0

Zorgvuldige veehouderij Brabant: wijziging Verordening Ruimte

Op 22 maart 2013 hebben Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant in meerderheid ingestemd met een pakket maatregelen dat de balans tussen agrarische sector en maatschappelijke omgeving zou moeten herstellen. Alleen veehouders die aantoonbaar maatschappelijk verantwoord produceren, krijgen in de toekomst de ruimte om hun bedrijf te ontwikkelen. De maatregelen zijn een vervolg op de werkconferentie ‘Transitie naar een zorgvuldige veehouderij’, ook wel het Brabantberaad genoemd.

De denklijn komt erop neer dat veehouders die willen uitbreiden, daar alleen toestemming voor krijgen als ze extra maatregelen nemen op het gebied van volksgezondheid, dierenwelzijn, diergezondheid, natuur en milieu. De provincie werkt hiervoor een instrument uit dat duurzame bedrijfsvoering objectiveert. Dit wordt de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (hierna: BZV) genoemd. De BZV geldt voor alle vormen van veehouderijen in Noord-Brabant. Het systeem wordt uiteindelijk gekoppeld aan de provinciale Verordening Ruimte. Het College van Gedeputeerde Staten wil in september 2013 met de BZV gaan werken.

Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant besloten op 22 maart 2013 niet alleen over een zorgvuldige veehouderij, maar ook over de verlenging van de bouwstop voor geiten- en schapenbedrijven. Deze bouwstop wordt met maximaal één jaar verlengd. Verder gaat een bovengrens gelden van 1,5 hectare bouwblok voor alle veehouderijen. Er wordt geen tijdelijke bouwstop voor alle veehouderijen ingesteld.

Met het oog op dit pakket aan maatregelen is op 28 maart 2013 een ontwerp wijziging van de Verordening Ruimte gepubliceerd. Dit ontwerp ligt van 28 maart tot en met 24 april 2013 ter inzage. Met deze wijziging wordt beoogd te voorkomen dat een transitie naar een zorgvuldige veehouderij door de verdere intensivering van de melkveehouderij langer gaat duren. Om die reden is besloten om vooruitlopend op een aantal nog uit te werken maatregelen en regelingen in de Verordening Ruimte op te nemen dat de bouwblokken voor een grondgebonden veehouderij evenals bij intensieve veehouderijen ten hoogste 1,5 hectare groot mogen zijn.

Omdat grondgebonden veehouderijen, veelal melkveebedrijven, gebruik maken van ruwvoer en daarvoor in verhouding tot bijvoorbeeld varkenshouderijen meer opslagruimte nodig hebben, wordt in aanvulling op de regeling voor een maximaal bouwblok van 1,5 hectare een extra bepaling voorgesteld die het mogelijk maakt dat de noodzakelijke voerplaten aansluitend aan het toegekende bouwblok worden opgericht, mits dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Dit is een uitzondering op de hoofdregel dat alle voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf binnen het bouwblok worden opgenomen. De behoefte aan ruimte voor voerplaten is afhankelijk van de bedrijfsvoering en de bedrijfsgrootte.

In de voorgestelde wijziging van de Verordening Ruimte wordt geen beperking aan de omvang van akkerbouwbedrijven gesteld. Wel wordt de bouwstop voor geiten- en schapenhouderijen met een jaar verlengd. Het advies van de Gezondheidsraad van 30 november 2012 geeft de provincie Noord-Brabant op dit moment onvoldoende aanleiding om de bouwstop te heroverwegen. Nieuw voor geiten- en schapenhouderijen in de voorgestelde wijziging van de Verordening Ruimte is de mogelijkheid die aan gemeenten wordt geboden om in het kader van de verlening van een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwstop voor zogenaamde knelgevallen. De voorwaarden die aan deze uitzonderingsmogelijkheid worden gesteld, zijn echter wel streng. Het aantal gevallen dat voor deze uitzonderingsmogelijkheid van de bouwstop voor geiten- en schapenhouderijen in aanmerking komt, zal naar verwachting dan ook beperkt zijn.

Heeft u vragen over de voorgestelde wijziging van de Verordening Ruimte of over de denklijn van de provincie Noord-Brabant over de transitie naar een zorgvuldige veehouderij, neem dan gerust contact met mij op.

mw. mr. Franca Damen

Beoordeling geur en ammoniak mestverwerkingsbedrijf: gaat Raad van State om?

In een eerder artikel ging ik in op de wijze waarop de aspecten geur en ammoniak afkomstig van een mestverwerkingsbedrijf dienen te worden beoordeeld. De Memorie van Toelichting bij de Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij waren hierover duidelijk: beide wetten zijn uitdrukkelijk niet bedoeld voor de beoordeling van geur respectievelijk ammoniak afkomstig van mestverwerkingsbedrijven. Dit blijkt overigens ook reeds uit de wettekst van beide wetten zelf; deze hebben immers enkel betrekking op geur respectievelijk ammoniak afkomstig van tot veehouderijen behorende dierenverblijven. Daarvan is in geval van een mestverwerkingsbedrijf simpelweg geen sprake.

Het was bestendige jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) om de beoordeling van geur en ammoniak afkomstig van mestverwerkingsbedrijven níet te beoordelen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij respectievelijk de Wet ammoniak en veehouderij. De Afdeling verwees voor de motivering hiervan ook steeds naar de Memorie van Toelichting bij beide wetten (zie bijv. Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 11 mei 2011, zaaknr. 201004415/1/M2).

In haar uitspraak van 20 maart 2013 (zaaknr. 20113207/1/A4) lijkt de Afdeling echter om te gaan; de Afdeling komt althans tot een andere conclusie:

 “[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 3] wijzen in dit verband tevergeefs op artikel 2 van de Wgv. Het college heeft terecht gesteld dat uit dat artikel slechts volgt dat de Wgv een verplicht toetsingskader is, indien het gaat ome en veehouderij. Uit dat artikel volgt niet dat bij de Wgv niet kan worden aangesloten bij andere inrichtingen dan veehouderijen. De verwijzing naar de memorie van toelichting en de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2011 in zaak nr. 201004415/1/M2 leiden niet tot een ander oordeel.”

Waarom de Afdeling thans tot een ander oordeel komt, motiveert zij helaas niet. De Afdeling lijkt hiermee ‘om’ te gaan. Of de Afdeling daadwerkelijk om gaat voor wat betreft de beoordeling van geur en ammoniak afkomstig van mestverwerkingsbedrijven zal moeten blijken uit toekomstige jurisprudentie.

Wilt u meer weten over dit onderwerp of heeft u zelf een zaak waarin de beoordeling van geur en/of ammoniak een rol speelt, neem dan gerust contact met mij op.

mw. mr. Franca Damen

0

Bouwstop veehouderij Brabant

De geluiden gaan dat voor de gehele veehouderij in de provincie Noord-Brabant een bouwstop zal worden afgekondigd. Deze bouwstop wordt vermoedelijk op 22 maart 2013 afgekondigd, tegelijk met de verlenging van de bouwstop voor geiten- en schapenhouderijen die reeds sedert enkele jaren van kracht is in Noord-Brabant.

De achtergrond voor de vermoedelijke bouwstop voor de veehouderij is gelegen in het voorkomen van een verdere toename van het aantal dieren in de veehouderij voordat (begin volgend jaar) nieuw veehouderijbeleid van kracht wordt.  Dit beleid zal gericht zijn op een transitie naar een zorgvuldige veehouderij, geplaatst in het licht van duurzaamheid.

Indien en voorzover inderdaad een bouwstop voor de gehele veehouderij in Noord-Brabant wordt afgekondigd, wordt dat gedaan in een provinciaal voorbereidingsbesluit. De juridische grondslag hiervoor is gelegen in artikel 4.1, vijfde lid,, jo. artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Een door gedeputeerde staten vastgesteld voorbereidingsbesluit wordt gelijkgesteld met een door de gemeenteraad vastgesteld voorbereidingsbesluit.

Bij een voorbereidingsbesluit moet worden bepaald voor welk gebied het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt. Een voorbereidingsbesluit vervalt bij de inwerkingtreding van de verordening doch uiterlijk na zes maanden.

Wanneer een voorbereidingsbesluit in werking is getreden, dienen bepaalde aanvragen om een omgevingsvergunning voorlopig aangehouden te worden. Dit blijkt uit artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Meer specifiek moeten aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo) en aanvragen om een omgevingsvergunning voor, kort gezegd, aanlegactiviteiten (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, Wabo) ingeval van een voorbereidingsbesluit worden aangehouden. De beslissing op dergelijke vergunningaanvragen dient aangehouden te worden indien er geen grond is de vergunning te weigeren, maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag een voorbereidingsbesluit in werking is getreden.

Concreet betekent dit dat ingeval een bouwstop voor de veehouderij in Brabant wordt afgekondigd, ‘enkel’ aanvragen om een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a of b Wabo die zijn ingediend ná inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit (ten behoeve van de bouwstop) moeten worden aangehouden. Vergunningaanvragen die reeds vóór de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit zijn ingediend en door het bevoegd gezag zijn ontvangen, behoeven dus niet aangehouden te worden.

De aanhouding van vergunningaanvragen die ná inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit door het bevoegd gezag zijn ontvangen, duurt totdat het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 3.7, vijfde of zesde lid, Wro is komen te vervallen.

In een voorbereidingsbesluit kunnen regels worden opgenomen die verbieden om het gebruik dat dat van gronden en bouwwerken wordt gemaakt, te wijzigen. Een dergelijk verbod kan worden gekoppeld aan de mogelijkheid om van het verbod af te wijken. Voor een dergelijke afwijking kan dan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, Wabo een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo) worden verleend.

Voor agrarische ondernemers in Brabant die wensen te bouwen ten behoeve van hun veehouderij kan het dus van groot belang zijn om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a of b, Wabo aan te vragen voordat mogelijk de bouwstop voor de veehouderij wordt afgekondigd; oftewel: voordat mogelijk een voorbereidingsbesluit in werking treedt. Daarbij wens ik echter wel te benadrukken dat een aantal nuanceringen dienen te worden gemaakt, bijvoorbeeld indien het bouwplan in strijd is met de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant, waarin de ‘noodzaak’ om een omgevingsvergunning aan te vragen niet, althans minder, aanwezig is.

Heeft u hier nadere vragen over, of wenst u meer te weten over een voorbereidingsbesluit of over voornoemde plannen van de provincie Noord-Brabant, neem dan gerust contact met mij op.

mw. mr. Franca Damen

0

Terugvorderen steun voor plattelandsontwikkeling

Op 7 februari 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een arrest gewezen inzake het terugvorderen van steun voor plattelandsontwikkeling. Alvorens inhoudelijk op dit arrest in te gaan, zal ik eerst een korte toelichting geven op de steun voor plattelandsontwikkeling.

Europese Plattelandsverordening

De Raad van de Europese Unie heeft een plattelandsverordening vastgesteld gericht op steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). De Europese plattelandsverordening is thans neergelegd in Vo. 1698/2005 (daarvoor: Vo. 1257/1999). Het ELFPO dient ter ondersteuning van het Europees beleid voor plattelandsontwikkeling.

Lidstaten dienen terzake de Europese plattelandsverordening een plattelandontwikkelingsbeleid op te stellen waarin wordt aangegeven welke maatregelen in de desbetreffende komende periode (thans: 2007-2013) gefinancierd zullen worden. Voor Nederland is het Plattelandontwikkelingsprogramma (POP) van belang. Dit is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op de ontwikkeling van het platteland in de brede zin van het woord. Het Plattelandontwikkelingsprogramma geeft invulling aan de Europese Plattelandsverordening, zoals hiervoor vernoemd. Het financieren van de plannen uit het POP geschiedt met de middelen uit het ELFPO. De doelstellingen voor Nederland richten zich op het verbeteren van de concurrentiepositie van land- en bosbouw, de verbetering van natuur & landschap, plattelandsontwikkeling en het invoeren van de zogenaamde Leader-aanpak (deze aanpak heeft te maken met op zichzelf staande projecten die worden ontworpen en uitgevoerd door lokale partnerschappen om specifieke lokale problemen aan te pakken).

Provincies zetten hun ambities op de verschillende punten uiteen in hun Provinciale Meerjarenplannen (PMJP). De uitvoering van het POP geschiedt langs twee sporen, te weten het ondernemersspoor via het Ondernemersprogramma en het gebiedsgerichte spoort via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG).

Arrest Hof van Justitie

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) heeft betrekking op het terugvorderen van steun voor plattelandsontwikkeling, zoals bedoeld in de Europese plattelandsverordening (het arrest heeft nog betrekking op de oude Plattelandsverordening, te weten Vo. 1257/1999). Meer specifiek ging het om het terugvorderen van steun voor plattelandsontwikkeling om reden dat de betrokken landbouwer, kort gezegd, niet de benodigde aanvragen had ingediend, terwijl hij voor het overige wel voldeed aan de verschillende voorwaarden voor het verkrijgen van de steun.

In onderhavig arrest heeft het Hof van Justitie een aantal prejudiciële vragen beantwoord. Met de gestelde prejudiciële vragen heeft de betrokken lidstaat wensen te vernemen of Vo. 1257/1999, Vo. 817/2004 (houdende uitvoeringsbepalingen van Vo. 1257/1999) en Vo. 796/2004 (houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden met betrekking tot, kort gezegd, steunverlening) aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke degene die steun heeft ontvangen voor de verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw die hij voor verschillende jaren is aangegaan, alle steun die hij voor de voorafgaande jaren reeds heeft ontvangen, moet terugbetalen omdat hij heeft nagelaten om jaarlijks overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen een aanvraag in te dienen, ook al verklaart hij dat hij steeds aan zijn verplichtingen inzake de exploitatie van de betrokken oppervlakten is blijven voldoen en dat de bevoegde administratie hem niet heeft gehoord, maar de betrokken oppervlakten niet meer kunnen worden gecontroleerd aangezien het betrokken jaar reeds voorbij is.

Oftewel: staan er Europese regels in de weg aan het terugvorderen van reeds uitbetaalde steun, wanneer wel is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de steun, doch niet, conform nationale bepalingen, telkens opnieuw een aanvraag voor de steun is ingediend? Het antwoord van het Hof van Justitie luidt ontkennend: er staan geen regels uit voornoemde Europese verordeningen in de weg aan het terugvorderen van reeds – onverschuldigd – uitbetaalde steun.

Daartoe verwijst het Hof van Justitie in de eerste plaats naar de artikelen 22 tot en met 24 Vo. 1257/1999 (voorganger van 1698/2005), waarin algemene voorwaarden zijn gesteld aan het toekennen van steun voor landbouwproductiemethoden die met name met het oog op natuurbeheer zijn ontworpen. Uit deze artikelen blijkt dat bij steun voor milieumaatregelen in de landbouw steeds sprake is van door de betrokken landbouwers aangegane verbintenissen om milieuvriendelijke landbouw te bedrijven. Deze verbintenissen dienen voor ten minste vijf jaar te worden aangegaan. Als tegenprestatie voor verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw verlenen lidstaten jaarlijks steun.

In de tweede plaats wijst het Hof van Justitie op artikel 37, vierde lid, Vo. 1257/1999 dat bepaalt dat lidstaten de voorwaarden waaronder steun voor plattelandsontwikkeling wordt toegekend, strenger mogen maken. Ook mogen lidstaten aanvullende voorwaarden stellen. Deze voorwaarden dienen echter wel in overeenstemming te zijn met de in de verordening vastgestelde doelstellingen en eisen.

Voorts is artikel 66, vijfde lid, Vo. 1257/1999 van belang. Uit dit artikel vloeit voort dat landbouwers slechts betalingen ontvangen indien zij ieder jaar een aanvraag om betaling indienen, tenzij sprake is van een nationale procedure die een jaarlijkse doeltreffende verificatie mogelijk maakt. Om in aanmerking te kokmen voor steun voor milieumaatregelen in de landbouw, dient dus ieder jaar een aanvraag ingediend te worden. Dat het van belang is om ieder jaar een aanvraag om steun voor milieumaatregelen in de landbouw in te dienen, wordt ook benadrukt in artikel 67, eerste lid, Vo. 817/2004. Door het jaarlijks indienen van een aanvraag kan worden nagegaan of de betrokken landbouwer de aangegane verbintenissen opo het gebied van milieumaatregelen in de landbouw nakomt.

Gelet hierop heeft het Hof van Justitie geconcludeerd dat een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat een steunaanvrager slechts voor steun voor milieumaatregelen in de landbouw in aanmerking komt, indien hij zich ertoe verbindt om gedurende de volledige vijfjarige periode waarbinnen de verbintenissen gelden, elk jaar een aanvraag voor de aangemelde agromilieuactiviteiten bij het betaalorgaan in te dienen, verenigbaar is met de Europese verordeningen, zoals hiervoor bedoeld. Het is dus van belang dat de betrokken landbouwer aan alle voorwaarden voldoet én jaarlijks een aanvraag om steun indient, om voor de toekenning van steun in aanmerking te komen. Indien aan één van de voorwaarden niet is voldaan, kan de betrokken landbouwer dus geheel worden uitgesloten van steunverlening. Wanneer de landbouwer bovendien wordt uitgesloten van steun voor milieumaatregelen in de landbouw omdat aan één van de toekenningsvoorwaarden niet is voldaan, volgt uit artikel 71, tweede lid, Vo. 817/2004 jo. artikel 73 Vo. 796/2004 dat de begunstigde van die steun verplicht is alle reeds betaalde bedragen die betrekking hebben op de ontzegde steun, terug te betalen.

Ondanks dat onderhavig arrest niet gewezen is in een Nederlands geschil, is het wel van belang voor de Nederlandse praktijk, nu in Nederland immers ook steun wordt toegekend op grond van de Europese plattelandsverordening en de (direct) daaraan gerelateerde andere Europese verordeningen. Wel van belang om op te merken is dat, zoals gezegd, onderhavig arrest betrekking heeft op de voormalige Europese plattelandsverordening. Nu de nieuwe plattelandsverordening ook voorwaarden aan de toekenning van steun stelt, zal het arrest ook relevant zijn voor steunverlening op grond van de huidige plattelandsverordening.

mw. mr. Franca Damen

Wet dieren en de bestuurlijke boete

Op 1 januari 2013 is de Wet dieren in werking getreden. Deze wet bevat een integraal kader waarin de kernpunten zijn vastgelegd voor regels met betrekking tot het gedrag van mensen jegens dieren en voor regels ter beheersing van de risico’s die dieren of producten die van dieren afkomstig zijn, met zich kunnen brengen voor mensen en voor andere dieren. De Wet dieren biedt voor het bevoegd gezag meer mogelijkheden om in geval van een overtreding, zoals genoemd in de wet, handhavend op te treden middels bestuursrechtelijke instrumenten., waarbij met name wordt gedoeld op de bestuurlijke boete. Dat is waar ik in onderhavig artikel nader op in zal gaan.

Reikwijdte

Hiervoor vermeldde ik dat de Wet dieren voor het bevoegd gezag meer mogelijkheden biedt om in geval van een overtreding bestuursrechtelijk handhavend op te treden. Dit behoeft enige nuancering, nu de (brede) toepassing van handhaving door middel van een bestuurlijke boete gefaseerd wordt ingevoerd. Artikel 8.6 van de Wet dieren vermeldt thans reeds alle overtredingen in geval waarvan handhavend kan worden opgetreden door middel van een bestuurlijke boete. Echter zijn op dit moment nog niet alle in artikel 8.6 van de Wet dieren genoemde bepalingen in werking getreden. De bestuurlijke boete wordt als eerste toegepast bij de handhaving van regels over diergeneesmiddelen, dierlijke bijproducten, diervoeders en het vervoeren van evenhoevigen. Daarnaast worden overtredingen van de Europese transportverordening die reeds met een bestuurlijke boete worden gehandhaafd op grond van de Wet dieren beboet. In de loop van dit jaar c.q. de komende jaren volgt de invoering van de bestuurlijke boete in het kader van dierenwelzijn, vleesketen en voedselveiligheid.

Met de Wet dieren kan het bevoegd gezag (in de toekomst) in meer gevallen handhavend optreden door het opleggen van een bestuurlijke boete. Voor wat betreft de wetten die de Wet dieren (deels) vervangt, was handhavend optreden op deze wijze tot 1 januari 2013 enkel mogelijk voor een aantal overtredingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. In de andere wetten die (deels) door de Wet dieren (zullen) worden vervangen – te weten de Diergeneesmiddelenwet, de Wet op de dierenbescherming, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, de Kaderwet diervoeders, de Landbouwkwaliteitswet en de Landbouwwet – bestond niet de bevoegdheid om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit wordt in de Wet dieren gefaseerd mogelijk gemaakt. Zoals gezegd, wordt de bestuurlijke boete als eerste toegepast bij handhaving van regels op grond van de Europese transportverordening en regels over diergeneesmiddelen, dierlijke bijproducten, diervoeders en het vervoeren van evenhoevigen.

Bestuurlijke boete

De bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen in het kader van de Wet dieren is opgenomen in artikel 8.7 van deze wet. Artikel 8.8 van de Wet dieren bepaalt vervolgens dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen ten hoogste kan worden opgelegd. Deze algemene maatregel van bestuur is uitgewerkt in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, welk besluit eveneens per 1 januari 2013 in werking is getreden.

De afgelopen periode is in de media al meerdere malen het bericht verschenen dat de nVWA meer armslag heeft bij de Wet dieren. Deze berichtgeving behoeft reeds nuancering gelet op de gefaseerde inwerkingtreding van de Wet dieren en het relatief beperkt aantal soort overtredingen waartegen per 1 januari 2013 handhavend kan worden opgetreden door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete. Maar ook indien een bestuurlijke boete wordt opgelegd op grond van de Wet dieren betekent dit niet dat agrariërs – in de breedste zin van het woord – en anderen die te maken hebben met de Wet dieren met lege handen staan. Zij kunnen tegen een bestuurlijke boete namelijk bezwaar maken door beroep aan te tekenen bij de rechtbank. Gelet op artikel 10.3 van de Wet dieren is rechtbank Rotterdam in deze zaken de bevoegde rechter.

Rechtsmiddelen

Bij de rechtbank kan de bestuurlijke boete worden aangevochten. Niet alleen kan worden geageerd tegen de beweerdelijke overtreding, maar eveneens tegen de hoogte van de boete. De hoogte van de boete dient het bevoegd gezag te baseren op het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. Immers zijn in dit besluit regels opgenomen over onder meer de hoogte van de bestuurlijke boete. Dat het besluit de hoogte van een bestuurlijke boete voorschrijft, laat echter onverlet dat er diverse aanknopingspunten zijn om beroep aan te tekenen tegen een bestuurlijke boete. Dit wordt nader toegelicht aan de hand van het systeem van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (in het vervolg: Besluit handhaving).

De bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, zijn in de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren (in het vervolg: Regeling handhaving) ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie. Artikel 2.2 Besluit handhaving bepaalt dat de hoogte van de bestuurlijke boete wordt vastgesteld overeenkomstig de vijf in het Besluit handhaving genoemde boetecategorieën. Als criteria voor de indeling van de overtredingen in één van de vijf boetecategorieën worden de ernst van de overtreding en de effectiviteit van de boete gehanteerd. Van belang bij de ernst van de overtreding zijn onder meer de belangen die met het overtreden voorschrift worden beschermd (informatievoorziening, dierenwelzijn, diergezondheid, volksgezondheid en milieu) en de afschrikwekkende werking van de boete.

Indien een bestuurlijke boete wordt opgelegd overeenkomstig een bepaalde boetecategorie zoals voorgeschreven in het Besluit handhaving en de Regeling handhaving, betekent dit echter niet dat het hanteren van deze boetecategorie in alle gevallen is aangewezen. Uit de toelichting bij het Besluit handhaving blijkt namelijk uitdrukkelijk dat de categorie-indeling in beginsel plaatsvindt op grond van voornoemde uitgangspunten, tenzij dat in een concreet geval niet tot een passende boetehoogte leidt.

Daarnaast is van belang dat op grond van artikel 2.3 Besluit handhaving de boete wordt gehalveerd indien de risico’s of gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu gering zijn of ontbreken. Indien deze risico’s of gevolgen daarentegen ernstig zijn, wordt de boete verdubbeld. De gevolgen van een overtreding kunnen per geval verschillen. Een overtreding die vanwege de potentiële ernst bijvoorbeeld in categorie 2 is ingedeeld, kan feitelijk geringe of juist ernstige gevolgen hebben. Wanneer de risico’s of gevolgen ‘gering’ of ‘ernstig’ zijn, is echter niet nader bepaald. Wat hieronder dient te worden begrepen, zal nader ingevuld moeten worden in jurisprudentie. Derhalve kunnen ook met betrekking tot dit punt gronden van beroep worden ingediend bij de rechtbank.

Tot slot kunnen gronden van beroep worden ingediend indien het bevoegd gezag het verwijt van recidive maakt. In geval van recidive is de bestuurlijke boete op grond van artikel 2.5 Besluit handhaving namelijk gelijk aan de som van de op grond van het Besluit handhaving voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete. Het moet in beginsel uitdrukkelijk om een overtreding van hetzelfde voorschrift gaan. In beginsel, omdat artikel 2.5 Besluit handhaving ook voorziet in de mogelijkheid om overtredingen aan te wijzen die soortgelijk zijn aan andere overtredingen. Van deze aanwijzingsbevoegdheid mag echter nog geen gebruik worden gemaakt dan nadat ervaring is opgedaan met het opleggen van bestuurlijke boetes op de betreffende beleidsterreinen, meer duidelijkheid is ontstaan over de vraag welke overtredingen in concrete gevallen als soortgelijk kunnen worden beschouwd en verhoging van de boete bij soortgelijke overtredingen wenselijk is gebleken. Ook hierin kunnen derhalve gronden van beroep zijn gelegen om in te dienen bij de rechtbank.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kunnen agrariërs – in de breedste zin van het woord – en anderen die te maken hebben met de Wet dieren een bestuurlijke boete op grond van de Wet dieren in rechte aanvechten. In diverse bepalingen uit het Besluit handhaving kan aanleiding worden gevonden om gronden van beroep in te dienen.

Neem voor vragen of opmerkingen gerust contact met mij op.

mw. mr. Franca Damen

1 28 29 30 31 32