0

Geur en ammoniak onderwerpen aan juist beoordelingskader

Milieuaspecten die in veel juridische geschillen ter discussie staan, zijn de aspecten geur en ammoniak. Deze milieuaspecten spelen veelal een rol bij intensieve veehouderijen. Maar ook in andere situaties kunnen geur en ammoniak een belangrijke rol spelen. Het is van belang om deze milieuaspecten in de verschillende situaties te onderwerpen aan een juist beoordelingskader. In het navolgende ga ik hier nader op in. Daarbij zal ik eerst ingaan op het aspect geur en vervolgens op het aspect ammoniak.

Zie voor een update van dit artikel mijn artikel ‘Beoordeling geur en ammoniak mestverwerkingsbedrijf: gaat Raad van State om?’

Geur

Bij vergunningverlening voor veehouderijen vormt de beoordeling van geurhinder een belangrijk onderdeel. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is per 1 januari 2007 het exclusief toetsingskader voor geurhinder afkomstig van dierenverblijven bij veehouderijen. Echter ook in andere juridische procedures kan het aspect geur een belangrijke rol spelen. Als voorbeeld neem ik een mestverwerkingsbedrijf; deze houdt nauw verband met een intensieve veehouderij, maar is zelf niet als een intensieve veehouderij aan te merken.

De vraag is wat het juist beoordelingskader is voor toetsing van het aspect geur bij een mestverwerkingsbedrijf. Regelmatig wordt gesteld dat voor de beoordeling van de geurhinder afkomstig van een mestverwerkingsbedrijf kan worden aangesloten bij de normen voor de geurbelasting uit de Wet geurhinder en veehouderij – danwel een gemeentelijke geurverordening indien daarvan sprake is – nu de geur afkomstig van een mestverwerkingsinstallatie overeenkomt met de geur van een veehouderij. Dit is evenwel niet juist.

Binnen een mestverwerkingsbedrijf komt geuremissie vrij bij het bewerken en verwerken van dierlijke mest. Een mestverwerkingsbedrijf is uitdrukkelijk niet aan te merken als een veehouderij en valt reeds om die reden niet onder de Wgv. De Wgv ziet immers enkel op de geurhinder van dierenverblijven, hetgeen ook voortvloeit uit artikel 2 van deze wet:

“Bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.”

Nu van een dierenverblijf in geval van een mestverwerkingsbedrijf geen sprake is, is op de geurhinder afkomstig van een mestverwerkingsbedrijf de Wgv niet van toepassing. Deze geurhinder mag dan ook niet getoetst worden aan de normen voor geurbelasting uit de Wgv en een eventuele gemeentelijke geurverordening. Ook overigens mag de geurhinder afkomstig van een mestverwerkingsbedrijf niet aan deze normen getoetst worden. Deze stelling vindt steun in de Memorie van Toelichting bij de Wgv (Kamerstukken II 2005/06, 30 453, nr. 3):

“Gedurende het productieproces op een veehouderij komt geur vrij. Verschillende geurbronnen kunnen worden onderscheiden. Geur komt in ieder geval vrij bij het opslaan van diervoer, het bereiden van diervoer, het houden van de dieren in de dierenverblijven, het opslaan van mest, het bewerken/verwerken van mest en het afvoeren van mest. Het wetsvoorstel stelt geen regels aan al deze geurbronnen maar beperkt zich tot de geur die vrijkomt als gevolg van het houden van dieren in dierenverblijven. De beoordeling van de andere genoemde geurbronnen valt niet onder de werkingssfeer van deze wet, maar blijft plaatsvinden op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer. In andere wet- en regelgeving zijn voorschriften opgenomen die mede die geurbronnen reguleren. Ten behoeve van vergunningverlening voor mestverwerkingsinstallaties worden handvatten geboden in de Richtlijn Mestverwerkingsinstallaties.”

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wgv blijkt dus uitdrukkelijk dat onder de geurhinder van dierenverblijven niet mede wordt verstaan de geurhinder vanwege het opslaan en verwerken van mest buiten dierenverblijven. Hieruit volgt dat de geurhinder vanwege een mestverwerkingsinstallatie niet is verdisconteerd in de voor toepasselijke stalsystemen vastgestelde emissiefactoren. Deze opvatting vindt ook steun in een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (11 mei 2011, zaaknr. 201004415/1/M2).

Naar aanleiding van het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat de geurbelasting afkomstig van een mestverwerkingsinstallatie niet beoordeeld mag worden aan de hand van de normen zoals opgenomen in de Wgv en een eventuele gemeentelijke geurverordening. De geurhinder vanwege een mestverwerkingsbedrijf dient daarentegen beoordeeld te worden aan de hand van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Binnen dat kader wordt verwezen naar de Nederlandse Emissie Richtlijn (in het vervolg: NER). De NER bevat de Hindersystematiek Geur, bedoeld om bij vergunningverlening de Best Beschikbare Techniek (in het vervolg: BBT) vast te stellen. De hindersystematiek geur is bedoeld om het bepalen van een acceptabel hinderniveau zoveel mogelijk te harmoniseren. Het bepalen van een acceptabel hinderniveau bestaat enerzijds uit een onderzoek naar de geursituatie en het hinderniveau, en anderzijds uit een overweging en beoordeling wat acceptabel is. Daarbij zij direct opgemerkt dat in de NER uitdrukkelijk staat vermeld dat het bij vergunningverlening noodzakelijk is om niet alleen de conclusie over het acceptabele hinderniveau te geven, maar ook de motivering daarvoor op te nemen. Uiteindelijk dient de vergunningverlener op basis van een afweging van alle relevante factoren het acceptabele hinderniveau vast te stellen.

Het onderzoek dat conform de NER uitgevoerd dient te worden, dient duidelijkheid te geven over de geursituatie en het hinderniveau als gevolg van het initiatief. Bij dit onderzoek dient tevens rekening gehouden te worden met maatregelen die overeenkomstig BBT getroffen moeten worden.

Bij het beoordelen van de geurbelasting dient op grond van verschillende aspecten – waaronder de mate van hinder, de aard en waardering van de geur, andere informatie over de hinder en mogelijke emissies, maatregelen overeenkomstig BBT, mogelijke extra maatregelen en de lokale situatie – beoordeeld te worden of het hinderniveau acceptabel is. De hoogte van een acceptabele geurnorm is dus niet enkel afhankelijk van de beleving van de betreffende geursoort. Zoals hiervoor uiteengezet, dienen bij de beoordeling van de vraag of het hinderniveau acceptabel is op grond van de NER meerdere aspecten meegewogen te worden. Deze aspecten betreffen onder meer, zoals reeds aangegeven, de mate van hinder, de aard en waardering van de geur, andere informatie over de hinder en mogelijke emissies, maatregelen overeenkomstig BBT, mogelijke extra maatregelen en de lokale situatie. Daarbij kan – zoals reeds uit het voorgaande voortvloeit – niet worden aangesloten bij de geurnormen afkomstig van veehouderijen. Gelet op het gegeven dat mestverwerkingsinstallaties uitdrukkelijk niet onder de Wet geurhinder en veehouderij vallen, kan voor de geurbeleving ook niet worden aangesloten bij de geur afkomstig van veehouderijen.

Ammoniak

Voor het aspect ammoniak geldt een soortgelijke overweging als voor het aspect geur. Ook bij de beoordeling van de ammoniakemissie vanwege een mestverwerkingsbedrijf wordt regelmatig gesteld dat hiervoor kan worden aangesloten bij de Wet ammoniak en veehouderij (in het vervolg: Wav), nu de ammoniak die vrijkomt bij het verwerken van mest identiek is aan de ammoniak die vrijkomt bij een veehouderij. Om die reden wordt het regelmatig gerechtvaardigd geacht om de wetgeving ten aanzien van ammoniakemissies en veehouderij te gebruiken bij de beoordeling van een mestverwerkingsbedrijf. Dit is evenwel niet juist.

Ook hier geldt dat een mestverwerkingsbedrijf uitdrukkelijk niet is aan te merken als een veehouderij en reeds om die reden niet onder de Wav valt. De Wav ziet immers enkel op de ammoniak van dierenverblijven, hetgeen ook voortvloeit uit artikel 3 lid 1 van deze wet:

“Bij beslissingen inzake de omgevingsvergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij betrekt het bevoegd gezag de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.”

Nu van een dierenverblijf in geval van een mestverwerkingsbedrijf geen sprake is, is op de ammoniakbelasting afkomstig van een mestverwerkingsbedrijf de Wav niet van toepassing. Deze ammoniakbelasting mag dan ook niet getoetst worden aan de normen voor ammoniakemissie uit de Wav. Ook overigens mag de ammoniakbelasting afkomstig van een mestverwerkingsbedrijf niet aan deze normen getoetst worden. Deze stelling vindt steun in de Memorie van Toelichting bij de Wav (Kamerstukken II 2000/01, 27 836, nr. 3):

“Dit wetsvoorstel heeft betrekking op de emissie van ammoniak uit de tot veehouderijen behorende dierenverblijven. Op andere milieubelastende activiteiten binnen een veehouderij blijft de Wet milieubeheer van toepassing. Dit geldt ook voor activiteiten waarbij ammoniak kan vrijkomen, zoals bewerking of verwerking van mest en de opslag van mest buiten een dierenverblijf.”

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wav blijkt dus uitdrukkelijk dat onder de ammoniakbelasting van dierenverblijven niet mede wordt verstaan de ammoniakbelasting vanwege het opslaan en bewerken of verwerken van mest buiten dierenverblijven.

Naar aanleiding hiervan dient geconcludeerd te worden dat de ammoniakbelasting afkomstig van een mestverwerkingsinstallatie niet beoordeeld dient te worden aan de hand van de normen zoals opgenomen in de Wav. Deze wet ziet uitdrukkelijk niet op mestverwerkingsbedrijven.

Conclusie

De milieuaspecten geur en ammoniak kunnen in verschillende juridische procedures een belangrijk toetspunt vormen. Het is evenwel van belang om daarbij onderscheid te maken tussen enerzijds intensieve veehouderijen en anderzijds andere situaties, zoals een mestverwerkingsbedrijf. Het is van belang om de aspecten geur en ammoniak in de verschillende situaties te onderwerpen aan een juist beoordelingskader. Zoals ik in het voorgaande heb uiteengezet, geldt voor (onder meer) mestverwerkingsbedrijven een ander beoordelingskader dan voor intensieve veehouderijen.

Mocht u naar aanleiding van het voorgaande vragen of opmerkingen hebben, dan verneem ik dat graag van u.

mw. mr. Franca Damen

Provinciaal beleid intensieve veehouderij op de schop

Een groot gedeelte van de veehouderij in Nederland is intensief. Vooral in Noord-Brabant zijn er veel intensieve veehouderijen gevestigd. De intensieve veehouderij staat echter vanuit zowel de maatschappij als de politiek flink onder druk. Er wordt in de relevante wet- en regelgeving een behoorlijk slot gezet op intensieve veehouderijen. Voor de provincie Noord-Brabant is het beleid hieromtrent met name opgenomen in de diverse reconstructieplannen en in de Verordening Ruimte.

Sinds december 2011 zijn er echter de nodige ontwikkelingen met betrekking tot deze reconstructieplannen en deze verordening. In het navolgende wordt een toelichting gegeven op deze ontwikkelingen. Daarbij zal eveneens worden ingegaan op mijn visie op deze ontwikkelingen.

Uitspraak rechtbank ’s-Hertogenbosch

Op 1 december 2011 heeft rechtbank ’s-Hertogenbosch een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant (Rechtbank ’s-Hertogenbosch 1 december 2011, LJN BU6561). In deze zaak ging het over de aanvraag om een bouwvergunning voor de uitbreiding van een kalkoenhouderij in verband met eisen van dierenwelzijn. Voor deze uitbreiding was een vergroting van het bouwblok benodigd. Voorts is van belang dat de betreffende kalkoenhouderij was gelegen in een extensiveringsgebied, zoals bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden (in het vervolg: de Reconstructiewet). Het college van burgemeester en wethouders heeft de bouwvergunning geweigerd wegens strijd met de Verordening Ruimte.

De Verordening Ruimte bepaalt in artikel 9.2 lid 3 dat – kort gezegd – een bouwblok ten be-hoeve van een intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden niet groter mag zijn dan de op 1 oktober 2010 aanwezige bebouwing. Ingevolge artikel 9.2 lid 4 werkt deze bepaling rechtstreeks door en vormt deze een weigeringsgrond voor onder andere een aanvraag om een bouwvergunning.

Deze bepaling uit de Verordening Ruimte geeft intensieve veehouderijen minder ruimte dan het voor het betreffende gebied geldende reconstructieplan. In dit reconstructieplan is namelijk ten aanzien van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden de beleidsuitspraak vastgelegd dat uitbreiding van bouwblokken is toegestaan om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen. Het reconstructieplan staat derhalve wel (eenmalige) vergroting van intensieve veehouderijen toe.

De rechtbank stelt in haar uitspraak van 1 december 2011 vast dat artikel 9.2 van de Verordening Ruimte afwijkt van het reconstructieplan.

“ De rechtbank stelt vast dat artikel 9.2 van de Verordening afwijkt van de hierboven weergegeven beleidsuitspraak in het reconstructieplan ‘De Peel, correctieve herziening’. De Verordening staat, anders dan het reconstructieplan, een eenmalige uitbreiding van de bebouwing ten behoeve van dierenwelzijn immers niet toe. Uit de hierboven weergegeven toelichting op de Verordening begrijpt de rechtbank dat provinciale staten bij de vaststelling van de Verordening de bewuste keuze hebben gemaakt om af te wijken van het geldende reconstructieplan. Dit wordt bevestigd in de Structuurvisie Noord-Brabant van 1 januari 2011, pagina 14, waarin is aangegeven dat in de Verordening het kaderstellende beleid uit de provinciale reconstructieplannen op onderdelen fors is aangepast waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden zijn beperkt. (…)

De besluitvorming tot wijziging van een reconstructieplan is met waarborgen omkleed. (…) Op grond van urisprudentie van de Afdeling moet voorts worden aangenomen dat de in het onderhavige reconstructieplan neergelegde beleidsuitspraak, inhoudende dat een uitbreiding van bouwblokken in extensiveringsgebieden is toegestaan om te kunnen voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake dierenwelzijn, ofschoon niet rechtstreeks doorwerkend naar geldende bestemmingsplannen, wel bij de vaststelling en toetsing van een bestemmingsplan dient te worden betrokken. (…) Met de vaststelling van artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening is deze beleidsuitspraak uit het reconstructieplan betekenisloos geworden. Dit voorschrift verbiedt immers elke uitbreiding van bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden. De Verordening heeft in materieel opzicht derhalve dezelfde gevolgen als een wijziging van het reconstructieplan, evenwel zonder dat bij de totstandkoming ervan de waarborgen in acht zijn genomen waarmee in de Rcw de totstandkoming van reconstructieplannen is omkleed. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt dit zich niet met de Rcw.”

Zoals uit deze rechtsoverwegingen van rechtbank ’s-Hertogenbosch blijkt, heeft de provincie bij de vaststelling van de Verordening Ruimte bewust gekozen voor afwijking van het reconstructieplan. Met de vaststelling van de Verordening Ruimte – waarbij meer specifiek wordt gedoeld op artikel 9.2 – is de betekenis van voornoemde beleidsuitspraak in het reconstructieplan komen te vervallen. Artikel 9.2 van de Verordening Ruimte verbiedt – anders dan het reconstructieplan – immers iedere uitbreiding van bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de Verordening Ruimte in materieel opzicht dezelfde gevolgen heeft als een wijziging van het reconstructieplan. Bij de totstandkoming van de Verordening Ruimte zijn evenwel niet de waarborgen in acht genomen waarmee in de Reconstructiewet de totstandkoming van reconstructieplannen is omkleed. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat artikel 9.2 lid 4 van de Verordening Ruimte in strijd is met de Reconstructiewet en dientengevolge verbindende kracht mist. De rechtbank heeft artikel 9.2 lid 4 van de Verordening Ruimte derhalve onverbindend verklaard.

Deze uitspraak heeft naar mijn mening tot gevolg dat eenmalige uitbreiding van bouwblokken (in extensiveringsgebieden) is toegestaan om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde gestelde huisvestingseisen. De uitbreiding dient daarbij wel te passen binnen het reconstructieplan en het vigerend bestemmingsplan, waarbij tevens de ontheffingsmogelijkheden worden inbegrepen.

Reconstructieplannen

Voornoemde uitspraak van rechtbank ’s-Hertogenbosch blijkt voor de provincie Noord-Brabant aanleiding te zijn voor een procedure tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen. Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (in het vervolg: het college van GS) heeft daartoe op 20 december 2011 een ontwerpbesluit vastgesteld (http://brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/platteland/intensieve-veehouderij/intrekking-gebieds_en-reconstructieplannen.aspx?rel=7039AA7AF83543DBAD442F897DD388A1).

In het ontwerpbesluit zelf staat vermeld dat de aanleiding voor het ontwerp is gelegen in de omstandigheid dat de provinciale belangen met betrekking tot de beleidsvelden uit de vigerende reconstructie- en gebiedsplannen in nadien vastgestelde provinciale plannen en verordeningen voldoende zijn gewaarborgd. Dientengevolge zouden de reconstructie- en gebiedsplannen kunnen worden ingetrokken. Uit een Statenvoorstel van het college van GS aan de Provinciale Staten blijkt evenwel dat de aanleiding voor het ontwerp is gelegen in de uitspraak van rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 december 2011 (http://brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/platteland/intensieve-veehouderij/intrekking-gebieds_en-reconstructieplannen.aspx?rel=2DC105963E4149D181BD788EF2B4DEA8).

“Naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 1 december jl. wordt voorgesteld een procedure te staren tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen. (…) Aangezien de rechter er van uitgaat dat er momenteel twee regiems gelden, wordt ter meerdere zekerheid voorgesteld de reconstructie- en gebiedsplannen formeel in te trekken.”

Het ontwerpbesluit is (vooralsnog) niet in lijn met de Reconstructiewet. De Reconstructiewet stelt het voorhanden hebben van een reconstructieplan namelijk verplicht. Het wijzigen van een reconstructieplan is wel mogelijk, doch het intrekken van een reconstructieplan niet. Desondanks stelt het college van GS dat er thans meerdere redenen zijn om toch tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen over te gaan. De voornaamste redenen hiervoor zijn de volgende:

De uitspraak van rechtbank ‘s-Hertogenbosch gaat uit van het bestaan van twee met elkaar strijdige regiems. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat de Verordening Ruimte afwijkt van het reconstructieplan. Bij de vaststelling van de Verordening Ruimte is bewust gekozen voor afwijking van het reconstructieplan. De Verordening Ruimte heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank materieel dezelfde gevolgen als een wijziging van het reconstructieplan, doch bij de totstandkoming van de Verordening Ruimte zijn niet de waarborgen in acht genomen waarmee in de Reconstructiewet de totstandkoming van reconstructieplannen is omkleed.

In plaats van een wijziging van de reconstructieplannen is het college van GS thans kennelijk voornemens om de reconstructie- en gebiedsplannen in te trekken. Daarvoor geeft zij voorts de volgende redenen.

Het voornemen om de Reconstructiewet in te trekken. Blijkens het Statenvoorstel wordt dit voornemen meegenomen in de wijziging van de Wet inrichting landelijk gebied. Hiervoor zou reeds een wetsontwerp zijn opgesteld. Vooralsnog ontbreekt evenwel een formeel wetsvoorstel tot intrekking van de Reconstructiewet. Blijkens een bericht in het Agrarisch Dagblad (23 december 2011) heeft een woordvoerder van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gemeld dat als het bestuursakkoord – waarop hierna zal worden ingegaan – er komt, de Reconstructiewet inderdaad opnieuw wordt bekeken in het kader van de Wet inrichting landelijk gebied. “Het zou inderdaad kunnen leiden tot intrekking of buiten werking stelling van die wet.” Van intrekking van de Reconstructiewet is vooralsnog dus nog geen sprake. Nu de Reconstructiewet derhalve (vooralsnog) haar werking behoudt en bovendien het voorhanden hebben van reconstructieplannen verplicht stelt, ontbreekt naar mijn mening een formele grondslag voor het ontwerpbesluit tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen.

Het college van GS geeft in het Statenvoorstel voorts aan dat de intrekking van de Reconstructiewet ook zou passen binnen het bestuursakkoord tussen het Rijk en de provincies, waarin de provincies verantwoordelijk worden gehouden voor de inrichting van het landelijk gebied en voor het regionale beleid voor onder meer natuur, landschap en structuurversterking van de landbouw. Uit het bestuursakkoord blijkt inderdaad dat provincies verantwoordelijk worden voor het landelijk gebied en het regionaal beleid voor voornoemde onderwerpen. Van belang is evenwel dat de Provinciale Staten van Noord-Brabant tégen het bestuursakkoord hebben gestemd; zij zijn derhalve tegen de overdracht van taken voor natuurbeheer aan de provincie. In zoverre is het dan ook opmerkelijk dat de provincie voor de motivering van het ontwerpbesluit tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen verwijst naar het bestuursakkoord, waar zij zelf tegen heeft gestemd.

In het Statenvoorstel geeft het college van GS van de provincie Noord-Brabant voorts aan dat ook in het onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur expliciet genoemd wordt dat de reconstructie van zandgebieden als Rijkstaak vervalt. Dit staat inderdaad in het onderhandelingsakkoord vermeld, doch de vraag is wat de betekenis van dit onderhandelingsakkoord is nu de provincie tegen het bestuursakkoord heeft gestemd en van intrekking van de Reconstructiewet vooralsnog geen sprake is. Indien en voorzover de reconstructie van zandgebieden al zou vervallen als Rijkstaak, brengt dit immers nog niet met zich dat de gehele reconstructie, inclusief de Reconstructiewet, zou komen te vervallen.

Naar aanleiding van het voorgaande kom ik dan ook tot de conclusie dat er een formele noch een deugdelijke basis aan het ontwerpbesluit van het college van GS van de provincie Noord-Brabant ten grondslag ligt.

Reageren

Het ontwerpbesluit van het college van GS van de provincie Noord-Brabant ligt van 22 december 2011 tot en met 1 februari 2012 ter inzage. Gedurende deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend tegen het ontwerpbesluit.

Het indienen van zienswijzen tegen dit ontwerpbesluit is met name van belang voor bedrijven in de provincie Noord-Brabant voor wie op grond van een reconstructieplan nog wel uitbreidingsmogelijkheden bestonden, doch welke mogelijkheden in de Verordening Ruimte zijn komen te vervallen. Dit geldt te meer nu de rechtbank ’s-Hertogenbosch de Verordening Ruimte (gedeeltelijk) onverbindend heeft verklaard wegens strijd met de Reconstructiewet concentratiegebieden.

Indien u naar aanleiding van het voorgaande vragen hebt of juridisch wenst te worden bijgestaan, kunt u contact met mij opnemen.

mw. mr. Franca Damen

1 31 32 33