Beregenen met omgevingsvergunning bouwen?

Voor een beregeningsinstallatie kan een omgevingsvergunning bouwen nodig zijn. Dat oordeelde rechtbank Gelderland in een uitspraak van 13 februari 2020 (ECLI:NL:RBGEL:2020:965).

Een omgevingsvergunning bouwen is nodig voor het bouwen van een bouwwerk. Dat is alleen anders als er sprake is van een vergunningvrij bouwwerk. Een bouwwerk is “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.”

Een beregeningsinstallatie kan aan deze definitie voldoen. Dat blijkt uit de uitspraak van rechtbank Gelderland. Die ging over een beregeningsinstallatie die bestaat uit waterleidingen in de grond over het gehele perceel, met om de 18 meter een metalen buis die boven de grond uitsteekt met een hoogte van ongeveer 3 meter en met aan het uiteinde daarvan een sproeier. Volgens de rechtbank is dit een ‘bouwwerk’ waarvoor een omgevingsvergunning bouwen nodig is.

Maar als er alleen sprake is van een paal met daaraan een waterslang, dan is er geen sprake van een bouwwerk. Daarvoor is dan dus geen omgevingsvergunning bouwen nodig. Dit blijkt uit een oudere uitspraak van rechtbank Utrecht (19 december 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6859).

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Experimenteerruimte voor innovatie in de veehouderij

In een aantal provincies komt er experimenteerruimte voor innovatie in de veehouderij. Het moet mogelijk worden om innovatieve systemen en technieken toe te passen op basis van meetsensoren of een proefstalbeschikking die door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Dit blijkt uit de voorgestelde 21e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

In het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) zijn onder andere projecten opgenomen om te ‘experimenteren’. In die projecten mag – bij wijze van experiment – worden afgeweken van bestaande wet- en regelgeving. Voorbeelden van zo’n projecten zijn bijvoorbeeld bestemmingsplannen waarin vooruitlopend op de Omgevingswet regels mogen worden gesteld die verder gaan dan de reguliere wettelijke ruimte hiervoor (lees hierover hier meer).

Aan het BuChw worden regelmatig nieuwe projecten toegevoegd. Vorige maand is er een weer een voorstel gedaan om een aantal projecten aan het BuChw toe te voegen. Dit wordt ook wel de 21e tranche van het BuChw genoemd. Een van de voorgestelde projecten ziet op mogelijkheden voor het bevoegd gezag om in te grijpen in overbelaste situaties in de veehouderij. Een ander voorgesteld project ziet juist op experimenteerruimte voor innovatie in de landbouw. Deze experimenteerruimte zal – na inwerkingtreding van de 21e tranche – alleen gelden in de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel.

Experiment ammoniakemissie

Het wordt mogelijk om voor innovatieve systemen en technieken af te wijken van de ammoniakemissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Die mogelijkheden gelden voor huisvestingssystemen en additionele technieken die niet in bijlage 1 bij de Rav zijn opgenomen. Er zijn twee mogelijkheden om af te wijken, namelijk:

  • meetsensoren die de feitelijke emissie meten;
  • een bijzondere emissiefactor (proefstalbeschikking) die wordt vastgesteld door het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

In de omgevingsvergunning mag voor de toets aan de Rav, het Besluit emissiearme huisvesting en de regels ten aanzien van zeer kwetsbare gebieden (Wet ammoniak en veehouderij of het Activiteitenbesluit) in plaats van emissiefactoren gebruik worden gemaakt van de meetsensoren of de bijzondere emissiefactor.

Meetsensoren

Bij het toepassen van meetsensoren moet de feitelijke emissie worden gemeten. Die metingen moeten aantonen dat wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting en de Wet ammoniak en veehouderij. In de omgevingsvergunning moeten bovendien twee aanvullende voorschriften worden opgenomen, namelijk:

  • het emissieplafond en de manier waarop wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan (de meetmethode);
  • dat de emissies worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting met sensoren van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode (dit meetprotocol zou begin 2020 beschikbaar komen).

Het emissieplafond mag niet hoger zijn dan het aantal dieren maal de maximale emissiewaarde in het Besluit emissiearme huisvesting.

Bijzondere emissiefactor

In een omgevingsvergunning waarin een bijzondere emissiefactor wordt gebruikt (een proefstalbeschikking), moet worden opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem moeten worden gemeten. Dit is alleen anders als is aangetoond dat al voldoende metingen op andere locaties worden uitgevoerd. De metingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.

Vergunning wijzigen of intrekken

Als blijkt dat het huisvestingssysteem niet voldoende ammoniakemissie reduceert, dan heeft het bevoegd gezag verschillende mogelijkheden.

Het bevoegd gezag kan de vergunningvoorschriften wijzigen indien:

  • uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie per dierplaats per jaar hoger is dan de vastgestelde bijzondere emissiefactor of het emissiereductiepercentage;
  • aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem, of
  • aanvullende eisen nodig zijn voor het meten met sensoren.

Als de vergunningvoorschriften worden gewijzigd, kan het gaan om voorschriften voor extra monitoring, metingen, onderhoud of management of het voorschrijven van een gewijzigde of andere techniek.

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

  • uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie hoger is dan de vastgestelde bijzondere emissiefactor of het emissiereductiepercentage;
  • niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.

Fijnstof

Ook voor fijnstof komt er experimenteerruimte voor innovatieve huisvestingssystemen en technieken. Naast de minister zal namelijk ook het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning een bijzondere emissiefactor voor fijnstof mogen vaststellen (proefstalbeschikking). Dit betekent dat het bevoegd gezag goedkeuring mag verlenen aan het gebruik van een andere emissiefactor of een ander emissiereductiepercentage dan vastgesteld.

In de omgevingsvergunning moet worden opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de techniek moeten worden gemeten, tenzij is aangetoond dat al voldoende relevante metingen op andere locaties worden uitgevoerd. De metingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het Protocol voor meting van fijnstofemissies uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.

Als blijkt dat het huisvestingssysteem niet voldoende fijnstof reduceert, dan heeft het bevoegd gezag verschillende mogelijkheden. Deze mogelijkheden zijn hetzelfde als die voor ammoniakemissie, zoals hiervoor vermeld (wijzigen van de vergunningvoorschriften of geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning).

Niet vergunningplichtige veehouderijen

De experimenteerruimte voor innovatieve systemen en technieken zoals hiervoor toegelicht, geldt ook voor niet vergunningplichtige veehouderijen. Dit wordt mogelijk gemaakt door voor deze bedrijven een ‘omgevingsvergunning innovatie’ te verlenen. Dit wordt een nieuwe categorie voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en sub i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In die gevallen kan de omgevingsvergunning overigens worden geweigerd vanwege de aard of locatie van de activiteit.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Ruimere mogelijkheden onder de Omgevingswet

Als de Omgevingswet in werking treedt, kunnen provincies aanzienlijk meer regelen in hun provinciale verordeningen en gemeenten aanzienlijk meer in hun omgevingsplannen. Een uitspraak van de Raad van State van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:452) maakt dat duidelijk. Deze uitspraak gaat over de Brabantse Verordening ruimte met verbrede reikwijdte. Provincies en gemeenten zullen onder de Omgevingswet dus ook meer eisen kunnen stellen aan de veehouderij, zoals in de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij.

Provinciale verordening

Op grond van de huidige wetgeving kunnen provincies een ruimtelijke verordening vaststellen als provinciale belangen dat noodzakelijk maken (artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). De regels in die verordening moeten ruimtelijk relevant zijn.

Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, moeten provincies nog steeds een verordening vaststellen (artikel 2.6 van de Omgevingswet). Maar de regels in die omgevingsverordening hebben een bredere reikwijdte dan op grond van de huidige wetgeving. Die regels gaan namelijk over de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed (artikel 1.2, tweede lid, van de Omgevingswet).

Brabants experiment

Om met de mogelijkheden van de Omgevingswet te kunnen experimenteren, heeft Noord-Brabant hiervoor een bevoegdheid gekregen. Daartoe heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties in artikel 7l van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet bepaald dat de provincie in aanvulling op de huidige wetgeving in de provinciale verordening ruimte regels kan stellen:

“die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit (…).”

Deze regels zijn bedoeld om een duurzame en zorgvuldige veehouderij te bevorderen.

Om een duurzame en zorgvuldige veehouderij te bevorderen, heeft de provincie Noord-Brabant in de Verordening ruimte onder andere de volgende regels gesteld aan de ontwikkeling van de veehouderij:

  1. er moet sprake zijn van een zorgvuldige veehouderij; met het oog hierop is de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) vastgesteld;
  2. het door de provincie vastgesteld cumulatief geurhinderpercentage mag niet worden overschreden;
  3. de door de provincie vastgestelde achtergrondconcentratie fijnstof mag niet worden overschreden;
  4. er moet een zorgvuldige dialoog met de omgeving worden gehouden en
  5. er moet worden voldaan aan de stalderingsregel.

Over de vraag of de provincie deze regels wel in de Verordening ruimte mocht opnemen, heeft de Raad van State op 12 februari 2020 een uitspraak gedaan.

Uitspraak van de rechter

De Raad van State heeft geoordeeld dat de provincie de verschillende eisen in de Verordening ruimte mocht opnemen, met uitzondering van de eis over de achtergrondconcentratie fijnstof. Hiertoe heeft de Raad van State onder andere overwogen dat de eisen vallen onder de fysieke leefomgeving.

Dat de fysieke leefomgeving breder is dan ruimtelijke ordening, maakt de uitspraak erg duidelijk. Dat kan worden toegelicht aan de hand van het volgende voorbeeld.

Op 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:84) heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over een bestemmingsplan waarin de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) was voorgeschreven. Een veehouderij kon op grond van het bestemmingsplan alleen uitbreiden als de nieuwe stallen minimaal voldoen aan de voorwaarden uit de MDV. Die voorwaarden zien onder andere op ammoniakemissie, bedrijf en omgeving, brandveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn, energie en fijnstof. De Raad van State heeft geoordeeld dat het niet is toegestaan om de MDV voor te schrijven in het bestemmingsplan. De voorwaarden uit de MDV hebben namelijk ook betrekking op aspecten die niet ruimtelijk relevant zijn.

In de BZV zijn ook dergelijke eisen opgenomen, zoals diergezondheid/zoönosen, fosfaat-efficiency, brandveiligheid en energie. Maar volgens de Raad van State mag de BZV met dergelijke eisen wél worden voorgeschreven, omdat deze betrekking hebben op of nauw samenhangen met aspecten van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

De fysieke leefomgeving is dus breder dan de ruimtelijke ordening. Dat betekent dat als de Omgevingswet in werking treedt, gemeenten en provincies in hun omgevingsplannen (de huidige bestemmingsplannen, maar dan met als reikwijdte de fysieke leefomgeving) respectievelijk hun omgevingsverordeningen meer mogelijkheden hebben om eisen te stellen aan bijvoorbeeld de veehouderij.

Deze eisen mogen dus bijvoorbeeld ook zien op een zorgvuldige veehouderij, cumulatieve geurhinder, het voeren van een zorgvuldige dialoog en staldering. Dat de stalderingsregel is toegestaan, had de Raad van State overigens al eerder geoordeeld.

De provincie mocht in de eigen verordening echter geen regels stellen over fijnstof. De reden daarvoor is dat hierover al regels zijn opgenomen in de Wet milieubeheer en deze regels exclusief gelden. De Raad van State heeft de provinciale regels over fijnstof daarom onverbindend verklaard.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Wijziging Regeling ammoniak en veehouderij

Afgelopen periode lag een concept wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij ter inzage. Deze wijziging ziet op de bescherming van (de fabrikanten en leveranciers van) nieuwe huisvestingssystemen voor de veehouderij.

Achtergrond

Als een nieuw huisvestingssysteem wordt ontwikkeld, is het de bedoeling dat hieraan een ammoniakemissiefactor wordt toegekend. Deze emissiefactor wordt dan opgenomen in bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Zodra dat is gedaan, kunnen veehouders het huisvestingssysteem in hun veehouderij toepassen en daarbij uitgaan van de vastgestelde ammoniakemissiefactor.

Voordat voor een nieuw huisvestingssysteem een ammoniakemissiefactor in de Rav wordt opgenomen, moeten eerst metingen worden uitgevoerd. Die metingen moeten de emissiereducerende werking van het huisvestingssysteem aantonen. De initiatiefnemer (meestal een fabrikant) laat deze metingen voor zijn rekening en risico beoordelen.

Als de emissiereducerende werking voldoende is, dan wordt een definitieve ammoniakemissiefactor voor het huisvestingssysteem in de Rav opgenomen. Ook wordt dan een technische beschrijving van het huisvestingssysteem vastgesteld. Daarna kan iedere fabrikant aan de hand van deze beschrijving een soortgelijk huisvestingssysteem bouwen en zonder te meten op de markt brengen.

Dit kan ertoe leiden dat het voor fabrikanten moeilijk is om de gemaakte kosten voor het ontwikkelen en meten van een nieuw huisvestingssysteem terug te verdienen. Hierdoor kan de ontwikkeling van nieuwe huisvestingssystemen worden geremd. Daarnaast zijn er onzekerheden over de kwaliteit van huisvestingssystemen die op de markt worden gebracht zonder dat deze zijn bemeten. Dit heeft risico’s voor het milieu.

Daarom bestaat de wens dat iedere fabrikant een nieuw ontwikkeld huisvestingssysteem moet laten meten.

Wijziging

Om te waarborgen dat alle nieuwe huisvestingssystemen worden gemeten, wordt de Rav gewijzigd. Hiervoor heeft van 19 december 2019 tot 29 januari 2020 een concept ter inzage gelegen. Als deze wijziging in werking treedt, betekent dit het volgende.

De definitieve emissiefactor voor een nieuw huisvestingssysteem geldt alleen voor een huisvestingssysteem dat is geleverd door of namens degene die de metingen aan het systeem heeft laten beoordelen. Dat kan de fabrikant zijn of een licentiehouder die het systeem namens de fabrikant op de markt brengt.

Deze nieuwe regel geldt alleen voor:

  • huisvestingssystemen die na de inwerkingtreding van deze nieuwe regel worden opgenomen in bijlage 1 bij de Rav en
  • huisvestingssystemen die al in bijlage 1 bij de Rav waren opgenomen en waarbij eindnoot 28 of 19 is vermeld.

De nieuwe regel geldt dus niet voor huisvestingssystemen waarvoor al een definitieve emissiefactor in bijlage 1 bij de Rav was opgenomen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Het geurbeheersplan voor veehouderijen

Het geurbeheersplan voor veehouderijen is iets van de afgelopen jaren. Maar in de rechtspraak is het nog een nieuw onderwerp. Op 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant hier een eerste inhoudelijke uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RBOBR:2019:7440).

Het geurbeheersplan

Veehouderijen moeten voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Hiervoor zijn BBT-documenten vastgesteld. Deze zijn opgenomen in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht.

Als er sprake is van een veehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens of meer dan 750 plaatsen voor zeugen, dan moet ook aan Europese BBT-documenten worden getoetst. Die documenten worden ook wel BREF’s of BBT-conclusies genoemd.

Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie nieuwe BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen gepubliceerd. BBT 12 gaat over het geurbeheersplan en bepaalt het volgende.

BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. In BBT 26 zijn enkele standaarden voor het monitoren van geuremissies voorgeschreven.

Uitspraak rechtbank

In de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 30 december 2019 komt het geurbeheersplan ter sprake. De vraag is waar BBT 12 (het geurbeheersplan) wel of niet toe verplicht.

De rechtbank stelt allereerst vast dat BBT 12 en BBT 26 op de veehouderij van toepassing zijn. Er zijn namelijk meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens. Ook is sprake van een geval waar geurhinder kan worden verwacht, omdat de geldende geurnorm wordt overschreden. Daarom moest het bevoegd gezag deze BBT in acht nemen bij het verlenen van een nieuwe omgevingsvergunning voor de veehouderij.

Volgens de rechtbank verplicht BBT 12, in combinatie met BBT 26, niet tot periodieke geurmetingen van de feitelijke geurimmissies van een intensieve veehouderij. Want als de BBT (te) letterlijk zou worden gelezen, zou BBT 12 namelijk verplichten tot het volledig elimineren van elke geuremissie van een intensieve veehouderij. Dit is feitelijk onmogelijk en kan niet in redelijkheid van een veehouderij worden gevraagd.

Verder is van belang dat BBT 26 de mogelijkheid openlaat voor alternatieve vormen van monitoring. Monitoring kan dus ook anders dan door middel van geurmetingen (dynamische olfactometrie).

Volgens de rechtbank verplichten BBT 12 en BBT 26 een veehouderij in een overbelaste situatie wel om wat meer te doen. Het bevoegd gezag kan verlangen dat er periodieke geurrendementsmetingen worden uitgevoerd. Zo kan nog beter worden gecontroleerd of het stalsysteem de geur reduceert zoals het zou moeten doen. De rechtbank wijst er hierbij op dat zo’n metingen soms ook al in de stalbeschrijving worden genoemd en vervolgens kunnen worden opgelegd. Ook de Raad van State heeft een verplichting voor periodieke rendementsmetingen om die reden in het verleden geaccepteerd (ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1828).

Verder merkt de rechtbank op dat BBT 28 alle intensieve veehouderijen met luchtwassers verplicht tot elektronische monitoring van de luchtwassers in combinatie met een eenmalige geurrendementsmeting. Omdat het Activiteitenbesluit al verplicht tot elektronische monitoring, hoeft dit niet meer in een geurbeheersplan verplicht te worden gesteld.

Tot slot merkt de rechtbank op dat een geurbeheersplan niet ter inzage hoeft te worden gelegd met de omgevingsvergunning zelf. Het bevoegd gezag hoeft een geurbeheersplan ook niet goed te keuren. Het geurbeheersplan moet voldoen aan de parameters in BBT 12. Het bevoegd gezag kan toezien op de naleving van een vergunningvoorschrift dat hiertoe verplicht.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 34