Geen geurbeheersplan bij voldoen aan Wgv

 

Als een varkenshouderij of pluimveehouderij aan de Wet geurhinder en veehouderij voldoet, dan is geen geurbeheersplan vereist. Dit oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 22 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1741).

Het geurbeheersplan

Veehouderijen moeten voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Hiervoor zijn BBT-documenten vastgesteld. Deze zijn opgenomen in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht.

Als er sprake is van een veehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens of meer dan 750 plaatsen voor zeugen, dan moet ook aan Europese BBT-documenten worden getoetst. Die documenten worden ook wel BREF’s of BBT-conclusies genoemd.

Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie nieuwe BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen gepubliceerd. BBT 12 gaat over het geurbeheersplan en bepaalt het volgende.

Om geuremissies van een boerderij te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1), een geurbeheersplan opzetten, uitvoeren en regelmatig evalueren met daarin de volgende elementen: (…).

BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. In BBT 26 zijn enkele standaarden voor het monitoren van geuremissies voorgeschreven.

In een uitspraak van 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant een eerste uitspraak gedaan over de vraag waar een geurbeheersplan al dan niet toe verplicht. Maar wanneer is een geurbeheersplan nou precies verplicht?

Uitspraak Raad van State

Op 22 juli 2020 heeft de Raad van State een eerste uitspraak gedaan over de vraag wanneer een geurbeheersplan precies verplicht is. Op grond van BBT 12 is dat alleen het geval als geurhinder bij een geurgevoelig object wordt verwacht of is onderbouwd. Naar het oordeel van de Raad van State is daar geen sprake van als een veehouderij aan de Wet geurhinder en veehouderij voldoet. Dit blijkt uit de volgende overweging van de Raad van State:

Aangezien in de aangevraagde situatie wordt voldaan aan de Wgv en die wet het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van geurhinder vanwege de stallen van de inrichting, kon het college de gevraagde vergunning niet weigeren vanwege de geuremissies vanuit de stallen van de inrichting en kon het college geen lagere geurbelasting eisen door het voorschrijven van een geurbeheersplan. Daardoor zou feitelijk de Wgv buiten toepassing worden gelaten. Dit betekent dat als wordt voldaan aan de Wgv, ervan moet worden uitgegaan dat er geen geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd, zodat BBT 12, het opzetten van een geurbeheersplan, niet toepasbaar is. Het college heeft dan ook terecht geen geurbeheersplan, gericht op het voorkomen en verminderen van geuremissies vanuit de stallen van de inrichting, voorgeschreven.”

Dit geldt óók bij toepassing van de 50% regeling voor geur, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij.

Het geurbeheersplan komt daarmee dus op losse schroeven te staan.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Brabants stikstofbeleid op individueel niveau bekijken

In juli 2017 heeft de provincie Noord-Brabant het stikstofbeleid ten aanzien van de veehouderij flink aangescherpt. De provincie eist sindsdien dat bestaande stallen vervroegd moeten worden aangepast, aan strengere ammoniakemissiereductie-eisen moeten voldoen en op huisvestingsniveau (in plaats van op bedrijfsniveau) aan die eisen moeten voldoen. Op 15 juli 2020 heeft rechtbank Den Haag hierover een uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2020:6377 en 6375).

Het Brabants stikstofbeleid

Op grond van het oude Brabants stikstofbeleid moesten veehouderijen de bestaande stallen binnen hun bedrijf uiterlijk 1 januari 2028 aanpassen aan de Brabantse ammoniakemissiereductie-eisen. Die eisen zijn strenger dan de landelijke ammoniakemissiereductie-eisen in het Besluit emissiearme huisvesting.

In juli 2017 heeft provincie Noord-Brabant echter besloten dat bestaande stallen vervroegd moeten worden aangepast. Ook heeft de provincie besloten dat ieder huisvestingssysteem afzonderlijk aan de Brabantse ammoniakemissiereductie-eisen moet voldoen en dat het niet meer is toegestaan om op bedrijfsniveau intern te salderen tussen verschillende huisvestingssystemen.

Dit heeft de provincie destijds vastgelegd in artikel 1.4 van de (op dat moment geldende) Verordening natuurbescherming.

  • Veehouderijen die op 8 juli 2017 nog niet aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden, moesten uiterlijk op 1 januari 2020 aan het Besluit emissiearme huisvesting én aan de Verordening natuurbescherming voldoen.
  • Veehouderijen die op 8 juli 2017 wel aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden, mochten vanaf 1 januari 2020 geen huisvestingssystemen meer toepassen (1) die zijn gerealiseerd op basis van een milieutoestemming die ouder is dan 20 jaar (rundvee) respectievelijk 15 jaar (overige diersoorten) en (2) die niet voldoen aan de Brabantse ammoniakemissiereductie-eisen. In plaats van 1 januari 2020 gold als datum 1 januari 2022 als een veehouderij vóór 1 januari 2020 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu of een melding ingevolge het Activiteitenbesluit had ingediend voor het aanpassen van de bestaande stallen.
  • Het was voortaan verplicht om op het niveau van het huisvestingssysteem aan de Brabantse ammoniakemissiereductie-eisen te voldoen. Intern salderen was in Brabant niet langer toegestaan.

De datum waarop bestaande stallen daadwerkelijk moeten zijn aangepast (de realisatiedatum) en de datum waarop een vergunningaanvraag of melding moet zijn ingediend (de indieningsdatum) zijn in de tussentijd meerdere keren aangepast. Ook op dit moment ligt er weer een voorstel voor een aanpassing ter inzage. De eisen zijn bovendien inmiddels overgegaan van de Verordening natuurbescherming naar de Interim Omgevingsverordening.

Op grond van de nu geldende verordening geldt als indieningsdatum 1 januari 2021 en als realisatiedatum 1 oktober 2022 (mits aan de indieningsdatum wordt voldaan).

Juridische procedures

De Producenten Organisatie Varkenshouderij en ZLTO zijn tegen het strenge Brabantse stikstofbeleid, gezamenlijk met verschillende individuele veehouders, een juridische procedure gestart. De rechtbank had in een uitspraak van 19 december 2018 al bepaald dat de partijen hierover bij de civiele rechter mochten procederen (ECLI:NL:RBDHA:2018:15099).

In de juridische procedure stond met name de vraag centraal of het strenge Brabantse stikstofbeleid juridisch stand kan houden en of dit beleid geen ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van veehouders. Het eigendomsrecht is vastgelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 EP).

Algemene toets

Als een overheid een inbreuk maakt op het eigendomsrecht, is dat alleen toegestaan als die inbreuk gerechtvaardigd is. Daarvoor moet de inbreuk bij wet zijn voorzien, een algemeen belang dienen en proportioneel/evenredig zijn. De rechtbank heeft in de uitspraak vastgesteld dat het Brabants stikstofbeleid bij wet is voorzien en een algemeen belang (het milieu/de natuur) dient.

Vervolgens heeft de rechtbank getoetst of het Brabants stikstofbeleid proportioneel is. Dat wordt eerst getoetst op algemeen niveau, dus voor iedereen die door het stikstofbeleid wordt geraakt.

Volgens de rechtbank is het Brabants stikstofbeleid in algemene zin proportioneel. De reden daarvoor is dat veel Natura 2000-gebieden zijn overbelast met stikstof en dat de veehouderij daaraan een noemenswaardige bijdrage levert. De provincie mocht daarom vanwege het voorzorgsbeginsel extra maatregelen treffen.

Daarbij acht de rechtbank verder van belang dat veehouders in het algemeen genoeg tijd hebben gekregen om aan de aangescherpte eisen te voldoen. Ook acht de rechtbank van belang dat de investeringen kunnen worden gevraagd, omdat deze zouden aansluiten bij economische afschrijvingstermijnen en omdat veehouders een beroep kunnen doen op ondersteunende maatregelen.

Ook acht de rechtbank hierbij van belang dat er voor veehouders een mogelijkheid bestaat om af te wijken van het Brabants stikstofbeleid. In het stikstofbeleid is namelijk een hardheidsclausule (een ‘uitzonderingsmogelijkheid’) opgenomen. Volgens de rechtbank legt de provincie die hardheidsclausule echter veel te beperkt uit.

De rechtbank benadrukt dat de hardheidsclausule de mogelijkheid biedt om het Brabants stikstofbeleid buiten toepassing te laten of hiervan af te wijken voor veehouders die onevenredig door de regels worden getroffen en voor wie geen andere mogelijkheid van compensatie of tegemoetkoming bestaat.

Mede omdat deze hardheidsclausule bestaat, is het Brabants stikstofbeleid op algemeen niveau proportioneel/evenredig. Maar de rechtbank merkt daarbij wel het volgende op:

“Dat laat onverlet dat dit oordeel anders kan uitvallen indien op enig moment zou komen vast te staan dat de uitleg van de Provincie van de hardheidsclausule, dan wel de wijze waarop de Provincie invulling geeft aan de hardheidsclausule, het beroep op de hardheidsclausule van deze specifieke groep varkenshouders feitelijk kansloos maakt.”

Kortom: als de provincie de hardheidsclausule blijft toepassen zoals de provincie tijdens de zitting heeft toegelicht, dan zou het Brabants stikstofbeleid alsnog op algemeen niveau disproportioneel/onevenredig kunnen worden. Maar voor nu is die vraag volgens de rechtbank niet aan de orde en acht de rechtbank het Brabants stikstofbeleid op algemeen niveau proportioneel/evenredig.

Individuele toets

De rechtbank maakt daarbij echter een belangrijke kanttekening. De provincie heeft namelijk gekozen voor een generieke aanpak met eisen die gelden voor alle Brabantse veehouders. Zo gelden de eisen ook voor veehouders met stallen op grote afstand van Natura 2000-gebieden. Ook deze veehouders moeten grote investeringen treffen om aan de aangescherpte eisen te voldoen. Maar door de afstand leveren die investeringen mogelijk geen of maar een beperkte milieuwinst op Natura 2000-gebieden op. Als die veehouders geen beroep kunnen doen op compensatie en in hun situatie geen mogelijkheid bestaat om van de regels af te wijken, kan het Brabants stikstofbeleid voor hen onevenredig zijn. In dat geval kan het Brabants stikstofbeleid een individuele disproportionele last opleveren. Dat zou betekenen dat het Brabants stikstofbeleid een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendom van die individuele veehouders.

Vervolg

Of er in de situatie van de individuele veehouders sprake is van een individuele disproportionele last, heeft de rechtbank nog niet beoordeeld. De rechtbank wil van partijen namelijk eerst weten of zij nog een belang hebben bij een oordeel hierover. De reden hiervoor is dat in het coalitieakkoord van de nieuwe Brabantse coalitie weer een verlenging van de realisatietermijn is voorgesteld en is voorgesteld om intern salderen weer mogelijk te maken.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Subsidiemodules brongerichte verduurzaming

De Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen staan vanaf 25 mei 2020 open voor deelname. Veehouders die willen investeren in nieuwe technieken die helpen om de uitstoot van vervuilende stoffen te verminderen, kunnen gebruik maken van deze subsidiemodules. De technieken moeten zorgen voor minder broeikasgassen, ammoniak, geur en fijnstof/endotoxinen. Dit is beter voor mens, dier en milieu.

Subsidiemodules

De Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) zijn om 19 mei 2020 bekend gemaakt in de Staatscourant (2020, 27006). Er zijn twee subsidiemodules: een innovatiemodule en een investeringsmodule.

De innovatiemodule is bedoeld voor het ontwikkelen, testen en vervolgens gaan gebruiken van een nieuwe techniek of managementmaatregel. De module staat voor de eerste keer van 25 mei 2020 tot en met 15 juli 2020 17.00 uur open voor deelname.

De investeringsmodule is bedoeld voor het in gebruik nemen van de nieuwe techniek(en) bij veehouderijen. Deze zijn dan doorgemeten en staan op een lijst van bewezen technieken. De module opent naar verwachting begin juli 2020, en dan eerst voor de pluimveehouderij.

Beide modules worden tot en met 2024 twee keer per jaar opengesteld.

Innovatiemodule

De innovatie moet zorgen voor minder broeikasgassen (methaan), ammoniak, geur en fijnstof/endotoxine. Het gaat om een vermindering van deze emissies aan de bron. Enkele andere relevante informatie over de innovatiemodule staat in onderstaand overzicht.

De innovatie moet ten minste de volgende emissiereductiepercentages halen.

Verder gelden onder andere de volgende voorwaarden voor de innovatie.

  1. Het gaat om een innovatie in technieken, installaties, apparatuur, machines en uitrusting of om een innovatie in managementmaatregelen. Een combinatie hiervan is niet mogelijk.
  2. De innovatie voldoet aan de maximale emissiewaarde uit het Besluit emissiearme huisvesting.
  3. Het niveau van dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderij vermindert niet.
  4. De innovatie voldoet aan de van toepassing zijnde minimale emissiereductiepercentages (zie hiervoor).
  5. Als het gaat om een innovatie voor vleeskalveren, dan moet het vee minimaal 40% vast voer krijgen.
  6. Er moeten minimaal 29 punten (melkveehouderij) respectievelijk 14 punten (overige diersoorten) worden gehaald bij de beoordelingscriteria. De minister kent een hoger aantal punten toe naarmate:
    1. de innovatie waarschijnlijk meer reduceert dan de minimale emissiereductiepercentages;
    2. de innovatie meer gericht is op vernieuwingen die economisch meer perspectief bieden voor toepassing op een veehouderij;
    3. de innovatie meer bijdraagt aan dierenwelzijn en brandveiligheid op een veehouderij;
    4. de innovatie vernieuwender is ten opzichte van de internationale stand van onderzoek of techniek.

Binnen 13 weken nadat een subsidie is aangevraagd, moet de minister hierop een beslissing nemen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Versoepeling Brabantse natuureisen

De strenge Brabantse natuureisen worden naar verwachting versoepeld. Dat volgt uit het Bestuursakkoord 2020-2030 van het nieuwe College van Gedeputeerde Staten in Noord-Brabant dat op 15 mei 2020 is geïnstalleerd.

Brabantse natuureisen

In de provincie Noord-Brabant gelden strengere natuureisen dan in andere provincies. Op grond van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (voorheen: Verordening natuurbescherming) moeten Brabantse boeren hun bestaande stallen namelijk vervroegd aanpassen. Stallen mogen niet ouder zijn dan 20 jaar (in de rundveehouderij) respectievelijk 15 jaar (in de overige diersectoren). De stallen moeten allemaal voldoen aan de door Brabant vastgestelde ammoniakemissiereductie-eisen. Die zijn veel strenger dan de landelijke ammoniakemissiereductie-eisen in het Besluit emissiearme huisvesting. Ook mogen Brabantse boeren daarbij niet intern salderen. In plaats van dat op bedrijfsniveau aan de ammoniakemissiereductie-eisen moet worden voldaan (zoals in het Besluit emissiearme huisvesting), moet in Brabant op stalniveau aan die reductie-eisen worden voldaan.

Om ervoor te zorgen dat Brabantse boeren op tijd hun bestaande stallen hebben aangepast, moeten zij vóór 1 januari 2020 een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu of een melding ingevolge het Activiteitenbesluit indienen. Vervolgens moeten de stallen uiterlijk 1 oktober 2022 daadwerkelijk zijn aangepast.

Nieuw bestuursakkoord

Maar in die eisen lijkt verandering te komen. Het nieuwe College van Gedeputeerde Staten heeft in het bestuursakkoord namelijk een versoepeling van de Brabantse natuureisen aangekondigd. Deze zijn samengevat als volgt.

  1. De ammoniakemissiereductie-eisen blijven staan, maar deze gaan op bedrijfsniveau gelden in plaats van op stalniveau. Dit betekent dat intern salderen weer mogelijk wordt.
  2. Bestaande stallen hoeven niet uiterlijk 1 oktober 2022 te zijn aangepast, maar uiterlijk 1 januari 2024.
  3. Boeren hoeven hiervoor niet vóór een bepaalde datum een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu of een melding ingevolge het Activiteitenbesluit in te dienen. Boeren moeten er zelf voor zorgen dat zij op tijd een vergunningaanvraag of melding indienen.

De versoepeling van de natuureisen geldt nog niet. Daarvoor moet eerst de Interim Omgevingsverordening worden aangepast.

Gelet op de nu nog geldende deadline van 1 januari 2021 voor het indienen van een vergunningaanvraag of melding, zou het goed zijn als de Interim Omgevingsverordening snel wordt aangepast. Tegelijkertijd wordt er nog een uitspraak van rechtbank Den Haag verwacht over de (on)rechtmatigheid van de Brabantse natuureisen.

In het bestuursakkoord zijn ook nog enkele andere punten in het stikstofdossier opgenomen, zoals de volgende.

  1. Er komt een Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof.
  2. Er worden met alle sectoren afspraken gemaakt over een vermindering van stikstofemissie en -depositie.
  3. Er wordt verkend of het mogelijk is om Brabantse Natura 2000-gebieden aan te passen.
  4. Er wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om voer- en managementmaatregelen mee te nemen in de emissieberekeningen.

Het nieuw College van Gedeputeerde Staten zet het stikstofbeleid dus door, maar zorgt met een versoepeling wel voor een meer realistische aanpak.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Veevoermaatregel voor de stikstofaanpak

In het kader van de stikstofaanpak wordt een veevoermaatregel getroffen. Hiervoor heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 6 mei 2020 een concept bekend gemaakt. Het gaat om een tijdelijke regeling voor krachtvoer voor melkvee.

Spoedwet aanpak stikstof

De minister heeft sinds 1 januari 2020 de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan de samenstelling van veevoer. Deze bevoegdheid is een onderdeel van de Spoedwet aanpak stikstof (in werking getreden op 1 januari 2020) en bedoeld om ook via het voerspoor de stikstofdepositie te laten dalen.

De stikstofruimte die hiermee wordt gecreëerd, gaat naar het stikstofregister. Het stikstofregister is bedoeld om de woningbouw en infrastructuur op gang te helpen. Dit volgt uit de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur die op 24 maart 2020 in werking is getreden.

Voorgestelde veevoermaatregel

De minister wil voor de periode van 1 september 2020 tot 1 januari 2021 een tijdelijke veevoermaatregel voor de melkveehouderij invoeren. Hiervoor worden maxima gesteld aan het ruw eiwitgehalte van krachtvoer in Nederland. Voor de jaren na 2020 wordt ingezet op veevoer-afspraken met de sector.

Voor de tijdelijke veevoermaatregel wordt de Regeling diervoeders 2012 aangepast. Hiervoor heeft de minister op 6 mei 2020 een concept bekend gemaakt.

Als referentiejaar voor de stikstofreductie heeft de minister het jaar 2018 gebruikt. In dat jaar was sprake van een laag ruw eiwitgehalte in het krachtvoer. Ten opzichte van dat toch al laag gehalte wordt het gehalte nog verder aangescherpt.

Ruw eiwitgehalten

Voor de verschillende grondsoorten en omvang van de melkproductie gelden de volgende ruw eiwitgehalten, welke zijn uitgedrukt in aantal gram per kilogram diervoeder.

Standaard Melkproductie 14.000-20.000 kg/ha Melkproductie >20.000 kg/ha
Zand- of lössgrond 191 192 193
Kleigrond 171 172 173
Veengrond 164 164 165

 

Een melkveehouder mag voor zijn melkvee alleen diervoeders voorhanden of in voorraad hebben en het melkvee alleen diervoeders laten gebruiken die voldoen aan de hiervoor genoemde ruw eiwitgehalten.

Als de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond uit meerdere grondsoorten bestaat, dan geldt het volgende.

  • als de landbouwgrond voor minimaal 50% bestaat uit een bepaalde grondsoort, geldt het ruw eiwitgehalte voor die grondsoort;
  • als de landbouwgrond niet voor minimaal 50% uit een bepaalde grondsoort bestaat, geldt het ruw eiwitgehalte naar rato van de oppervlakte van de verschillende grondsoorten.
Uitzonderingen

De ruw eiwitgehalten gelden alleen voor voormengsels, mengvoeders en voedermiddelen die een melkveehouder van een derde heeft ontvangen, en gelden niet voor:

  • tarwegistconcentraat, bierborstel, bietenloof, stro, gras (zongedroogd; hooi), gras (kunstmatig gedroogd), gras/peulvruchten/kruiden, luzerne, luzerne (zongedroogd), luzerne (kunstmatig gedroogd) en snijmais;
  • veldbonen;
  • voederbieten;
  • kunstmelkpoeder voor de kalveropfok.
Gezondheidsproblemen

Als een melkveehouder kan aantonen dat de ruw eiwitgehalten tot gezondheidsproblemen bij het melkvee leiden, dan gelden deze gehalten niet. Van gezondheidsproblemen is sprake als het rantsoen van het melkvee onder 155 gram ruw eiwit per kilogram diervoeder komt. In dat geval geldt een norm waarbij het totale rantsoen op 155 gram uitkomt.

Voor het berekenen van de ruw eiwitgehalten wordt gebruikt gemaakt van gemiddelden over de jaren 2018 en 2019 en de gewichtsverhouding die gemiddeld genomen over die jaren werd gerealiseerd tussen ruwvoer en krachtvoer. Hiervoor kunnen melkveehouders gebruik maken van de gegevens uit de Kringloopwijzer over de jaren 2018 en 2019.

Om gebruik te kunnen maken van deze uitzondering op de ruw eiwitgehalten, moet een melkveehouder binnen één week na inwerkingtreding van de regeling een melding doen bij de minister/NVWA. Omdat de regeling waarschijnlijk 1 september 2020 in werking treedt, moeten melkveehouders er rekening mee houden dat zij uiterlijk 7 september 2020 een melding moeten indienen. Daarbij moeten ook de relevante bewijsstukken worden overgelegd. Als een melkveehouder niet op tijd een melding doet, gelden de voorgeschreven ruw eiwitgehalten.

Documentatie

Melkveehouders moeten ervoor zorgen dat als zij diervoeders laten leveren, zij van de leverancier een document ontvangen waarin is vermeld:

  • de hoeveelheid ruw eiwit per kilogram diervoeder;
  • de diercategorie waarvoor de diervoeders zijn bestemd.

Melkveehouders moeten het document ten minste zes maanden bewaren.

Handhaving

Als de ruw eiwitgehalten in werking treden, maar een melkveehouder hier niet aan voldoet, is dat een overtreding. Hier kan op twee manieren handhavend tegen worden opgetreden, namelijk door de minister (‘bestuursrecht’) en door het openbaar ministerie (‘strafrecht’). De minister kan een zogeheten bestuurlijke boete opleggen van € 2.500. Het openbaar ministerie kan een hechtenis van maximaal 6 maanden, een taakstraf of een geldboete van maximaal € 21.750 eisen.

Einddatum

De minister heeft aangegeven dat de regeling is bedoeld als een tijdelijke regeling, geldend tot 1 januari 2021. Dit is ook opgenomen in de door de minister voorgestelde regeling.

Slot

De ruw eiwitgehalten gelden pas als de Regeling diervoeders 2012 daarvoor is aangepast en die aanpassing in werking is getreden. De minister gaat ervan uit dat de aanpassing op 1 september 2020 in werking treedt.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 36