Geen geurbeheersplan bij voldoen aan Wgv

 

Als een varkenshouderij of pluimveehouderij aan de Wet geurhinder en veehouderij voldoet, dan is geen geurbeheersplan vereist. Dit oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 22 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1741).

Het geurbeheersplan

Veehouderijen moeten voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Hiervoor zijn BBT-documenten vastgesteld. Deze zijn opgenomen in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht.

Als er sprake is van een veehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens of meer dan 750 plaatsen voor zeugen, dan moet ook aan Europese BBT-documenten worden getoetst. Die documenten worden ook wel BREF’s of BBT-conclusies genoemd.

Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie nieuwe BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen gepubliceerd. BBT 12 gaat over het geurbeheersplan en bepaalt het volgende.

Om geuremissies van een boerderij te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1), een geurbeheersplan opzetten, uitvoeren en regelmatig evalueren met daarin de volgende elementen: (…).

BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. In BBT 26 zijn enkele standaarden voor het monitoren van geuremissies voorgeschreven.

In een uitspraak van 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant een eerste uitspraak gedaan over de vraag waar een geurbeheersplan al dan niet toe verplicht. Maar wanneer is een geurbeheersplan nou precies verplicht?

Uitspraak Raad van State

Op 22 juli 2020 heeft de Raad van State een eerste uitspraak gedaan over de vraag wanneer een geurbeheersplan precies verplicht is. Op grond van BBT 12 is dat alleen het geval als geurhinder bij een geurgevoelig object wordt verwacht of is onderbouwd. Naar het oordeel van de Raad van State is daar geen sprake van als een veehouderij aan de Wet geurhinder en veehouderij voldoet. Dit blijkt uit de volgende overweging van de Raad van State:

Aangezien in de aangevraagde situatie wordt voldaan aan de Wgv en die wet het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van geurhinder vanwege de stallen van de inrichting, kon het college de gevraagde vergunning niet weigeren vanwege de geuremissies vanuit de stallen van de inrichting en kon het college geen lagere geurbelasting eisen door het voorschrijven van een geurbeheersplan. Daardoor zou feitelijk de Wgv buiten toepassing worden gelaten. Dit betekent dat als wordt voldaan aan de Wgv, ervan moet worden uitgegaan dat er geen geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd, zodat BBT 12, het opzetten van een geurbeheersplan, niet toepasbaar is. Het college heeft dan ook terecht geen geurbeheersplan, gericht op het voorkomen en verminderen van geuremissies vanuit de stallen van de inrichting, voorgeschreven.”

Dit geldt óók bij toepassing van de 50% regeling voor geur, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij.

Het geurbeheersplan komt daarmee dus op losse schroeven te staan.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Geur niet toetsen aan toekomstige normen

De geur bij een veehouderij moet je niet toetsen aan toekomstige normen. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1069. Met deze uitspraak zet de Raad van State een streep door een eerdere uitspraak hierover van rechtbank Oost-Brabant.

Verhoogde geuremissiefactoren

De uitspraak gaat over de verhoogde geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers die op 20 juli 2018 in werking zijn getreden. Daartoe is destijds de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) gewijzigd. Omdat in de wijziging van de Rgv geen overgangsrecht is opgenomen, moesten beslissingen op vergunningaanvragen die op of na 20 juli 2018 werden genomen, aan de nieuwe geuremissiefactoren worden getoetst. In beslissingen van vóór 20 juli 2018 hoefde dat niet.

Maar daar dachten rechtbank Gelderland en rechtbank Oost-Brabant anders over. Beide rechtbanken oordeelden namelijk dat het bevoegd gezag in de beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu moest toetsen aan de nieuwe geuremissiefactoren, terwijl die op het moment van het nemen van de beslissing nog niet in werking waren getreden. Dus ondanks dat de beslissing vóór 20 juli 2018 werd genomen, moest het bevoegd gezag volgens beide rechtbanken rekening houden met de toekomstige geuremissiefactoren.

Uitspraak Raad van State

De Raad van State heeft daar echter een streep door gezet. In de uitspraak van 15 april 2020 heeft de Raad van State namelijk geoordeeld dat het bevoegd gezag in de beslissingen van vóór 20 juli 2018 niet mocht toetsen aan de nieuwe geuremissiefactoren. De reden daarvoor is feitelijk simpelweg dat de nieuwe geuremissiefactoren op dat moment nog niet in werking waren getreden en in de beslissing moet worden getoetst aan de geuremissiefactoren die op dat moment gelden.

Hiervoor is van belang dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het exclusieve toetsingskader vormt voor de beoordeling van geurhinder vanwege de dierenverblijven binnen een veehouderij. De Wgv bepaalt onder andere dat de geurbelasting (bij bepaalde diersoorten) moet worden berekend aan de hand van de geuremissiefactoren zoals die in bijlage 1 bij de Rgv zijn opgenomen. Het gaat dan om de geuremissiefactoren zoals die gelden op het moment van het nemen van een beslissing op de vergunningaanvraag. De Wgv geeft geen ruimte om andere geuremissiefactoren toe te passen. De Raad van State heeft dit ook al geoordeeld in een uitspraak van 13 december 2017.

Omdat de verhoogde geuremissiefactoren pas op 20 juli 2018 in werking zijn getreden, moest het bevoegd gezag vóór die datum dus toetsen aan de oude geuremissiefactoren. De rechtbank heeft dat ten onrechte miskend.

Ook heeft de rechtbank ten onrechte verwezen naar de uitspraak van de Raad van State van 28 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3885). Die uitspraak gaat namelijk, zoals ik ook in mijn eerdere legal updates heb toegelicht, over een niet vergelijkbare situatie.

De Raad van State heeft met deze uitspraak dus (nogmaals) duidelijk gemaakt dat in een beslissing op een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij moet worden getoetst aan de geuremissiefactoren die op dat moment gelden. Dat er op korte termijn mogelijk nieuwe geuremissiefactoren in werking treden, doet daar niets aan af.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

 

Experimenteerruimte voor overbelaste situaties veehouderij

In een aantal provincies komt er experimenteerruimte voor overbelaste situaties in de veehouderij. Het bevoegd gezag kan dan bijvoorbeeld maatregelen aan veehouderijen opleggen om de overbelasting naar de omgeving toe te beperken. Dit blijkt uit de voorgestelde 21e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

In het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) kunnen projecten worden opgenomen waarin – bij wijze van experiment – mag worden afgeweken van bestaande wet- en regelgeving. Over een voorbeeld kun je hier meer lezen.

Aan het BuChw worden regelmatig nieuwe projecten toegevoegd. Vorige maand is er een weer een voorstel gedaan om een aantal projecten aan het BuChw toe te voegen. Dit wordt ook wel de 21e tranche van het BuChw genoemd. Een van de voorgestelde projecten ziet op experimenteerruimte voor innovatie in de landbouw. Een ander voorgesteld project ziet juist op mogelijkheden voor het bevoegd gezag om in te grijpen in overbelaste situaties in de veehouderij. Deze mogelijkheden zullen – na inwerkingtreding van de 21e tranche – alleen gelden in de provincies Gelderland, Limburg en Noord-Brabant.

Maatregelen opleggen

Een van de mogelijkheden die het bevoegd gezag krijgt, is het voorschrijven van maatregelen die de emissie van geur, ammoniak of fijnstof verminderen. Het bevoegd gezag kan die maatregelen voorschrijven als de nadelige gevolgen van deze emissies verder kunnen of moeten worden beperkt vanwege:

  1. de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu;
  2. de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu;
  3. de cumulatieve gevolgen van de emissie van geur, ammoniak of fijnstof door veehouderijen;
  4. door het bevoegd gezag vastgesteld beleid voor verbetering van de luchtkwaliteit; of
  5. onaanvaardbare geurhinder (waarover hierna meer).

Daarbij mag het bevoegd gezag ook de mogelijkheid van intern salderen in het Besluit emissiearme huisvesting beperken.

Vergunningvoorschriften wijzigen

Ook krijgt het bevoegd gezag de mogelijkheid om vergunningvoorschriften te wijzigen. Dat mag het bevoegd gezag doen vanwege dezelfde redenen als hiervoor genoemd onder punt 3-5. Ook hierbij mag het bevoegd gezag afwijken van het Besluit emissiearme huisvesting en de daarin opgenomen mogelijkheid van intern salderen.

Vergunning intrekken

Verder krijgt het bevoegd gezag de mogelijkheid om een omgevingsvergunning van een veehouderij geheel of gedeeltelijk in te trekken als sprake is van onaanvaardbare geurhinder.

Onaanvaardbare geurhinder

Om te bepalen of sprake is van onaanvaardbare geurhinder moet in ieder geval rekening worden gehouden met de volgende aspecten:

  • lokaal geurbeleid;
  • de individuele en cumulatieve geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;
  • de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt;
  • de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder;
  • de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting; en
  • de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.

Dit sluit bijna helemaal aan bij de bepaling over onaanvaardbare geurhinder in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. Interessant in dat kader is een uitspraak die de Raad van State hierover eerder deed in relatie tot een verleende vergunning.

Afwijkende geurregels

Tot slot voorziet de voorgestelde regeling in de mogelijkheid om af te wijken van de geurregels (in de Wet geurhinder en veehouderij respectievelijk het Activiteitenbesluit). Het bevoegd gezag kan namelijk een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij weigeren als niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de veehouderij of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld.

Ook kan het bevoegd gezag afwijken van de zogeheten ‘50%-regeling’ voor geur. Op grond van deze regeling kunnen veehouderijen die niet aan de geurnorm voldoen, toch uitbreiden. Zij kunnen dat doen door geurbelastingreducerende maatregelen te nemen. De helft van de geurreductie mag dan worden gebruikt voor de uitbreiding.

Op grond van de voorgestelde regeling mag het bevoegd gezag bepalen dat niet de volledige 50% gebruikt mag worden voor de uitbreiding. De ontwikkelruimte kan dus worden beperkt binnen de bandbreedte van 0-50%. Dat geldt zowel voor vergunningplichtige als niet vergunningplichtige veehouderijen.

De manier waarop het bevoegd gezag invulling geeft aan deze bevoegdheid, moet worden vastgelegd in beleidsregels of in een gemeentelijke geurverordening. Dit is naar mijn mening opmerkelijk te noemen. Voor het vaststellen van die beleidsregels zou namelijk het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn, terwijl voor het vaststellen van een geurverordening de gemeenteraad bevoegd gezag is.

Slot

De hiervoor genoemde mogelijkheden gaan pas gelden als het voorstel hiervoor (al dan niet gewijzigd) wordt vastgesteld en in werking treedt.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Beregenen met omgevingsvergunning bouwen?

Voor een beregeningsinstallatie kan een omgevingsvergunning bouwen nodig zijn. Dat oordeelde rechtbank Gelderland in een uitspraak van 13 februari 2020 (ECLI:NL:RBGEL:2020:965).

Een omgevingsvergunning bouwen is nodig voor het bouwen van een bouwwerk. Dat is alleen anders als er sprake is van een vergunningvrij bouwwerk. Een bouwwerk is “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.”

Een beregeningsinstallatie kan aan deze definitie voldoen. Dat blijkt uit de uitspraak van rechtbank Gelderland. Die ging over een beregeningsinstallatie die bestaat uit waterleidingen in de grond over het gehele perceel, met om de 18 meter een metalen buis die boven de grond uitsteekt met een hoogte van ongeveer 3 meter en met aan het uiteinde daarvan een sproeier. Volgens de rechtbank is dit een ‘bouwwerk’ waarvoor een omgevingsvergunning bouwen nodig is.

Maar als er alleen sprake is van een paal met daaraan een waterslang, dan is er geen sprake van een bouwwerk. Daarvoor is dan dus geen omgevingsvergunning bouwen nodig. Dit blijkt uit een oudere uitspraak van rechtbank Utrecht (19 december 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6859).

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Wijziging Regeling ammoniak en veehouderij

Afgelopen periode lag een concept wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij ter inzage. Deze wijziging ziet op de bescherming van (de fabrikanten en leveranciers van) nieuwe huisvestingssystemen voor de veehouderij.

Achtergrond

Als een nieuw huisvestingssysteem wordt ontwikkeld, is het de bedoeling dat hieraan een ammoniakemissiefactor wordt toegekend. Deze emissiefactor wordt dan opgenomen in bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Zodra dat is gedaan, kunnen veehouders het huisvestingssysteem in hun veehouderij toepassen en daarbij uitgaan van de vastgestelde ammoniakemissiefactor.

Voordat voor een nieuw huisvestingssysteem een ammoniakemissiefactor in de Rav wordt opgenomen, moeten eerst metingen worden uitgevoerd. Die metingen moeten de emissiereducerende werking van het huisvestingssysteem aantonen. De initiatiefnemer (meestal een fabrikant) laat deze metingen voor zijn rekening en risico beoordelen.

Als de emissiereducerende werking voldoende is, dan wordt een definitieve ammoniakemissiefactor voor het huisvestingssysteem in de Rav opgenomen. Ook wordt dan een technische beschrijving van het huisvestingssysteem vastgesteld. Daarna kan iedere fabrikant aan de hand van deze beschrijving een soortgelijk huisvestingssysteem bouwen en zonder te meten op de markt brengen.

Dit kan ertoe leiden dat het voor fabrikanten moeilijk is om de gemaakte kosten voor het ontwikkelen en meten van een nieuw huisvestingssysteem terug te verdienen. Hierdoor kan de ontwikkeling van nieuwe huisvestingssystemen worden geremd. Daarnaast zijn er onzekerheden over de kwaliteit van huisvestingssystemen die op de markt worden gebracht zonder dat deze zijn bemeten. Dit heeft risico’s voor het milieu.

Daarom bestaat de wens dat iedere fabrikant een nieuw ontwikkeld huisvestingssysteem moet laten meten.

Wijziging

Om te waarborgen dat alle nieuwe huisvestingssystemen worden gemeten, wordt de Rav gewijzigd. Hiervoor heeft van 19 december 2019 tot 29 januari 2020 een concept ter inzage gelegen. Als deze wijziging in werking treedt, betekent dit het volgende.

De definitieve emissiefactor voor een nieuw huisvestingssysteem geldt alleen voor een huisvestingssysteem dat is geleverd door of namens degene die de metingen aan het systeem heeft laten beoordelen. Dat kan de fabrikant zijn of een licentiehouder die het systeem namens de fabrikant op de markt brengt.

Deze nieuwe regel geldt alleen voor:

  • huisvestingssystemen die na de inwerkingtreding van deze nieuwe regel worden opgenomen in bijlage 1 bij de Rav en
  • huisvestingssystemen die al in bijlage 1 bij de Rav waren opgenomen en waarbij eindnoot 28 of 19 is vermeld.

De nieuwe regel geldt dus niet voor huisvestingssystemen waarvoor al een definitieve emissiefactor in bijlage 1 bij de Rav was opgenomen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 13