. Pelsdierhouders zouden bij intern salderen 30% moeten afromen, terwijl andere bedrijven dat op grond van de beleidsregels over intern en extern salderen niet hoeven. Dat is een ongelijke behandeling.

Gelet op de bedoeling in het concept wetsvoorstel om de vrijkomende stikstofruimte te benutten voor andere activiteiten, is de salderingsregeling niet gericht op het verminderen van de stikstofbelasting. De salderingsregeling is op deze manier juist gericht op het in stand houden van de bestaande stikstofbelasting. Dit doorkruist de structurele aanpak stikstof, die moet leiden tot een forse stikstofreductie (vergelijk ook de stikstofreductiewaarde in het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering). Gelet op de situatie in veel Natura 2000-gebieden staat deze werkwijze volgens de Afdeling dan ook op gespannen voet met de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn om de situatie in die gebieden te verbeteren.

Vervolg

In het wetsvoorstel is vanwege het kritische advies van de Afdeling afgezien van de salderingsregeling. Maar dat laat onverlet dat voor de pelsdierhouderij nog wel specifieke regels opgenomen zouden kunnen worden in de (provinciale) beleidsregels over intern en extern salderen. Daarbij zal echter ook rekening gehouden moeten worden met het advies van de Afdeling. Daaruit blijkt duidelijk dat een regeling strekkende tot 30% afroming bij intern salderen een ongelijke behandeling met andere bedrijven oplevert en dat het gebruiken van vrijkomende stikstofruimte voor andere activiteiten op gespannen voet staat met de Habitatrichtlijn.

Dat leidt overigens tot de vraag welke stikstofruimte dan wel mag worden gebruikt voor het vergunnen of legaliseren van andere activiteiten. De stikstofruimte die ontstaat door de bronmaatregelen die in het kader van het programma stikstofreductie en natuurverbetering (zullen) worden getroffen, mogen daarvoor naar mijn mening niet gebruikt worden, aangezien het programma dient ter uitvoering van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn, en niet ter uitvoering van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dat ziet op de ‘natuurvergunningplicht’.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Concept Besluit stikstofreductie en natuurverbetering

Voor een verdere juridische borging van het programma stikstofreductie en natuurverbetering wordt naast de (concept) Wet stikstofreductie en natuurverbetering ook het (concept) Besluit stikstofreductie en natuurverbetering voorgesteld. Daarvoor ligt van 4 december 2020 tot 24 januari 2021 een concept Besluit stikstofreductie en natuurverbetering ter inzage.

Achtergrond

Het kabinet heeft op 24 april 2020 de structurele aanpak stikstof bekend gemaakt. De structurele aanpak bestaat, kort gezegd, uit de volgende onderdelen:

  • natuurherstelmaatregelen;
  • bronmaatregelen;
  • een waarde voor stikstofdepositie in 2030;
  • een systematiek van periodieke monitoring en bijsturing.

Daarnaast wordt een ontwikkelreserve ingesteld om PAS-meldingen te legaliseren en projecten van nationaal belang door te kunnen laten gaan.

Om de structurele aanpak stikstof te borgen, is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorgesteld. Voor een verdere uitwerking van bepaalde onderdelen uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering wordt het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering voorgesteld.

Besluit stikstofreductie en natuurverbetering

Programma

In het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering wordt vastgelegd wat in het programma stikstofreductie en natuurverbetering moet worden beschreven. In het programma moet voor de daarin opgenomen Natura 2000-gebieden een beschrijving worden opgenomen van de volgende aspecten.

  1. De omvang van de stikstofdepositie aan het begin van de programmaperiode. Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen de belangrijkste sectoren die bijdragen aan de stikstofdepositie en tussen buitenlandse en binnenlandse bronnen.
  2. De mate waarin aan het begin van de programmaperiode de instandhoudingsdoelstellingen zijn bereikt. Dat moet in ieder geval worden gedaan voor de voor stikstof gevoelige habitats.
  3. De verwachte autonome ontwikkeling van de stikstofemissie en de gevolgen daarvan voor de stikstofdepositie in voor stikstof gevoelige habitats.
  4. De getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan het verminderen van de stikstofdepositie en/of het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen.
  5. De verwachte sociaal-economische effecten en de weging van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de hiervoor genoemde maatregelen.
  6. De verwachte gevolgen van de hiervoor genoemde maatregelen voor de omvang van de stikstofdepositie en het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen.
  7. De manier waarop invulling wordt gegeven aan de evaluatie/monitoring van het programma.

Monitoring

In de Wet stikstofreductie en natuurverbetering wordt een ‘stikstofreductiewaarde’ vastgelegd. Die stikstofreductiewaarde legt de verplichting op om de stikstofdepositie zo ver te laten dalen dat in 2030 op minimaal 50% van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden de stikstofdepositie tot onder de kritische depositiewaarde is gebracht.

Om ervoor te zorgen dat de stikstofreductiewaarde wordt gehaald, worden tussentijdse doelstellingen vastgesteld. Die tussentijdse doelstellingen en de stikstofreductiewaarde moeten worden gemonitord. Die monitoring vindt plaats door metingen, berekeningen of het op een andere wijze verzamelen van gegevens (in overeenstemming met de regels die bij ministeriële regeling worden vastgesteld).

Vrijstelling voor de bouwsector

De (concept) Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet in een vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector. Die vrijstelling zal alleen gelden voor de aanleg-/bouwfase in de bouwsector en dus niet voor de gebruiksfase. Meer specifiek zal de vrijstelling voor de volgende activiteiten gelden:

  1. het verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk, inclusief de daarmee samenhangende vervoersbewegingen;
  2. het aanleggen, wijzigen of opruimen van een werk, inclusief de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.

Dit betekent dat de vrijstelling alleen zal gelden voor tijdelijke stikstofdepositie en niet voor permanente stikstofdepositie.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Wetsvoorstel natuurcompensatiebank

Het kabinet wil in het kader van de stikstofproblematiek een natuurcompensatiebank instellen. Deze natuurcompensatiebank moet ervoor zorgen dat projecten met een groot maatschappelijk belang doorgang kunnen vinden. Na de aankondiging hiervan in een Kamerbrief van 19 februari 2020, is op 25 november 2020 een concept wetsvoorstel bekend gemaakt.

Achtergrond

Door de stikstofproblematiek liggen veel projecten die stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen veroorzaken, stil. Het kabinet vindt het van belang dat projecten die een groot maatschappelijk belang vertegenwoordigen, door kunnen gaan. Het gaat daarbij om projecten met een dwingende reden van groot openbaar belang, waarvoor geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke projecten moeten dan compenserende maatregelen worden getroffen.

Dergelijke projecten kunnen ondanks een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied toch doorgang vinden, mits aan de volgende drie criteria wordt voldaan:

  • er zijn geen alternatieven voor het project (A);
  • het project is een dwingende reden van groot openbaar belang (D);
  • voor het project worden compenserende maatregelen getroffen (C).

Deze projecten worden ook wel ‘adc-projecten’ genoemd.

Om ervoor te zorgen dat projecten met een dwingende reden van groot openbaar belang door kunnen gaan, investeert het kabinet in compensatienatuur. Dit zijn natuurmaatregelen die kunnen worden ingezet voor het compenseren van eventuele natuurschade door stikstofdepositie.

Deze compenserende maatregelen worden op ‘voorraad’ opgenomen in een natuurcompensatiebank. Een project met een dwingende reden van groot openbaar belang kan dan aan het ‘c-criterium’ voldoen door compenserende maatregelen uit de natuurcompensatiebank te benutten.

Om de natuurcompensatiebank juridisch te borgen, is een concept voor het wetsvoorstel natuurcompensatiebank voorbereid.

Wetsvoorstel natuurcompensatiebank

Het wetsvoorstel natuurcompensatiebank voorziet in een wijziging van de Wet natuurbescherming (en later de Omgevingswet). De wetswijziging moet de natuurcompensatiebank juridisch borgen. In het wetsvoorstel wordt de natuurcompensatiebank een natuurcompensatieregister genoemd.

Definities

In het wetsvoorstel wordt een aantal definities opgenomen.

Voor een ‘adc-project’ wordt de volgende definitie opgenomen:

“project: project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van een bestuursorgaan van het Rijk of een waterschap of een bij ministeriële regeling aangewezen bestuursorgaan dat nodig is om een dwingende reden van groot openbaar belang die bestaat in het voorkomen of beperken van overstromingen, de veiligheid van infrastructuur of de nationale veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard”.

Uit deze definitie volgt al dat het wetsvoorstel voor het natuurcompensatieregister een onderscheid maakt tussen twee ‘typen’ adc-projecten, namelijk:

  • adc-projecten die bestaan in het voorkomen of beperken van overstromingen, de veiligheid van infrastructuur of de nationale veiligheid;
  • overige adc-projecten.

Bij de overige adc-projecten kan het gaan om projecten die bijvoorbeeld verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid, voor het milieu wezenlijke gunstige effecten of redenen van sociale of economische aard.

Het onderscheid tussen deze twee ‘typen’ adc-projecten komt ook elders in het wetsvoorstel terug.

Voor een ‘natuurcompensatiemaatregel’ wordt de volgende definitie opgenomen:

maatregel die strekt tot het vergroten van de oppervlakte of het verbeteren van de kwaliteit van voor stikstof gevoelige natuurlijke habitats of habitats van soorten, genoemd in bijlage I of II bij de Habitatrichtlijn, of voor stikstof gevoelige leefgebieden van vogels als bedoeld in artikel 4 van de Vogelrichtlijn”.

Met deze definitie wordt duidelijk gemaakt dat een natuurcompensatiemaatregel is bedoeld om aan de ‘ADC-criteria’ te voldoen.

Natuurcompensatieregister

Het natuurcompensatieregister wordt juridisch geborgd in artikel 5a.2 e.v. van de Wet natuurbescherming. Het register bevat de natuurcompensatiemaatregelen die voor een adc-project beschikbaar zijn als compenserende maatregel. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen (1) maatregelen die beschikbaar zijn voor adc-projecten voor het voorkomen of beperken van overstromingen, de veiligheid van infrastructuur of de nationale veiligheid en (2) maatregelen die beschikbaar zijn voor overige adc-projecten. In het register kan dus worden bepaald dat bepaalde natuurcompensatiemaatregelen alleen beschikbaar zijn voor het eerste ‘type’ adc-projecten.

Natuurcompensatiemaatregelen worden pas in het natuurcompensatieregister opgenomen als ze zijn uitgevoerd of als de uitvoering ervan voldoende zeker is. Zodra de maatregelen in het register zijn opgenomen, kunnen ze voor een adc-project worden gereserveerd en aan een adc-project worden toegedeeld. Dat kan in een natuurvergunning, een omgevingsvergunning voor de activiteit natuur, een tracébesluit of een bij ministeriële regeling aangewezen besluit.

Nadere regels

Bij ministeriële regeling kunnen nog nadere regels worden gesteld over de natuurcompensatiebank. Die regels kunnen bijvoorbeeld gaan over de adc-projecten die gebruik kunnen maken van de natuurcompensatiebank en een prioritering van die projecten. Ook kunnen er bijvoorbeeld regels worden gesteld over het reserveren en toedelen van natuurcompensatiemaatregelen en meet- of rekenvoorschriften.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 4 5 116