Rechtbank verlaat ex nunc toetsing t.a.v. geuremissiefactoren combiwassers

Na rechtbank Gelderland heeft ook rechtbank Oost-Brabant een opmerkelijke uitspraak gedaan over de verhoogde geuremissiefactoren voor combiwassers, zoals deze vanaf 20 juli 2018 zijn opgenomen in de gewijzigde Regeling geurhinder en veehouderij. Het gaat om een uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1343). Beide rechtbanken verlaten met hun uitspraak feitelijk de ex nunc toetsing zoals die geldt bij het nemen van besluiten.

Wat was er aan de hand in de uitspraken?

Een vleeskalverhouder heeft voor zijn bedrijf een omgevingsvergunning milieu aangevraagd om 3.534 vleeskalveren te mogen houden. Op 16 december 2017 is een ontwerpvergunning ter inzage gelegd.

In maart 2018 verscheen het rapport ‘Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen’ van WUR. In dit rapport komt WUR tot de conclusie dat combiwassers een geurreductiepercentage hebben dat vergelijkbaar is met het geurreductiepercentage van enkelvoudige luchtwassers.

Dit leidde in mei 2018 tot een voorstel voor het verhogen van de geuremissiefactoren voor combiwassers (en één biologische wasser) in de bijlage bij de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De wijziging van de Rgv met daarin de verhoogde geuremissiefactoren is op 20 juli 2018 in werking getreden (Rgv 2018).

Vanwege deze ontwikkelingen heeft de gemeente de vergunning niet voor de aangevraagde 3.534 vleeskalveren willen verlenen. Dan zou namelijk met de nieuwe – op dat moment nog te verhogen – geuremissiefactoren niet aan de geldende geurnorm worden voldaan. De gemeente heeft de vergunning bij besluit van 10 juli 2018 daarom slechts voor 2.945 (in plaats van 3.534) vleeskalveren verleend en dus voor 589 vleeskalveren geweigerd.

Tegen dit besluit heeft de vleeskalverhouder beroep ingediend.

Juridisch kader

In een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij moet onder andere worden getoetst of de veehouderij voldoet aan de geldende geurnormen. De geurbelasting moet worden beoordeeld aan de hand van de geuremissiefactoren zoals die zijn opgenomen in de bijlage bij de Rgv.

Op 20 juli 2018 is de Rgv 2018 in werking getreden. In de Rgv 2018 zijn de geuremissiefactoren voor combiwassers verhoogd. Dit heeft geen gevolgen voor bestaande situaties.

Als een veehouderij wil wijzigen en/of uitbreiden, dan moet echter de gehele veehouderij worden getoetst aan de nieuwe emissiefactoren. Dus ook het bestaande deel van het bedrijf krijgt dan te maken met de hogere emissiefactoren. Dit leidt (op papier) tot een hogere geurbelasting.

In de Rgv 2018 is geen overgangsrecht opgenomen. Dit betekent dat in beslissingen op vergunningaanvragen die op of na 20 juli 2018 worden genomen, aan de nieuwe geuremissiefactoren moet worden getoetst.

Oordeel van de rechter

Omdat de gemeente vóór 20 juli 2018 een beslissing op de vergunningaanvraag heeft genomen, zou de gemeente eigenlijk moeten toetsen aan de oude geuremissiefactoren. Op dat moment gold de Rgv 2018 namelijk nog niet en kon daaraan dus ook niet worden getoetst.

De gemeente is echter wél van de nieuwe geuremissiefactoren uitgegaan en daarmee vooruitgelopen op de Rgv 2018. Hiervoor heeft de gemeente het voorzorgsbeginsel toegepast.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente dit mogen doen, ondanks dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) voor het aspect geurhinder het exclusieve toetsingskader biedt en het de gemeente in beginsel niet vrijstaat om van dit toetsingskader af te wijken. Daarbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Raad van State van 23 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1607).

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu moet ook het aspect volksgezondheid worden meegewogen. Ook geurhinder kan een volksgezondheidsrisico met zich meebrengen. Maar juist om dit risico te beperken is het wettelijk toetsingskader van de Wgv vastgesteld, en wel op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Als een partij – in dit geval: de gemeente – van mening is dat het geldende toetsingskader ontoereikend is om onaanvaardbare volksgezondheidsrisico’s te voorkomen, moet die partij dit aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk maken.

In dit licht bezien kon de gemeente bij het nemen van een beslissing op de vergunningaanvraag naar het oordeel van de rechtbank de ogen niet sluiten voor de discussie over de juistheid van de geuremissiefactoren voor combiwassers. De gemeente mocht daarom aannemen dat het wettelijk toetsingskader van de Wgv in deze zaak niet toereikend is om onaanvaardbare risico’s te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente dus vooruit mogen lopen op de Rgv 2018 en mogen toetsen aan de nieuwe geuremissiefactoren.

De rechtbank verwijst daarvoor, net als rechtbank Gelderland in de uitspraak van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:639), naar een uitspraak van de Raad van State van 28 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3885). Deze uitspraak gaat echter over het toepassen van een luchtwasser in een mestverwerkingsinstallatie en is alleen al om die reden niet vergelijkbaar.

Bovendien heeft de Raad van State in een uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2395) al duidelijk geoordeeld dat de nieuwe geuremissiefactoren géén invloed hebben op omgevingsvergunningen die al zijn verleend. Een beslissing moet namelijk worden beoordeeld aan de hand van de regelgeving zoals die gold op het tijdstip van het nemen van die beslissing. De rechtbank is daar naar mijn mening dan ook ten onrechte aan voorbij gegaan en laat hiermee feitelijk de ex nunc toetsing ten tijde van het nemen van beslissingen los.

mw. mr. Franca Damen

Uitspraak over verhoogde geuremissiefactoren combiwassers

Op 20 juli 2018 is een wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij in werking getreden. In deze wijziging zijn de geuremissiefactoren voor combiwassers verhoogd. Er is geen overgangsrecht in de wijziging opgenomen. Dat betekent dat in beslissingen op vergunningaanvragen die op of na 20 juli 2018 worden genomen, aan de nieuwe geuremissiefactoren moet worden getoetst. In beslissingen van vóór 20 juli 2018 hoeft dat niet. Daar denkt rechtbank Gelderland in een uitspraak van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:639) echter anders over.

Wat was er aan de hand?

Een gemeente heeft op 8 juni 2018 een omgevingsvergunning milieu verleend voor het uitbreiden en wijzigen van een varkenshouderij. Een omwonende heeft tegen deze omgevingsvergunning beroep ingediend. In het beroepschrift heeft de omwonende onder andere aangevoerd dat de gemeente er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de geuremissiefactoren voor combiwassers zouden worden verhoogd.

Juridisch kader

In een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij moet onder andere worden getoetst of de veehouderij voldoet aan de geldende geurnormen. Omdat het in deze zaak over varkens gaat en voor varkens geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), moet de geurbelasting van de varkenshouderij aan de hand van deze geuremissiefactoren worden beoordeeld.

Op 20 juli 2018 is een wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv 2018) in werking getreden. In de Rgv 2018 zijn de geuremissiefactoren voor combiwassers verhoogd. Dit heeft geen gevolgen voor bestaande situaties.

Als een varkenshouderij wil wijzigen en/of uitbreiden, dan moet echter de gehele varkenshouderij worden getoetst aan de nieuwe emissiefactoren. Dus ook het bestaande deel van het bedrijf krijgt dan te maken met de hogere emissiefactoren. Dit leidt (op papier) tot een hogere geurbelasting.

In de Rgv 2018 is geen overgangsrecht opgenomen. Dit betekent dat in beslissingen op vergunningaanvragen die op of na 20 juli 2018 worden genomen, aan de nieuwe geuremissiefactoren moet worden getoetst.

Oordeel van de rechter

Omdat de gemeente vóór 20 juli 2018 een beslissing op de vergunningaanvraag heeft genomen, heeft de gemeente getoetst aan de oude geuremissiefactoren. Op dat moment gold de Rgv 2018 namelijk nog niet en kon daaraan dus ook niet worden getoetst.

De rechtbank is het daar echter niet mee eens. Het onderzoek van WUR dat aan de Rgv 2018 (de verhoging van de geuremissiefactoren) ten grondslag ligt, dateert namelijk van vóór het besluit van 8 juni 2018. En de Rgv 2018 is kort na het besluit in werking getreden.

Gelet hierop moest de gemeente naar het oordeel van de rechtbank geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de ernstige twijfels over het rendement van combiwassers. De gemeente heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat nog steeds mocht worden uitgegaan van het oorspronkelijk vastgestelde geurverwijderingsrendement. Naar het oordeel van de rechtbank had de gemeente ook berekeningen met het nieuwe geurverwijderingsrendement – dus met de verhoogde geuremissiefactoren – uit moeten voeren.

De rechtbank ziet voor dit oordeel steun in een uitspraak van de Raad van State van 28 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3885). Deze uitspraak gaat echter over het toepassen van een luchtwasser in een mestverwerkingsinstallatie en is alleen al om die reden niet vergelijkbaar.

Bovendien heeft de Raad van State in een uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2395) al duidelijk geoordeeld dat de nieuwe geuremissiefactoren géén invloed hebben op omgevingsvergunningen die al zijn verleend. Een beslissing moet namelijk worden beoordeeld aan de hand van de regelgeving zoals die gold op het tijdstip van het nemen van die beslissing. En dat is precies wat de gemeente in deze zaak had gedaan. De rechtbank is daar naar mijn mening dan ook ten onrechte aan voorbij gegaan en laat hiermee feitelijk de ex nunc toetsing ten tijde van het nemen van beslissingen los.

mw. mr. Franca Damen

De rol van vogelgriep in een bestemmingsplan

Een uitbraak van vogelgriep kan grote gevolgen hebben voor de pluimveehouderij. Het is dan ook begrijpelijk dat pluimveehouders mogelijke risicobronnen voor vogelgriep bij voorkeur voorkomen. Hoe zit het als een gemeente zo’n mogelijke risicobron wil toestaan in een bestemmingsplan? Moet de gemeente bij het vaststellen van dat bestemmingsplan dan rekening houden met de gevolgen van een mogelijke uitbraak van vogelgriep? Op 20 maart 2019 heeft de Raad van State hier een duidelijke uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:886).

Wat was er aan de hand?

De raad van de gemeente Someren heeft het bestemmingsplan ‘Vogelasiel Someren’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding en vernieuwing van een bestaand vogelasiel mogelijk.

In de omgeving zijn verschillende pluimveehouderijen gevestigd. Twee pluimveehouders hebben beroep ingediend tegen het bestemmingsplan. Zij vrezen onaanvaardbare risico’s voor hun bedrijfsvoering door het vogelasiel.

Juridisch kader

Een bestemmingsplan moet in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De gemeenteraad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen.

Oordeel van de rechter

De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Vogelasiel Someren’ de ruimtelijke aanvaardbaarheid beoordeeld. Daarbij zijn ook de eventuele gevolgen van het vogelasiel voor agrarische bedrijven in de omgeving beoordeeld.

Voor een risico op vogelgriep geldt geen aan te houden afstand. Omdat de gemeenteraad rekening heeft willen houden met de agrarische bedrijven in de omgeving, is het vogelasiel niet binnen 1 km van een agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt.

Verder heeft de gemeenteraad laten onderzoeken óf het mogelijk maken van een vogelasiel ter plaatse een risico inhoudt en op welke afstand zich eventuele gevolgen zouden kunnen voordoen voor agrarische bedrijven in de omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat het gebruik als vogelasiel ter plaatse op zichzelf geen risico inhoudt en dat er geen sprake is van gevolgen door de mogelijkheid van dit gebruik.

Volgens de gemeenteraad is er gelet hierop geen sprake van een onaanvaardbaar risico en een onaanvaardbare aantasting van de belangen van pluimveehouders.

Naar het oordeel van de Raad van State heeft de gemeenteraad zich op dit standpunt kunnen stellen. Hiervoor is van belang dat uit het ‘Beleidsdraaiboek Aviaire Influenza’ van het ministerie van Economische Zaken (september 2013) niet het door de pluimveehouders gevreesde risico blijkt. Het draaiboek gaat namelijk alleen over de wijze waarop door de overheid moet worden gehandeld ná een uitbraak van vogelgriep.

De gemeenteraad hoefde in het bestemmingsplan geen verdergaande maatregelen vanwege de verspreiding van dierziekten op te nemen. Zo’n maatregelen, zoals hygiëne bij de exploitatie en het onderbrengen van vogels in buitenvolières, gaan namelijk over de wijze van uitvoering van het bestemmingsplan en de exploitatie van het vogelasiel. Een bestemmingsplan is niet bedoeld om zo’n maatregelen op te nemen. Een bestemmingsplan staat er echter niet aan in de weg dat zo’n maatregelen bij de uitvoering en exploitatie worden getroffen.

Een risico op vogelgriep en de eventuele gevolgen daarvan voor pluimveehouders zijn naar het oordeel van de Raad van State dus geen belemmering om het vogelasiel toe te staan. De Raad van State laat het bestemmingsplan voor het vogelasiel dan ook in stand.

mw. mr. Franca Damen

Wob-verzoek PAS-meldingen: wat te doen?

Bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn alle PAS-meldingen opgevraagd. Daarvoor is een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend. Het Wob-verzoek ziet op alle PAS-meldingen die zijn gedaan in het AERIUS Register. Bedrijven die een PAS-melding hebben gedaan, ontvangen hierover bericht van het ministerie. In dit artikel kunt u hierover meer lezen en een voorbeeld voor een zienswijze downloaden.

Verloop Wob-verzoek

Als iemand een Wob-verzoek heeft ingediend bij de overheid, dan neemt de overheid hierover contact op met de betrokkenen. Dat geldt nu dus voor alle bedrijven, zowel agrarische als niet-agrarische bedrijven, die een PAS-melding voor hun bedrijf hebben gedaan.

De overheid laat de betrokken bedrijven weten waarvoor een Wob-verzoek is ingediend (PAS-melding) en welke informatie de overheid naar aanleiding daarvan al dan niet openbaar wil maken. De betrokken bedrijven kunnen naar aanleiding hiervan een zienswijze indienen. Zij kunnen in die zienswijze hun bezwaren over de voorgenomen openbaarmaking van de informatie kenbaar maken.

Vervolgens zal de overheid een besluit nemen over het Wob-verzoek en de informatie al dan niet openbaar maken. Als de overheid bezwaren tegen de openbaarmaking verwacht, wacht de overheid soms enkele weken met het openbaar maken van de informatie. In de tussentijd kunnen betrokkenen dan desgewenst via de rechter proberen om openbaarmaking te voorkomen.

Informatie openbaar?

Het uitgangspunt van de Wob is dat bij de overheid aanwezige informatie openbaar is, tenzij sprake is van een in de wet genoemde weigeringsgrond. Bij sommige weigeringsgronden mag informatie nooit openbaar worden gemaakt en bij sommige weigeringsgronden moet worden beoordeeld of het belang van openbaarheid zwaarder weegt of het belang dat wordt gediend met de weigering. Als geen sprake is van een weigeringsgrond, moet de informatie openbaar worden gemaakt.

Uit de rechtspraak volgt dat veel gegevens openbaar moeten worden gemaakt. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor bedrijfsadresgegevens en verschillende bedrijfsnummers, tenzij er sprake is van een gerechtvaardigde vrees voor dierenrechtenactivisme. Woonadresgegevens hoeven daarentegen niet openbaar gemaakt te worden vanwege de eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Meer informatie hierover kunt u lezen in drie recente artikelen die ik hierover schreef: ‘Wob-verzoek veehouderij: dieraantallen openbaar?’, ‘Privacy vogelvrij voor dierenactivisten’ en een annotatie in het Tijdschrift voor Agrarisch Recht.

Zienswijze

Bedrijven die bezwaar hebben tegen het openbaar maken van hun PAS-melding kunnen hierover een zienswijze indienen bij het ministerie. Het is in ieder geval raadzaam om in die zienswijze aan te geven dat u het niet eens bent met het openbaar maken van persoonlijke gegevens in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat geldt ook, indien van toepassing, voor de gegevens van degene die de PAS-melding voor u heeft ingediend.

U kunt hier een voorbeeld voor een zienswijze downloaden. U kunt de zienswijze desgewenst natuurlijk aanvullen met andere punten.

mw. mr. Franca Damen

Wob-verzoek veehouderij: dieraantallen openbaar?

Regelmatig worden bij de overheid gegevens over veehouderijen opgevraagd, zo ook dieraantallen. Moet de overheid dieraantallen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verstrekken? Of zijn dieraantallen geen Wob-gegevens? Rechtbank Amsterdam heeft daarover op 12 september 2018 een interessante uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBAMS:2018:6809).

In deze uitspraak is de vraag aan de orde of de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de volgende gegevens moest verstrekken:

  • dieraantallen en aantallen huisvestingsplaatsen;
  • adresgegevens;
  • KvK-nummer, bedrijfsrelatienummer en overige registratienummers.
Juridisch kader

Voor het beantwoorden van deze vraag zijn de volgende onderdelen van artikel 10 Wob van belang:

“1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: (…)

c. bedrijfs-en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; (…).

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; (…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. (…)

4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.”

Wat onder milieu-informatie wordt verstaan, staat in artikel 19.1a Wet milieubeheer.

Milieu-informatie

Als er sprake is van milieu-informatie, dan geldt als uitgangspunt dat de overheid deze informatie moet verstrekken. Dat blijkt uit artikel 10, vierde lid, Wob.

Ook als die milieu-informatie bijvoorbeeld vertrouwelijke bedrijfs-en fabricagegegevens betreft, geldt het uitgangspunt dat deze informatie moet worden verstrekt:

  • als de milieu-informatie betrekking heeft op emissies in het milieu, moet de informatie worden verstrekt;
  • als de milieu-informatie geen betrekking heeft op emissies in het milieu, dan hoeft de informatie alleen te worden verstrekt als het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van het beschermen van de vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens.

Het is dus belangrijk om te beoordelen:

  • of er sprake is van milieu-informatie én
  • of de milieu-informatie betrekking heeft op emissies in het milieu (emissiegegevens).
Dieraantallen

In de uitspraak van 12 september 2018 heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat dieraantallen en aantallen huisvestingsplaatsen milieu-informatie zijn. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of de verzochte dieraantallen en aantallen huisvestingsplaatsen als emissiegegevens zijn aan te merken.

Voor die beoordeling is van belang of de aantallen verband houden met besluitvorming waaraan een beoordeling over emissies in het milieu ten grondslag lag, zoals een omgevingsvergunning milieu. Dit blijkt uit een uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 23 november 2016 (ECLI:EU:C:2016:889). In die uitspraak heeft het Hof namelijk het volgende overwogen:

Teneinde zich ervan te kunnen vergewissen dat de beslissingen van de op milieugebied bevoegde autoriteiten gerechtvaardigd zijn en om doeltreffend deel te nemen aan het besluitvormingsproces inzake milieuaangelegenheden, dient het publiek echter toegang te hebben tot de informatie die het in staat stelt na te gaan of de emissies correct zijn beoordeeld, en dient het in staat te worden gesteld redelijkerwijs te begrijpen hoe bedoelde emissies het milieu negatief kunnen beïnvloeden.”

Er moet ook worden opgelet voor een te ruime uitleg van het begrip ‘informatie over emissies in het milieu’. Een te ruime uitleg zou namelijk:

“de mogelijkheid (…) voor de instellingen om te weigeren milieu-informatie openbaar te maken omdat een dergelijke openbaarmaking zou leiden tot de ondermijning van de bescherming van commerciële belangen van een bepaalde natuurlijke of rechtspersoon, elke nuttige werking ontnemen en een bedreiging vormen voor het evenwicht dat de Uniewetgever heeft willen verzekeren tussen de doelstelling van transparantie en de bescherming van die belangen. Zij zou ook op onevenredige wijze afbreuk doen aan de bescherming van de door artikel 339 VWEU gewaarborgde geheimhoudingsplicht.”

Het is dus niet de bedoeling om alle milieu-informatie als emissiegegevens aan te merken.

In de uitspraak van 12 september 2018 was de conclusie dat de dieraantallen en aantallen huisvestingsplaatsen wel milieu-informatie zijn, maar geen emissiegegevens. De aantallen waren namelijk opgenomen in rapportages van de NVWA naar aanleiding van controles en hielden geen verband met besluitvorming waaraan een beoordeling over emissies in het milieu ten grondslag lag.

Adresgegevens

Woonadresgegevens zijn geen milieu-informatie. Deze adresgegevens hoefde de Minister van LNV vanwege het belang van eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners naar het oordeel van de rechtbank niet openbaar te maken.

KvK-nummer en registratienummers

Bedrijfsadresgegevens, KvK-nummers, bedrijfsrelatienummers en andere registratienummers zijn ook geen milieu-informatie. Deze gegevens hoefde de Minister van LNV vanwege het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling naar het oordeel van de rechtbank niet openbaar te maken. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat het hier gaat om de pelsdierhouderij, waarover de Raad van State eerder een uitspraak heeft gedaan.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 10