Uitspraak vergunning interimmer o.g.v. Natuurbeschermingswet

Op 8 oktober 2014 deed de Voorzitter van de Raad van State uitspraak over een natuurbeschermingswetvergunning die was verleend aan een zogenaamde interim uitbreider. Uit de uitspraak volgt dat rekening gehouden dient te worden met de al jaren bestaande situatie.

Aan de orde was een besluit van het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, waarbij aan een veehouder een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet was verleend. Tegen deze vergunning was beroep ingediend bij de Raad van State. Eveneens was een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De Voorzitter van de Raad van State overwoog evenwel dat er geen sprake was van een spoedeisend karakter en heeft om die reden het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen (Vz. ABRS 8 oktober 2014, 201406831 en 201406165). Reden daarvoor was dat de vergunning is verleend aan een zogenaamde interim uitbreider, zoals bedoeld in artikel 37 van de provinciale Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000. Op grond van deze provinciale regel worden bedrijven die in stikstofemissie hebben uitgebreid na 7 december 2004 en voor 18 februari 2011, welke een toename van de stikstofdepositie tot gevolg had ten opzichte van een op 7 december 2004 vergunde situatie, maar waarvoor niet eerder een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet is verleend dan wel in het kader van een andere wettelijke procedure een rechtstreekse toetsing aan de Habitatrichtlijn heeft plaatsgevonden, beschouwd als interim uitbreiders.

Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft de Voorzitter onder meer in aanmerking genomen dat de uitbreiding van de veehouderij reeds jaren geleden tot stand is gekomen. Mede gelet daarop heeft de Voorzitter bij een afweging van de betrokken belangen geoordeeld dat het belang bij de gevraagde schorsing van de vergunning niet dusdanig spoedeisend is, dat tot schorsing van de vergunning moest worden overgegaan. Daarbij heeft de Voorzitter eveneens betrokken dat nu de vergunning op de gehele veehouderij betrekking heeft, schorsing van de vergunning voor de veehouder verstrekkende gevolgen kan hebben.

De uitspraak van de Voorzitter heeft slechts een voorlopig karakter. De Raad van State dient nog uitspraak te doen inzake het beroepschrift dat tegen de vergunning is ingediend. Desondanks kunnen uit de overwegingen van de Voorzitter argumenten geput worden die kunnen worden aangevoerd in een verweerschrift tegen een verzoek om voorlopige voorziening. Eveneens kunnen de argumenten mogelijk van belang zijn indien handhavend zou worden opgetreden tegen een interim uitbreider vanwege het ontbreken van een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet.

mw. mr. Franca Damen

Ontwerp Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof (PAS)

Op 9 oktober 2014 maakte Staatssecretaris Dijksma het ontwerp Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof bekend. In dit besluit worden de grenswaarden vastgelegd die in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof gelden voor een uitzondering op de vergunningplicht op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet.

In het wetsvoorstel voor de Programmatische Aanpak Stikstof (hierna: PAS) zijn een aantal nieuwe onderdelen opgenomen. Een van deze onderdelen betreft de zogenaamde grenswaarden, zoals bepaald in het voorgesteld artikel 19kh, zevende lid, van de Natuurbeschermingswet (hierna: Nb). Op grond van dit artikellid is geen vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, Nb nodigvoor een project of andere handeling indien het project of die handeling, kort gezegd:

  • een stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied die niet de grenswaarde overschrijdt;
  • behoort tot een bij amvb aangewezen categorie van projecten of handelingen en wordt gerealiseerd respectievelijk verricht op een bepaalde afstand tot een Natura 2000-gebied (enkel van belang voor de infrastructuur).

Voor de veehouderij is enkel de grenswaarde in de vorm van een maximale hoeveelheid stikstofdepositie van belang. Wanneer de stikstofdepositie van een project of andere handeling onder de grenswaarde blijft, is geen vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, Nb vereist. Voorwaarde daarbij is nog wel dat het project of de handeling geen andere verslechterende of significant verstorende effecten mag hebben.

De grenswaarde wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Op 9 oktober 2014 maakte Staatssecretaris Dijksma daartoe het ontwerp Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof bekend. In het navolgende noem ik daaruit enkele belangrijke onderdelen.

Regels uit het Besluit grenswaarden PAS

Het Besluit kent slechts een paar regels. Artikel 1 bepaalt dat onder depositieruimte voor grenswaarden wordt verstaan:

“hoeveelheid stikstofdepositie die in het kader van het programma voor een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied beschikbaar is voor projecten of andere handelingen als bedoeld in artikel 19kh, zevende lid, van de wet

Artikel 2, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat de grenswaarde wordt vastgesteld op 1 mol per hectare per jaar.

Artikel 2, derde lid, van het Besluit bepaalt dat de grenswaarde niet 1 mol maar 0,05 mol per hectare per jaar bedraagt zolang uit AERIUS blijkt dat ten aanzien van een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in het desbetreffende Natura 2000-gebied 5% of minder van de depositieruimte voor grenswaarden beschikbaar is.

Wanneer artikel 2, derde lid, van het Besluit aan de orde is, moet dit op grond van artikel 2, vierde lid, van het Besluit in de Staatscourant bekend worden gemaakt.

Toelichting op het Besluit grenswaarden PAS

Een deel van de depositieruimte die in het kader van de programmatische aanpak stikstof ontstaat, is beschikbaar voor projecten en andere handelingen die slechts een geringe depositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Dit deel van de algemene depositieruimte wordt de “depositieruimte voor grenswaarden” genoemd. Een ander deel van de algemene depositieruimte is de “ontwikkelingsruimte” die door het bevoegd gezag op grond van het voorgesteld artikel 19km, eerste lid, Nb aan projecten of andere handelingen kan worden toegekend. Verder is een deel van de algemene depositieruimte beschikbaar voor autonome ontwikkelingen en voor andere activiteiten waarvoor geen toestemming hoeft te worden verleend.

Bij een grenswaarde van 1 mol per hectare per jaar is voor projecten en andere handelingen met een hogere stikstofdepositie toestemming op grond van artikel 19km, eerste lid, Nb vereist en kan de beschikbare depositieruimte, in de vorm van ontwikkelingsruimte, geleidelijk aan projecten en andere handelingen worden toegedeeld bij de verlening van toestemming.

Wanneer een project of een andere handelingen op één hectare van een voor stikstof gevoelige habitattype in een Natura 2000-gebied stikstofdepositie veroorzaakt die de grenswaarde van 1 mol overschrijdt, is de vrijstelling niet van toepassing. Dan geldt voor dat project ten aanzien van het desbetreffende Natura 2000-gebied de vergunningplicht van artikel 19d, eerste lid, Nb en is toestemming, met toedeling van ontwikkelingsruimte, vereist op grond van artikel 19km, eerste lid, Nb. In dat geval is niet relevant of het project op de totale oppervlakte van het voor stikstof gevoelige habitattype of op de verschillende voor stikstof gevoelige habitattypen een gemiddelde stikstofdepositie veroorzaakt die lager is dan 1 mol per hectare per jaar.

Indien een project of een andere handeling stikstofdepositie veroorzaakt op meerdere Natura 2000-gebieden, dan kan het zijn dat de initiatiefnemer voor zijn voorgenomen project of andere handeling een vergunning moet aanvragen voor Natura 2000-gebieden waar een stikstofdepositie wordt veroorzaakt die hoger is dan de grenswaarde, terwijl voor andere gebieden de vrijstelling geldt omdat de stikstofdepositie daar de waarde van 1 mol per hectare niet overschrijdt.

Wanneer een wijziging van een bestaande inrichting een stikstofdepositie veroorzaakt die op zichzelf onder de grenswaarde blijft, maar de stikstofdepositie van die uitbreiding in cumulatie met de stikstofdepositie van verschillende daaraan voorafgaande kleine uitbreidingen ten aanzien van dezelfde inrichting in dezelfde programmaperiode bij elkaar opgeteld wel leiden tot overschrijding van de grenswaarde, geldt de vrijstelling van de vergunningplicht niet. Op deze wijze wordt voorkomen dat een initiatiefnemer de vergunningplicht ontloopt door het opknippen van een groot project in kleine deelprojecten.

Voor de berekening van de stikstofdepositie zal het rekenprogramma AERIUS worden voorgeschreven. AERIUS geeft onder andere de volgende informatie:

  • geeft aan of de kritische depositiewaarde van een aanwezig habitattype is overschreden en dus of sprake is van een overbelasting aan stikstof;
  • geeft aan of als onder de grenswaarde wordt gebleven ten aanzien van het stikstofaspect een vrijstelling van de vergunningplicht geldt en of er in voorkomend geval een melding moet worden gedaan.

Voor de niet-prioritaire projecten en handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die onder de grenswaarde blijft, is de beschikbare hoeveelheid depositieruimte voor grenswaarden bepaald op 30% van het verschil tussen enerzijds de omvang van de totale depositieruimte en anderzijds de som van de ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten en de depositieruimte voor autonome ontwikkelingen.

Voor projecten en andere handelingen die onder de grenswaarde blijven, zal een meldingsplicht gelden. Deze meldingsplicht zal worden voorgeschreven voor bepaalde categorieën van projecten die een geringe stikstofdepositie veroorzaken lager dan of gelijk aan de grenswaarde van 1 mol. De meldingsplicht geldt enkel voor bepaalde in de Regeling programmatische aanpak stikstof aangewezen categorieën van projecten waarmee, gegeven de aard van de bron en de bijdragen van de verschillende bronnen aan de stikstofemissies in Nederland, een actueel en realistisch beeld kan worden verkregen van de totale depositie door activiteiten die vallen onder de vrijstelling van de vergunningplicht. Verder geldt de meldingsplicht alleen voor projecten die niet uit andere hoofde bij het bevoegd gezag bekend zijn. De meldingsplicht geldt op grond van de Regeling programmatische aanpak stikstof niet voor projecten die stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaken die lager is dan 0,05 mol per hectare per jaar. Of de meldingsplicht ten aanzien van een project van toepassing is, kan door de initiatiefnemer worden achterhaald met behulp van de rekenmodule van AERIUS. Als 95% van de depositieruimte voor grenswaarden ten aanzien van een Natura 2000-gebied is benut, is dit zichtbaar in AERIUS en heeft de initiatiefnemer toestemming nodig voor de voorgenomen niet-prioritaire activiteit.

Vervolg

Voor de PAS moeten nog meerdere algemene maatregelen van bestuur en/of ministeriële regelingen worden vastgesteld. Ten tijde van het schrijven van onderhavig artikel moeten bovendien ook nog de programmatische aanpak stikstof zelf en de daarbij behorende gebiedsanalyses ter inzage worden gelegd. Het is raadzaam om, indien en voorzover mogelijk, zo spoedig mogelijk nog een aanvraag om een natuurbeschermingswetvergunning in te dienen, alvorens de PAS in werking treedt.

mw. mr. Franca Damen

Heldere uitspraak rechtbank Oost-Brabant omtrent omgevingsvergunning milieu

Op 6 juni 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:3163) deed rechtbank Oost-Brabant een interessante uitspraak over een uitbreiding van een pluimveehouderij. Daarin kwamen meerdere aspecten aan de orde die relevant zijn voor de (agrarische) adviespraktijk. Op de belangrijkste onderdelen ga ik in het navolgende in.

Vogelgriep

Een uitbraak van vogelgriep kan redelijkerwijs mogelijk worden geacht, gelet op de omstandigheid dat in 2013 nog vogelgriep in Nederland is gesignaleerd, aldus de rechtbank. In de procedure heeft vergunninghoudster echter inzage verschaft in de door haar getroffen maatregelen om besmetting van de veestapel met vogelgriep te beperken. Vergunninghoudster heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplicht.

Advies: ga in op eventuele relevante uitbraken en licht toe wat de te treffen maatregelen zijn binnen het bedrijf.

Wijzigingen vergunningaanvraag

Na het ter inzage leggen van de vergunningaanvraag en het ontwerpbesluit is het, behoudens uitzonderingen, niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen (ABRS 27 oktober 2010, 200910164). Een uitzondering kan zich voordoen als vaststaat dat door de wijzigingen en aanvullingen van de aanvraag derden niet zijn benadeeld.

De aanvraag wordt niet inhoudelijk gewijzigd, maar slechts verder aangevuld. Er is geen sprake van een grotere milieubelasting. Er hoeft geen nieuw ontwerpbesluit ter inzage gelegd te worden. De enkele omstandigheid dat voorschriften worden aangevuld in het definitieve besluit vormt geen aanleiding om een nieuw ontwerpbesluit te nemen.

Milieueffectrapport

“De stelling dat de aanvrager opzettelijk 1 kuiken minder heeft aangevraagd, wat daar verder ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel.”

Door de vergunninghoudster was een zodanig aantal dieren aangevraagd, dat net onder de drempelwaarden uit het Besluit MER werd gebleven. Dat is toegestaan. Omdat de drempelwaarden niet werden overschreden, gold geen MER-(beoordelings)plicht. Wel moest een vormvrije MER-beoordeling worden uitgevoerd. Dat was ook gedaan.

Besluit huisvesting BBT

Het bevoegd gezag moet er bij het verlenen van een vergunning voor een veehouderij van uitgaan dat wanneer de huisvestingssystemen waarop het Besluit huisvesting van toepassing is, voldoen aan de in deze algemene maatregel van bestuur geldende eisen, tevens wordt voldaan aan het vereiste dat de geuremissie van het huisvestingssysteem moet overeenkomen met toepassing van de beste beschikbare technieken (ABRS 1 juli 2009, 200804185).

Cumulatieve geurhinder

Uit artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, Wgv volgt dat bij toetsing aan de daarin genoemde grenswaarden slechts de geurbelasting van de inrichting zelf in ogenschouw mag worden genomen. De cumulatieve geurhinder van verschillende veehouderijen speelt hierbij dus geen rol (ABRS 27 maart 2013, 201109467 en rechtbank Oost-Brabant 17 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1195).

Geluid

De Handreiking industrielawaai en vergunningverlening biedt de ruimte voor een regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie na een bestuurlijke afweging (ABRS 13 juli 2011, 201005093).

Verkeersveiligheid

Het belang van de verkeersveiligheid vindt bescherming in andere regelgeving, zoals de Wegenverkeerswet. Het verkeersveiligheidsbelang betreft geen belang dat bescherming geniet in het kader van een omgevingsvergunning milieu (ABRS 3 april 2014, 201110836).

Volksgezondheid

Voor diverse milieuonderdelen die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid zijn wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders gevormd, veelal op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Het ligt op de weg van degene die zich op het bestaan van een risico voor de volksgezondheid beroept om, aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, aannemelijk te maken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen, aldus de rechtbank. Vervolgens overweegt de rechtbank onder meer het navolgende:

Ten aanzien van geur:

“Ten aanzien van eisers 2 vrees voor de volksgezondheid als gevolg van de geuremissie overweegt de rechtbank dat sprake is van een wettelijk voorgeschreven toetsingskader. Eisers 2 zijn er niet in geslaagd om aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, aannemelijk te maken dat de Wgv niet toereikend is om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen. Eisers 2 verwijzing naar het advies van de Gezondheidsraad en de overige overgelegde rapportages is hiervoor onvoldoende.

De opmerking van de Gezondheidsraad dat zowel eerdere geurnormen als de huidige adviesnormen in de Wgv niet gebaseerd zijn op een blootstelling-responsrelatie en dat het hoog tijd is de wetgeving en handhaving op dit gebied wetenschappelijk steviger te funderen, onderstreept eens te meer dat er geen algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht is dat de Wgv niet toereikend is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Wgv niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank verwijst op dit onderdeel overigens naar haar uitspraken van 12 juli 2013 (ECLI:NL:RBOBR:2013:2855) en 27 januari 2014 (ECLI:NL:RBOBR2014:279).”

Ten aanzien van verspreiding van ziekten:

In de hierboven genoemde uitspraak van deze rechtbank van 12 juli 2013 heeft de rechtbank overwogen dat voor het risico van de verspreiding van ziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn (zoönosen) nog geen wettelijk of beleidsmatig toetsingskader is ontwikkeld. Er is geen sprake van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de (ernst van) gezondheidseffecten van een intensieve veehouderij op omwonenden. Dit komt mede naar voren uit het onderzoek van de Gezondheidsraad van 30 november 2012.

Het enkele ontbreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten is onvoldoende om de vergunning reeds daarom te weigeren vanwege een mogelijk volksgezondheidsrisico. Pas als er indicaties zijn dat een activiteit een risico voor de volksgezondheid zou kunnen hebben, zal het bevoegd gezag, mede gelet op het voorzorgsbeginsel, moeten onderzoeken of de mogelijke negatieve effecten op de volksgezondheid van een zodanige ernst kunnen zijn dat hierin aanleiding is gelegen om de vergunning te weigeren, of nadere voorschriften ter voorkoming van gezondheidsrisico’s aan de vergunning te verbinden. Hierbij zijn de omstandigheden van het geval van belang, zoals de werking van de betrokken inrichting, de soort van de gehouden dieren, de aard van de omgeving, eventuele mogelijke (hygiëne)maatregelen ter voorkoming van de uitbraak en verspreiding van zoönosen, alsmede de aard van de mogelijke effecten op de gezondheid.”

Omdat in de verleende vergunning onvoldoende was ingegaan op de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid, heeft verweerder dit hangende de beroepsprocedure alsnog gedaan. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het beroep weliswaar gegrond te verklaren, maar de rechtsgevolgen hiervan in stand te laten door in de uitspraak aan de vergunning een extra voorschrift te verbinden.

Het betreft een duidelijk voorschrift met betrekking tot volksgezondheid:

“Teneinde zoönosen te weren en om ziektedruk en de uitbraak van ziekten te voorkomen, dienen de volgende maatregelen in ieder geval te worden getroffen:

  • Strikte hygiëne tijdens de ronde, wat betekent: afgesloten terrein, geen toegang voor bezoekers in de stallen, bedrijfseigen kleding en schoeisel, wasgelegenheid om daarmee ziekte insleep te voorkomen;
  • Zorg voor goede klimatologische omstandigheden tijdens de ronde,
  • Grondige reiniging en ontsmetting van de stallen na de ronde;
  • Uitvoeren van verplichte entingen tegen pluimveeziekten waarbij een maal per ronde de dierenarts een bloedonderzoek ter controle zal verrichten;
  • Het jaarlijks maken van hygienogrammen en jaarlijks een IKB (integrale ketenbewaking) controle door een gecertificeerde instantie waarbij het gehele productieproces wordt gecontroleerd;
  • Elke ronde Salmonellaonderzoek en tweemaal per jaar Campylobacteronderzoek;
  • Jaarlijks onderzoek naar de waterkwaliteit bij gebruik eigen bronwater
  • Ongediertebestrijding waaronder Tempexkeverbestrijding “

Advies: neem bij een vergunningaanvraag de volksgezondheid mee, motiveer welke maatregelen worden getroffen en leg dit vast in de vergunningvoorschriften.

Finale geschilbeslechting

In het kader van een finale geschilbeslechting verbindt de rechtbank zelf nieuwe voorschriften aan de vergunning in haar uitspraak, zodat de gebreken daarmee zijn hersteld.

Het is dus ook als vergunninghouder altijd raadzaam om verweer te voeren, eventuele gebreken te erkennen en in een zo vroeg mogelijk stadium op te lossen. Als dit bij de rechtbank en/of Raad van State wordt aangegeven en wordt gemotiveerd op welke wijze het gebrek kan worden hersteld – door bijvoorbeeld zelf in overleg met het bevoegd gezag al nieuwe voorschriften voor te stellen – dan wordt hierin vaak meegegaan door de rechtbank en/of Raad van State, mits zij uiteraard van oordeel zijn dat sprake is van een gebrek en dat gebrek op deze wijze kan worden hersteld.

mw. mr. Franca Damen

“Muggenziften” en finale geschilbeslechting

In de praktijk wordt nogal eens beroep aangetekend tegen vergunningen, waarbij bijvoorbeeld wordt aangevoerd dat in een vergunningaanvraag een onjuist aantal dieren is vermeld of ten onrechte bepaalde onderdelen niet zijn onderzocht. Goed dat er scherp naar vergunningen wordt gekeken, maar soms lijkt het op “muggenziften”.

Rechters dienen ten aanzien van alle aangevoerde beroepsgronden uitspraak te doen, ook wanneer het alleen “muggenziften” betreft. Overigens is “muggenziften” mogelijk niet een geheel correcte woordkeuze, aangezien het appellanten vrij staat om al hetgeen zij nodig achten tegen een besluit aan te voeren. Sterker nog, dat betekent dat er scherp naar een besluit wordt gekeken – en dat is goed – en dat een gemachtigde haar/zijn werk goed doet. Vergunningen aanvragen, beoordelen en verlenen is en blijft echter mensenwerk. Een verschrijving kan dan bijvoorbeeld ook wel eens voorkomen.

De reden dat ik desondanks spreek over “muggenziften”, is gelegen in een eigen praktijkervaring. Deze week had ik een zitting over een grote zaak met een groot aantal appellanten. Zelf stond ik de vergunninghouder bij. Meerdere appellanten hadden tegen de ontwerpvergunning geen zienswijzen ingediend en/of waren niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb aan te merken. Althans, dat was het oordeel van onze zijde, een uitspraak moet immers nog volgen. Dit zijn belangrijke formele punten die aan het begin van de zitting besproken dienen te worden, zeker indien daaromtrent verweer is gevoerd. Wanneer de ontvankelijkheid discutabel is, is het dan ook altijd van belang om daartegen verweer te voeren. Immers kunnen op die wijze beroepschriften volledig buiten boord worden gehouden.

De rechtbank ging dan ook, zoals zij behoort te doen, op de ontvankelijkheid van de appellanten in. Daar waar ik de ontvankelijkheid betwistte, maakte ik daaromtrent een opmerking. Dat hoefde maar kort, aangezien ik daarop reeds uitvoerig was ingegaan in mijn verweerschrift.

Een van de gemachtigden van een deel van de appellanten “verzocht” mij om hier niet zo’n punt van te maken, maar over te gaan tot de kern van de zaak. De rechtbank begreep haar taak gelukkig goed, en sprak de desbetreffende gemachtigde toe door te overwegen dat los van dat ik hieromtrent een opmerking mag maken, het ook een punt betreft dat de rechtbank ambtshalve dient te beoordelen. Geen muggenziften dus.

Dezelfde gemachtigde bleef vervolgens maar doorgaan op een aantal punten, zonder dat duidelijk was wat hij daarmee beoogde en trachtte te bereiken. De rechtbank vroeg de betreffende gemachtigde daar dan ook naar. Wel muggenziften dus.

Muggenziften is mijns inziens dus nog tot daar aan toe (sterker nog: door zo scherp te zijn doet een gemachtigde haar/zijn werk mijns inziens juist goed), als men er maar niet in blijft hangen. Als sprake is van bijvoorbeeld een kennelijke verschrijving, goed dat het wordt opgemerkt, maar als het evident is dat het een kennelijke verschrijving betreft, dan dient het daar mijns inziens dan ook bij te blijven.

Ik ben dan ook tevreden met de aanpak die steeds meer bestuursrechters nastreven: een finale geschilbeslechting.

De uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 6 juni 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:3163) deed mij daar ook aan denken door een aantal overwegingen in de uitspraak, waaronder de volgende:

“De rechtbank is van oordeel dat de vermelding in het aanvraagformulier dat het aantal dieren gelijk blijft, moet worden gezien als een kennelijke verschrijving. Uit de aanvraag en de onderliggende stukken blijkt duidelijk wat de bedoeling is van vergunninghoudster.”

Goed dat er een opmerking over wordt gemaakt, goed dat de rechtbank het op deze manier direct afdoet.

mw. mr. Franca Damen

Aanwijzing categorieën gevallen waarin geen VVGB is vereist

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning is in sommige gevallen een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) vereist. In welke gevallen een VVGB is vereist, wordt wettelijk bepaald. Er bestaat voor het bevoegd gezag echter ook enige vrijheid.

Dit licht ik nader toe. Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) is bij een aanvraag om een omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een VVGB vereist van de gemeenteraad van de gemeente waarin het project geheel of in hoofdzaak zal worden uitgevoerd.

Op grond van het derde lid van artikel 6.5 Bor kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin geen VVGB is vereist. Het artikel bevat geen vereisten voor de aanwijzing en houdt geen beperking in voor categorieën die opgenomen kunnen worden in de aanwijzing (ABRS 3 oktober 2012, 201206364). Een besluit van een gemeenteraad waarin is bepaald dat een VVGB niet is vereist voor het toepassen van artikel 2.12, eerste lid, sub 3, onder a, Wabo is echter niet toegestaan. Dat volgt uit een uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2014, 201310261. Een dergelijke aanwijzing is naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 6.5 Bor en daarmee onverbindend. Daartoe overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad gelet op de tekst van artikel 6.5, derde lid, Bor categorieën van gevallen dient aan te wijzen waarin geen VVGB is vereist. Een besluit dat een VVGB nooit is vereist, kan niet worden aangemerkt als een aanwijzing van een categorie van gevallen. Daarnaast kan de bevoegdheid tot het maken van uitzonderingen als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, Bor naar zijn aard niet worden gebruikt om de hoofdregel zoals neergelegd in artikel 6.5, eerste lid, Bor – namelijk dat een VVGB is vereist – geheel te omzeilen.

Gelet hierop heeft de Afdeling geconcludeerd dat het besluit van de gemeenteraad in strijd is met artikel 6.5 Bor en derhalve onverbindend is.

mw. mr. Franca Damen

1 96 97 98 99 100 101