Uitspraak RvS over stalderingsregel

De Brabantse stalderingsregel is volgens de Raad van State toegestaan op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Dit volgt uit een uitspraak van de Raad van State van 7 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3609).

De uitspraak gaat over een bestemmingsplan voor een locatie in het buitengebied van de gemeente Oirschot. In dit bestemmingsplan heeft de gemeente de stalderingsregel overgenomen zoals deze in de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant is opgenomen.

Stalderingsregel

In juli 2017 heeft de provincie Noord-Brabant besloten om in de Verordening ruimte de stalderingsregel op te nemen. De stalderingsregel bepaalt dat zogeheten hokdierhouderijen (veehouderijen met uitzondering van de nertsenhouderij, de melkveehouderij en de schapenhouderij) die zijn gelegen in een stalderingsgebied alleen mogen uitbreiden als zij eerst de bestaande dierenverblijven van een andere hokdierhouderij binnen hetzelfde stalderingsgebied hebben gesaneerd. Saneren kan door het slopen of herbestemmen van die dierenverblijven, waarbij het gebruik als dierenverblijf feitelijk en juridisch is beëindigd. Voor een nadere toelichting verwijs ik u graag naar mijn artikel ‘Staldering voor Brabantse veehouderij’.

Uitspraak rechtbank Oost-Brabant

In een uitspraak van 22 mei 2018 heeft rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat de stalderingsregel jegens een bepaalde groep veehouders in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel (lees hier meer).

De provincie heeft naar aanleiding van die uitspraak bij de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De Raad van State heeft dit verzoek afgewezen (lees hier meer).

Uitspraak Raad van State

In de uitspraak van de Raad van State van 7 november 2018 staat de vraag centraal of de stalderingsregel is toegestaan op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van artikel 4.1 Wro mag de provincie in een provinciale ruimtelijke verordening namelijk alleen regels stellen als die regels aan de volgende drie voorwaarden voldoen:

  • ruimtelijk belang;
  • provinciaal belang;
  • noodzaak.

Volgens de Raad van State voldoet de stalderingsregel aan deze voorwaarden. Daartoe is de Raad van State expliciet ingegaan op het ruimtelijk belang en de noodzaak.

De stalderingsregel is bedoeld om een verdere regionale concentratie van de veehouderij en een verdere leegstand van bestaande dierenverblijven tegen te gaan. Volgens de Raad van State heeft de stalderingsregel daarom een ruimtelijk belang.

Staldering is volgens de toelichting noodzakelijk om te komen tot een versnelde afname van het areaal aan intensieve veehouderij in overbelaste gebieden. Uit onderzoeken van Connecting Agri & Food en Pouderoyen Compagnons en een ‘Botsproef’ van CLM en DLV blijkt dat het proces van een verlaging van de impact van de veehouderij op de omgeving wordt versneld door meer dierenverblijven op te heffen dan er bij komen. Voor staldering moet de oppervlakte van de sanering minimaal 110% zijn van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen.

Gelet hierop is de noodzaak van staldering, waarbij er meer oppervlak aan bedrijfsbebouwing gesloopt of herbestemd moet worden dan waarin de beoogde ontwikkeling voorziet, volgens de Raad van State voldoende onderbouwd.

Evenredigheid

Verder heeft de Raad van State beoordeeld of de stalderingsregel voldoet aan het evenredigheidsbeginsel en niet onevenredig bezwarend is.

Volgens de provincie volgt uit verschillende onderzoeken dat de kosten voor staldering niet onevenredig zijn in vergelijking met de totale investeringskosten voor de ontwikkeling van stallen. Verder is er volgens de provincie sprake van een groot maatschappelijk belang bij de stalderingsregel, en dat belang weegt zwaarder dan de extra investering die veehouders moeten doen.

Volgens de Raad van State is de stalderingsregel gelet hierop niet onevenredig bezwarend.

Stalderingsbewijs als voorwaardelijke verplichting

De stalderingsregel verplicht veehouders om een stalderingsbewijs te hebben voordat zij een omgevingsvergunning bouwen kunnen krijgen.

Omdat zowel voor staldering als voor een omgevingsvergunning voor een wijziging en/of uitbreiding van een veehouderij een lange procedure moet worden doorlopen, zou het voor de praktijk gunstig zijn als het stalderingsbewijs pas nodig is op het moment dat de wijziging en/of uitbreiding van de veehouderij daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Dat kan door hiervoor aan de omgevingsvergunning een voorwaarde te verbinden of door hierover een zogeheten voorwaardelijke verplichting in een bestemmingsplan op te nemen.

Dit is in de bestemmingsplanprocedure van Oirschot voorgelegd aan de Raad van State. De Raad van State heeft echter alleen geoordeeld dat de bestemmingsplanregel in overeenstemming met de Verordening ruimte is. Een inhoudelijk oordeel heeft de Raad van State nog niet gegeven.

Gevolgen

De Raad van State heeft geoordeeld dat de stalderingsregel in de Brabantse Verordening ruimte is toegestaan op grond van artikel 4.1 Wro en dat de stalderingsregel niet onevenredig bezwarend is. De uitspraak gaat alleen over het bestemmingsplan dat in de uitspraak aan de orde is, maar geeft wel een doorkijk naar uitspraken in andere procedures waarin de stalderingsregel ter discussie wordt gesteld.

Uit de uitspraak blijkt niet wat exact allemaal is aangevoerd tegen de stalderingsregel. Daarom is het niet uitgesloten dat de Raad van State in andere procedures – op basis van extra argumenten die daarin mogelijk worden aangevoerd – tot een ander oordeel kan komen.

mw. mr. Franca Damen

Deelonderzoek VGO-3: pluimvee en geiten

Op 22 oktober 2018 is een deelonderzoek van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III (VGO-3) bekend gemaakt. Dit deelonderzoek is gericht op longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen.

Deelonderzoek

In het deelonderzoek ‘Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016’ zijn analyses uit het eerdere VGO-project herhaald voor een recentere periode. Het doel van deze actualisatie is om na te gaan of de associatie tussen het wonen in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen en het voorkomen van longontsteking nog steeds kan worden aangetoond voor de jaren 2014-2016.

De resultaten van het deelonderzoek wijzen, net als VGO-2, op een associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij blijkt niet meer statistisch significant te zijn.

Kamerbrief

De Minister van Medische Zorg en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben op 22 oktober 2018 een Kamerbrief over het deelonderzoek van VGO-3 naar de Tweede Kamer gestuurd.

In deze brief geven de Ministers aan dat het deelonderzoek van VGO-3 het belang van inzicht in de oorzaak van de verhoogde ziektedruk rond geitenhouderijen benadrukt. Naar deze oorzaak wordt onderzoek uitgevoerd om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen. Naar verwachting wordt het VGO-3 onderzoek in 2021 afgerond.

Ondanks dat in het deelonderzoek van VGO-3 de associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij niet meer is aangetoond, houden de Ministers vast aan het generiek verminderen van de emissies van onder andere fijnstof. Hierover is de afgelopen jaren met de pluimveesector gesproken.

Onderzoek causaliteit

Dat in het deelonderzoek van VGO-3 opnieuw een associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking is aangetoond, maakt de associatie consistent. Dit vraag om nader onderzoek dat dieper ingaat op de mogelijke causaliteit. Meer zicht op causaliteit is van belang voor de volksgezondheid in het gebied. Op dit moment is er dus geen causaliteit aangetoond.

Rechtspraak

Tot op heden vormt het VGO-onderzoek op grond van de rechtspraak geen reden om een besluit voor een veehouderij te weigeren of om aan een dergelijk besluit voorschriften te verbinden. In mijn artikel ‘Uitspraak RvS over VGO-rapport’ kunt u daarover meer lezen.

mw. mr. Franca Damen

CBb: fosfaatrechten individuele en disproportionele last?

Het stelsel van fosfaatrechten kan voor melkveehouderijen tot een individuele en disproportionele last leiden. Of sprake is van zo’n individuele en disproportionele last, moet de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beoordelen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft hierover op 17 oktober 2018 een uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2018:522).

Fosfaatrechten

Op 1 januari 2018 is het stelsel van fosfaatrechten ingevoerd. Dit stelsel is opgenomen in de Meststoffenwet. De belangrijkste bepaling is artikel 21b, eerste lid, Meststoffenwet. Hierin staat het verbod om op een bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.”

Hoe het fosfaatrecht voor een bedrijf wordt vastgesteld, is vastgelegd in artikel 23, derde lid, Meststoffenwet:

“Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht (…) komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 496 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. (…)

Peildatum

De peildatum voor het stelsel van fosfaatrechten is dus 2 juli 2015. Bepalend is welk melkvee op die datum op het bedrijf is gehouden. Daaronder moet volgens het CBb het volgende worden verstaan:

“(…) heeft te gelden dat “melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden” betekent: melkvee dat op enig moment op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden. Dat dit mogelijk tot dubbeltellingen leidt doet daar niet aan af. In de betrokken bepaling is voor de handelwijze van verweerder onvoldoende basis. Dit klemt te meer omdat de keuze om afgevoerde dieren niet en aangevoerde dieren wel mee te tellen een zekere mate van willekeur heeft.”

Dit blijkt uit een andere uitspraak van het CBb van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:523).

Beperkingen

Het stelsel van fosfaatrechten leidt in de praktijk voor veel melkveehouderijen tot beperkingen. De grootste beperkingen doen zich voor bij melkveehouderijen die vóór 2 juli 2015 (de peildatum) onomkeerbare financieringsverplichtingen zijn aangegaan. Voor deze bedrijven voorziet het stelsel van fosfaatrechten niet in een knelgevallenregeling.

Veel van deze melkveehouderijen stellen dat het stelsel van fosfaatrechten voor hen daarom tot een individuele en disproportionele last leidt en dat er daarom sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM (artikel 1 EP).

Vergelijking fosfaatreductieplan

Deze discussie is ook aan de orde geweest in het kader van fosfaatreductieplan. Daarover heeft zowel de civiele rechter als het CBb een uitspraak gedaan.

In deze uitspraken is het fosfaatreductieplan in algemene zin acceptabel geacht. Maar voor individuele melkveehouderijen kan er sprake zijn van een individuele en disproportionele last.

Artikel 1 EP fosfaatrechten

Het fosfaatrecht levert – net als het fosfaatreductieplan – een inmenging (regulering) in de eigendom van melkveehouders op. Een inmenging is op grond van artikel 1 EP alleen gerechtvaardigd als de inmenging:

  • bij wet is voorzien,
  • een algemeen belang dient en
  • proportioneel is.

In de uitspraak van 17 oktober 2018 heeft het CBb beoordeeld of het stelsel van fosfaatrechten in overeenstemming is met artikel 1 EP.

Criterium 1 van artikel 1 EP: bij wet voorzien

Het stelsel van fosfaatrechten heeft een wettelijke basis in het nationale recht. Daarom wordt aan het eerste criterium voldaan.

Criterium 2 van artikel 1 EP: algemeen belang

Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen belang, heeft de overheid een ruime beoordelingsvrijheid. Binnen deze vrijheid mocht de Minister oordelen dat derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient.

Volgens het CBb mocht de Minister daarom oordelen dat het stelsel van fosfaatrechten én de generieke korting voor niet grondgebonden bedrijven het algemeen belang dienen. Daarom wordt volgens het CBb aan het tweede criterium voldaan.

Criterium 3 van artikel 1 EP: proportioneel

Om te beoordelen of aan het derde criterium wordt voldaan, moet eerst worden getoetst op het niveau van het stelsel van fosfaatrechten als zodanig en daarna op individueel bedrijfsniveau.

Voor de beoordeling op het niveau van het stelsel van fosfaatrechten als zodanig onder andere de voorzienbaarheid van belang. Naar het oordeel van het CBb was het voor melkveehouders te verwachten dat na de afschaffing van het melkquotum in geval van ongebreidelde groei mogelijk toch nog andere maatregelen, zoals productiebeperkende maatregelen, zouden volgen. Daarvoor verwijst het CBb onder andere naar de Kamerbrieven van 18 januari 2013 en 12 december 2013. Het CBb heeft dit ook geoordeeld in het kader van het fosfaatreductieplan.

Dat de peildatum voor het stelsel van fosfaatrechten in het verleden ligt, is gelet op het belang van het stelsel en de effectiviteit van de voorziene maatregelen in algemene zin niet ontoelaatbaar of onevenredig.

Naar het oordeel van het CBb is het stelsel van fosfaatrechten als zodanig daarom acceptabel. Met andere woorden: volgens het CBb is het stelsel van fosfaatrechten als zodanig proportioneel en in zoverre in overeenstemming met artikel 1 EP.

Maar is het stelsel van fosfaatrechten ook proportioneel als wordt getoetst op individueel bedrijfsniveau? Het CBb erkent dat melkveehouderijen zwaar getroffen kunnen zijn door de invoering van het stelsel van fosfaatrechten.

De waarde van de fosfaatrechten maakt voor hen dat een tekort aan rechten niet eenvoudig kan worden aangevuld. Dat treft ook bedrijven die (…) vergunningen hebben verkregen voor de start of uitbreiding van het bedrijf en op die basis investeringen hebben gedaan. In die omstandigheden is het College van oordeel, in lijn met het oordeel van het College in de uitspraken van 21 augustus 2018 (onder meer ECLI:NL:CBB:2018:414) en 15 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:149), dat de gevolgen niet per se categoriaal op grond van ondernemersrisico voor rekening van bedrijven komen.”

Met andere woorden: het stelsel van fosfaatrechten kan voor individuele melkveehouderijen een individuele en disproportionele last vormen.

Bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een individuele en disproportionele last, spelen onder andere de volgende omstandigheden een rol:

  • de mate waarin een uitzondering wordt gemaakt op de toekenning van fosfaatrechten;
  • welke alternatieve, flankerende, maatregelen worden geboden.

Beperkte voorzieningen en het ontbreken van een overgangstermijn zullen sneller tot de conclusie leiden dat sprake is van een buitensporige last in het individuele geval. Daarbij is ook het volgende van belang:

“De conclusie dat iemand in het bijzonder geraakt wordt kan daarbij gerechtvaardigd worden door de bijzonder zware financiële last die het gevolg is van de ingevoerde maatregel. (…) De bijzonderheid kan gelegen zijn in de mate waarin de melkveehouder getroffen wordt en of daarbij de melkveehouder ook privé wordt geraakt. Bij die beoordeling speelt uiteraard wel een rol tot welk verlies de maatregel precies leidt, waarbij de mogelijkheid van alternatieve aanwending onder meer een rol speelt. (…) Daarnaast kunnen andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat in dat bijzondere geval het niet toekennen van fosfaatrechten of compensatie disproportioneel is.”

Het CBb heeft in de uitspraak geen nadere criteria gegeven die van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van een individuele en disproportionele last.

Gevolgen van de uitspraak

Het is spijtig dat er voor melkveehouders nu nog steeds geen duidelijkheid is. Dat komt onder andere doordat de Minister geen individuele beoordeling heeft uitgevoerd. De Minister heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat er in gevallen waar alleen financiële omstandigheden spelen, nimmer sprake kan zijn van een disproportionele last.

Het CBb heeft duidelijk gemaakt dat dit standpunt geen stand houdt. Dit standpunt doet namelijk niet volledig recht aan de toets die artikel 1 EP vereist.

mw. mr. Franca Damen

Wob-verzoek veehouderij: dieraantallen openbaar?

Regelmatig worden bij de overheid gegevens over veehouderijen opgevraagd, zo ook dieraantallen. Moet de overheid dieraantallen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verstrekken? Of zijn dieraantallen geen Wob-gegevens? Rechtbank Amsterdam heeft daarover op 12 september 2018 een interessante uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBAMS:2018:6809).

In deze uitspraak is de vraag aan de orde of de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de volgende gegevens moest verstrekken:

  • dieraantallen en aantallen huisvestingsplaatsen;
  • adresgegevens;
  • KvK-nummer, bedrijfsrelatienummer en overige registratienummers.
Juridisch kader

Voor het beantwoorden van deze vraag zijn de volgende onderdelen van artikel 10 Wob van belang:

“1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: (…)

c. bedrijfs-en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; (…).

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: (…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; (…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. (…)

4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.”

Wat onder milieu-informatie wordt verstaan, staat in artikel 19.1a Wet milieubeheer.

Milieu-informatie

Als er sprake is van milieu-informatie, dan geldt als uitgangspunt dat de overheid deze informatie moet verstrekken. Dat blijkt uit artikel 10, vierde lid, Wob.

Ook als die milieu-informatie bijvoorbeeld vertrouwelijke bedrijfs-en fabricagegegevens betreft, geldt het uitgangspunt dat deze informatie moet worden verstrekt:

  • als de milieu-informatie betrekking heeft op emissies in het milieu, moet de informatie worden verstrekt;
  • als de milieu-informatie geen betrekking heeft op emissies in het milieu, dan hoeft de informatie alleen te worden verstrekt als het belang van openbaarmaking zwaarder weegt dan het belang van het beschermen van de vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens.

Het is dus belangrijk om te beoordelen:

  • of er sprake is van milieu-informatie én
  • of de milieu-informatie betrekking heeft op emissies in het milieu (emissiegegevens).
Dieraantallen

In de uitspraak van 12 september 2018 heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat dieraantallen en aantallen huisvestingsplaatsen milieu-informatie zijn. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of de verzochte dieraantallen en aantallen huisvestingsplaatsen als emissiegegevens zijn aan te merken.

Voor die beoordeling is van belang of de aantallen verband houden met besluitvorming waaraan een beoordeling over emissies in het milieu ten grondslag lag, zoals een omgevingsvergunning milieu. Dit blijkt uit een uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 23 november 2016 (ECLI:EU:C:2016:889). In die uitspraak heeft het Hof namelijk het volgende overwogen:

Teneinde zich ervan te kunnen vergewissen dat de beslissingen van de op milieugebied bevoegde autoriteiten gerechtvaardigd zijn en om doeltreffend deel te nemen aan het besluitvormingsproces inzake milieuaangelegenheden, dient het publiek echter toegang te hebben tot de informatie die het in staat stelt na te gaan of de emissies correct zijn beoordeeld, en dient het in staat te worden gesteld redelijkerwijs te begrijpen hoe bedoelde emissies het milieu negatief kunnen beïnvloeden.”

Er moet ook worden opgelet voor een te ruime uitleg van het begrip ‘informatie over emissies in het milieu’. Een te ruime uitleg zou namelijk:

“de mogelijkheid (…) voor de instellingen om te weigeren milieu-informatie openbaar te maken omdat een dergelijke openbaarmaking zou leiden tot de ondermijning van de bescherming van commerciële belangen van een bepaalde natuurlijke of rechtspersoon, elke nuttige werking ontnemen en een bedreiging vormen voor het evenwicht dat de Uniewetgever heeft willen verzekeren tussen de doelstelling van transparantie en de bescherming van die belangen. Zij zou ook op onevenredige wijze afbreuk doen aan de bescherming van de door artikel 339 VWEU gewaarborgde geheimhoudingsplicht.”

Het is dus niet de bedoeling om alle milieu-informatie als emissiegegevens aan te merken.

In de uitspraak van 12 september 2018 was de conclusie dat de dieraantallen en aantallen huisvestingsplaatsen wel milieu-informatie zijn, maar geen emissiegegevens. De aantallen waren namelijk opgenomen in rapportages van de NVWA naar aanleiding van controles en hielden geen verband met besluitvorming waaraan een beoordeling over emissies in het milieu ten grondslag lag.

Adresgegevens

Woonadresgegevens zijn geen milieu-informatie. Deze adresgegevens hoefde de Minister van LNV vanwege het belang van eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners naar het oordeel van de rechtbank niet openbaar te maken.

KvK-nummer en registratienummers

Bedrijfsadresgegevens, KvK-nummers, bedrijfsrelatienummers en andere registratienummers zijn ook geen milieu-informatie. Deze gegevens hoefde de Minister van LNV vanwege het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling naar het oordeel van de rechtbank niet openbaar te maken. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat het hier gaat om de pelsdierhouderij, waarover de Raad van State eerder een uitspraak heeft gedaan.

mw. mr. Franca Damen

Wijziging Meststoffenwet i.v.m. zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn

Ter implementatie van het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn zal de Meststoffenwet worden gewijzigd. In de Meststoffenwet wordt onder andere het fosfaatproductieplafond per sector vastgelegd. Ook wordt in de Meststoffenwet de mogelijkheid opgenomen om de hoeveelheid fosfaatrechten, varkensrechten of pluimveerechten te verminderen.

Wijziging Meststoffenwet

Het voorstel tot wijziging van de Meststoffenwet is op 17 september 2018 ter consultatie voorgelegd. Met de wijziging wordt het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn geïmplementeerd.

Fosfaatproductieplafond

Nederland is op grond van de derogatiebeschikking van de Nitraatrichtlijn gebonden aan een fosfaatproductieplafond van 172,9 miljoen kilogram per jaar. De overheid acht het cruciaal dat een overschrijding van het fosfaatproductieplafond in de toekomst wordt voorkomen. Hiervoor zijn de sectorale fosfaatproductieplafonds en bijbehorende dierrechtenstelsels bepalend.

Daarom worden de (nationale en sectorale) fosfaatproductieplafonds, zoals aangekondigd in het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn, wettelijk vastgelegd in de Meststoffenwet. Daarvoor wordt een nieuw artikel 18a Meststoffenwet ingevoerd.

In het nieuwe artikel 18a Meststoffenwet zullen naast de fosfaatproductieplafonds ook de (nationale en sectorale) stikstofproductieplafonds worden vastgelegd.

Plafondoverschrijding

Het voorstel tot wijziging van de Meststoffenwet maakt het verder mogelijk dat de overheid het productierecht vermindert als een sectoraal fosfaatproductieplafond (of een sectoraal stikstofproductieplafond) wordt overschreden. In een algemene maatregel van bestuur zal dan worden vastgesteld met welk percentage een productierecht wordt verminderd. De omvang van dat percentage wordt bepaald door de omvang van de totale overschrijding in de veehouderijsector die het betreft.

Dit wordt vastgelegd in een nieuw artikel 33ab, eerste lid (melkveehouderij) en een nieuw artikel 33ac, eerste lid (varkenshouderij) en tweede lid (pluimveehouderij) in de Meststoffenwet.

Gebruiksnormen

Tot slot voorziet het voorstel tot wijziging van de Meststoffenwet in een verandering van de fosfaatgebruiksnormen en een verfijning van de huidige klasse-indeling (artikel 11 Meststoffenwet). Door deze veranderingen moeten de normen beter aansluiten op de veranderingen in de opbrengsten van landbouwgewassen.

Inwerkingtreding wijziging

Het is de bedoeling dat de wijziging op 1 januari 2020 in werking treedt .

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 4 5 32