Subsidiemodules brongerichte verduurzaming

De Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen staan vanaf 25 mei 2020 open voor deelname. Veehouders die willen investeren in nieuwe technieken die helpen om de uitstoot van vervuilende stoffen te verminderen, kunnen gebruik maken van deze subsidiemodules. De technieken moeten zorgen voor minder broeikasgassen, ammoniak, geur en fijnstof/endotoxinen. Dit is beter voor mens, dier en milieu.

Subsidiemodules

De Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) zijn om 19 mei 2020 bekend gemaakt in de Staatscourant (2020, 27006). Er zijn twee subsidiemodules: een innovatiemodule en een investeringsmodule.

De innovatiemodule is bedoeld voor het ontwikkelen, testen en vervolgens gaan gebruiken van een nieuwe techniek of managementmaatregel. De module staat voor de eerste keer van 25 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 17.00 uur open voor deelname.

De investeringsmodule is bedoeld voor het in gebruik nemen van de nieuwe techniek(en) bij veehouderijen. Deze zijn dan doorgemeten en staan op een lijst van bewezen technieken. De module opent naar verwachting begin juli 2020, en dan eerst voor de pluimveehouderij.

Beide modules worden tot en met 2024 twee keer per jaar opengesteld.

Innovatiemodule

De innovatie moet zorgen voor minder broeikasgassen (methaan), ammoniak, geur en fijnstof/endotoxine. Het gaat om een vermindering van deze emissies aan de bron. Enkele andere relevante informatie over de innovatiemodule staat in onderstaand overzicht.

De innovatie moet ten minste de volgende emissiereductiepercentages halen.

Verder gelden onder andere de volgende voorwaarden voor de innovatie.

  1. Het gaat om een innovatie in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting of om een innovatie in managementmaatregelen. Een combinatie hiervan is niet mogelijk.
  2. De innovatie voldoet aan de maximale emissiewaarde uit het Besluit emissiearme huisvesting.
  3. Het niveau van dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderij vermindert niet.
  4. De innovatie voldoet aan de van toepassing zijnde minimale emissiereductiepercentages (zie hiervoor).
  5. Als het gaat om een innovatie voor vleeskalveren, dan moet het vee minimaal 40% vast voer krijgen.
  6. Er moeten minimaal 29 punten (melkveehouderij) respectievelijk 14 punten (overige diersoorten) worden gehaald bij de beoordelingscriteria. De minister kent een hoger aantal punten toe naarmate:
    1. de innovatie waarschijnlijk meer reduceert dan de minimale emissiereductiepercentages;
    2. de innovatie meer gericht is op vernieuwingen die economisch meer perspectief bieden voor toepassing op een veehouderij;
    3. de innovatie meer bijdraagt aan dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderij;
    4. de innovatie vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek.

Binnen 13 weken nadat een subsidie is aangevraagd, moet de minister hierop een beslissing nemen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Versoepeling Brabantse natuureisen

De strenge Brabantse natuureisen worden naar verwachting versoepeld. Dat volgt uit het Bestuursakkoord 2020-2030 van het nieuwe College van Gedeputeerde Staten in Noord-Brabant dat op 15 mei 2020 is geïnstalleerd.

Brabantse natuureisen

In de provincie Noord-Brabant gelden strengere natuureisen dan in andere provincies. Op grond van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (voorheen: Verordening natuurbescherming) moeten Brabantse boeren hun bestaande stallen namelijk vervroegd aanpassen. Stallen mogen niet ouder zijn dan 20 jaar (in de rundveehouderij) respectievelijk 15 jaar (in de overige diersectoren). De stallen moeten allemaal voldoen aan de door Brabant vastgestelde ammoniakemissiereductie-eisen. Die zijn veel strenger dan de landelijke ammoniakemissiereductie-eisen in het Besluit emissiearme huisvesting. Ook mogen Brabantse boeren daarbij niet intern salderen. In plaats van dat op bedrijfsniveau aan de ammoniakemissiereductie-eisen moet worden voldaan (zoals in het Besluit emissiearme huisvesting), moet in Brabant op stalniveau aan die reductie-eisen worden voldaan.

Om ervoor te zorgen dat Brabantse boeren op tijd hun bestaande stallen hebben aangepast, moeten zij vóór 1 januari 2020 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu of een melding ingevolge het Activiteitenbesluit indienen. Vervolgens moeten de stallen uiterlijk 1 oktober 2022 daadwerkelijk zijn aangepast.

Nieuw bestuursakkoord

Maar in die eisen lijkt verandering te komen. Het nieuwe College van Gedeputeerde Staten heeft in het bestuursakkoord namelijk een versoepeling van de Brabantse natuureisen aangekondigd. Deze zijn samengevat als volgt.

  1. De ammoniakemissiereductie-eisen blijven staan, maar deze gaan op bedrijfsniveau gelden in plaats van op stalniveau. Dit betekent dat intern salderen weer mogelijk wordt.
  2. Bestaande stallen hoeven niet uiterlijk 1 oktober 2022 te zijn aangepast, maar uiterlijk 1 januari 2024.
  3. Boeren hoeven hiervoor niet vóór een bepaalde datum een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu of een melding ingevolge het Activiteitenbesluit in te dienen. Boeren moeten er zelf voor zorgen dat zij op tijd een vergunningaanvraag of melding indienen.

De versoepeling van de natuureisen geldt nog niet. Daarvoor moet eerst de Interim Omgevingsverordening worden aangepast.

Gelet op de nu nog geldende deadline van 1 januari 2021 voor het indienen van een vergunningaanvraag of melding, zou het goed zijn als de Interim Omgevingsverordening snel wordt aangepast. Tegelijkertijd wordt er nog een uitspraak van rechtbank Den Haag verwacht over de (on)rechtmatigheid van de Brabantse natuureisen.

In het bestuursakkoord zijn ook nog enkele andere punten in het stikstofdossier opgenomen, zoals de volgende.

  1. Er komt een Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof.
  2. Er worden met alle sectoren afspraken gemaakt over een vermindering van stikstofemissie en -depositie.
  3. Er wordt verkend of het mogelijk is om Brabantse Natura 2000-gebieden aan te passen.
  4. Er wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om voer- en managementmaatregelen mee te nemen in de emissieberekeningen.

Het nieuw College van Gedeputeerde Staten zet het stikstofbeleid dus door, maar zorgt met een versoepeling wel voor een meer realistische aanpak.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Veevoermaatregel voor de stikstofaanpak

In het kader van de stikstofaanpak wordt een veevoermaatregel getroffen. Hiervoor heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 6 mei 2020 een concept bekend gemaakt. Het gaat om een tijdelijke regeling voor krachtvoer voor melkvee.

Spoedwet aanpak stikstof

De minister heeft sinds 1 januari 2020 de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan de samenstelling van veevoer. Deze bevoegdheid is een onderdeel van de Spoedwet aanpak stikstof (in werking getreden op 1 januari 2020) en bedoeld om ook via het voerspoor de stikstofdepositie te laten dalen.

De stikstofruimte die hiermee wordt gecreëerd, gaat naar het stikstofregister. Het stikstofregister is bedoeld om de woningbouw en infrastructuur op gang te helpen. Dit volgt uit de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur die op 24 maart 2020 in werking is getreden.

Voorgestelde veevoermaatregel

De minister wil voor de periode van 1 september 2020 tot 1 januari 2021 een tijdelijke veevoermaatregel voor de melkveehouderij invoeren. Hiervoor worden maxima gesteld aan het ruw eiwitgehalte van krachtvoer in Nederland. Voor de jaren na 2020 wordt ingezet op veevoer-afspraken met de sector.

Voor de tijdelijke veevoermaatregel wordt de Regeling diervoeders 2012 aangepast. Hiervoor heeft de minister op 6 mei 2020 een concept bekend gemaakt.

Als referentiejaar voor de stikstofreductie heeft de minister het jaar 2018 gebruikt. In dat jaar was sprake van een laag ruw eiwitgehalte in het krachtvoer. Ten opzichte van dat toch al laag gehalte wordt het gehalte nog verder aangescherpt.

Ruw eiwitgehalten

Voor de verschillende grondsoorten en omvang van de melkproductie gelden de volgende ruw eiwitgehalten, welke zijn uitgedrukt in aantal gram per kilogram diervoeder.

Standaard Melkproductie 14.000-20.000 kg/ha Melkproductie >20.000 kg/ha
Zand- of lössgrond 191 192 193
Kleigrond 171 172 173
Veengrond 164 164 165

 

Een melkveehouder mag voor zijn melkvee alleen diervoeders voorhanden of in voorraad hebben en het melkvee alleen diervoeders laten gebruiken die voldoen aan de hiervoor genoemde ruw eiwitgehalten.

Als de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond uit meerdere grondsoorten bestaat, dan geldt het volgende.

  • als de landbouwgrond voor minimaal 50% bestaat uit een bepaalde grondsoort, geldt het ruw eiwitgehalte voor die grondsoort;
  • als de landbouwgrond niet voor minimaal 50% uit een bepaalde grondsoort bestaat, geldt het ruw eiwitgehalte naar rato van de oppervlakte van de verschillende grondsoorten.
Uitzonderingen

De ruw eiwitgehalten gelden alleen voor voormengsels, mengvoeders en voedermiddelen die een melkveehouder van een derde heeft ontvangen, en gelden niet voor:

  • tarwegistconcentraat, bierborstel, bietenloof, stro, gras (zongedroogd; hooi), gras (kunstmatig gedroogd), gras/peulvruchten/kruiden, luzerne, luzerne (zongedroogd), luzerne (kunstmatig gedroogd) en snijmais;
  • veldbonen;
  • voederbieten;
  • kunstmelkpoeder voor de kalveropfok.
Gezondheidsproblemen

Als een melkveehouder kan aantonen dat de ruw eiwitgehalten tot gezondheidsproblemen bij het melkvee leiden, dan gelden deze gehalten niet. Van gezondheidsproblemen is sprake als het rantsoen van het melkvee onder 155 gram ruw eiwit per kilogram diervoeder komt. In dat geval geldt een norm waarbij het totale rantsoen op 155 gram uitkomt.

Voor het berekenen van de ruw eiwitgehalten wordt gebruikt gemaakt van gemiddelden over de jaren 2018 en 2019 en de gewichtsverhouding die gemiddeld genomen over die jaren werd gerealiseerd tussen ruwvoer en krachtvoer. Hiervoor kunnen melkveehouders gebruik maken van de gegevens uit de Kringloopwijzer over de jaren 2018 en 2019.

Om gebruik te kunnen maken van deze uitzondering op de ruw eiwitgehalten, moet een melkveehouder binnen één week na inwerkingtreding van de regeling een melding doen bij de minister/NVWA. Omdat de regeling waarschijnlijk 1 september 2020 in werking treedt, moeten melkveehouders er rekening mee houden dat zij uiterlijk 7 september 2020 een melding moeten indienen. Daarbij moeten ook de relevante bewijsstukken worden overgelegd. Als een melkveehouder niet op tijd een melding doet, gelden de voorgeschreven ruw eiwitgehalten.

Documentatie

Melkveehouders moeten ervoor zorgen dat als zij diervoeders laten leveren, zij van de leverancier een document ontvangen waarin is vermeld:

  • de hoeveelheid ruw eiwit per kilogram diervoeder;
  • de diercategorie waarvoor de diervoeders zijn bestemd.

Melkveehouders moeten het document ten minste zes maanden bewaren.

Handhaving

Als de ruw eiwitgehalten in werking treden, maar een melkveehouder hier niet aan voldoet, is dat een overtreding. Hier kan op twee manieren handhavend tegen worden opgetreden, namelijk door de minister (‘bestuursrecht’) en door het openbaar ministerie (‘strafrecht’). De minister kan een zogeheten bestuurlijke boete opleggen van € 2.500. Het openbaar ministerie kan een hechtenis van maximaal 6 maanden, een taakstraf of een geldboete van maximaal € 21.750 eisen.

Einddatum

De minister heeft aangegeven dat de regeling is bedoeld als een tijdelijke regeling, geldend tot 1 januari 2021. Dit is ook opgenomen in de door de minister voorgestelde regeling.

Slot

De ruw eiwitgehalten gelden pas als de Regeling diervoeders 2012 daarvoor is aangepast en die aanpassing in werking is getreden. De minister gaat ervan uit dat de aanpassing op 1 september 2020 in werking treedt.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Nieuw deelrapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III

In het kader van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) III is op 24 april 2020 het nieuw deelrapport ‘Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht’ bekend gemaakt. De minister voor Medische Zorg en Sport en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben hierover op 24 april 2020 een Kamerbrief gestuurd.

Het nieuw deelrapport

Het deelonderzoek is een herhaling van het onderzoek gebaseerd op een epidemiologische analyse van huisartsengegevens in een ander gebied, namelijk delen van de provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht. Daar is sprake van een hoge veehouderijdichtheid, maar van een lagere achtergrondconcentratie fijnstof dan in het VGO-onderzoeksgebied in delen van de provincies Noord-Brabant en Limburg.

Uit het deelonderzoek blijkt dat er in plattelandsgemeenten met veel intensieve veehouderij meer longontstekingen voorkomen. Een van de mogelijke oorzaken hiervoor is de nabijheid van veehouderijen.

Verder blijkt uit het deelonderzoek dat eenzelfde associatie is gevonden tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het optreden van longontsteking, als in eerder VGO onderzoek. De oorzaak voor deze associatie is echter niet bekend. Andere deelonderzoeken binnen het onderzoeksprogramma VGO III zullen hier meer inzicht in moeten geven. Volgens de onderzoekers is het redelijk te veronderstellen dat de gevonden associatie is te vertalen naar alle Nederlandse provincies met geitenhouderijen.

De eerder in Noord-Brabant en Limburg gevonden associatie tussen pluimveehouderijen en longontsteking wordt in het nieuw deelonderzoek niet gezien.

De Kamerbrief

In de Kamerbrief geven de ministers aan dat het gelet op het nieuw deelrapport van belang blijft om inzicht te verkrijgen in de oorzaak van de verhoogde ziektedruk rond geitenhouderijen. Ook geven de ministers aan het door provincies ingezette beleid – om op basis van het voorzorgsbeginsel een moratorium in te stellen om uitbreiding en/of nieuwvestiging van geitenhouderijen (tijdelijk) tegen te gaan – te ondersteunen.

Vanwege het coronavirus loopt het VGO III onderzoek vertraging op. In plaats van eind 2021 wordt het totale VGO III onderzoek nu naar verwachting medio 2022 afgerond.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Geur niet toetsen aan toekomstige normen

De geur bij een veehouderij moet je niet toetsen aan toekomstige normen. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1069. Met deze uitspraak zet de Raad van State een streep door een eerdere uitspraak hierover van rechtbank Oost-Brabant.

Verhoogde geuremissiefactoren

De uitspraak gaat over de verhoogde geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers die op 20 juli 2018 in werking zijn getreden. Daartoe is destijds de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) gewijzigd. Omdat in de wijziging van de Rgv geen overgangsrecht is opgenomen, moesten beslissingen op vergunningaanvragen die op of na 20 juli 2018 werden genomen, aan de nieuwe geuremissiefactoren worden getoetst. In beslissingen van vóór 20 juli 2018 hoefde dat niet.

Maar daar dachten rechtbank Gelderland en rechtbank Oost-Brabant anders over. Beide rechtbanken oordeelden namelijk dat het bevoegd gezag in de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu moest toetsen aan de nieuwe geuremissiefactoren, terwijl die op het moment van het nemen van de beslissing nog niet in werking waren getreden. Dus ondanks dat de beslissing vóór 20 juli 2018 werd genomen, moest het bevoegd gezag volgens beide rechtbanken rekening houden met de toekomstige geuremissiefactoren.

Uitspraak Raad van State

De Raad van State heeft daar echter een streep door gezet. In de uitspraak van 15 april 2020 heeft de Raad van State namelijk geoordeeld dat het bevoegd gezag in de beslissingen van vóór 20 juli 2018 niet mocht toetsen aan de nieuwe geuremissiefactoren. De reden daarvoor is feitelijk simpelweg dat de nieuwe geuremissiefactoren op dat moment nog niet in werking waren getreden en in de beslissing moet worden getoetst aan de geuremissiefactoren die op dat moment gelden.

Hiervoor is van belang dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van geurhinder vanwege de dierenverblijven binnen een veehouderij. De Wgv bepaalt onder andere dat de geurbelasting (bij bepaalde diersoorten) moet worden berekend aan de hand van de geuremissiefactoren zoals die in bijlage 1 bij de Rgv zijn opgenomen. Het gaat dan om de geuremissiefactoren zoals die gelden op het moment van het nemen van een beslissing op de vergunningaanvraag. De Wgv geeft geen ruimte om andere geuremissiefactoren toe te passen. De Raad van State heeft dit ook al geoordeeld in een uitspraak van 13 december 2017.

Omdat de verhoogde geuremissiefactoren pas op 20 juli 2018 in werking zijn getreden, moest het bevoegd gezag vóór die datum dus toetsen aan de oude geuremissiefactoren. De rechtbank heeft dat ten onrechte miskend.

Ook heeft de rechtbank ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Raad van State van 28 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3885). Die uitspraak gaat namelijk, zoals ik ook in mijn eerdere legal updates heb toegelicht, over een niet vergelijkbare situatie.

De Raad van State heeft met deze uitspraak dus (nogmaals) duidelijk gemaakt dat in een beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij moet worden getoetst aan de geuremissiefactoren die op dat moment gelden. Dat er op korte termijn mogelijk nieuwe geuremissiefactoren in werking treden, doet daar niets aan af.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

 

1 2 3 35