Experimenteerruimte voor overbelaste situaties veehouderij

In een aantal provincies komt er experimenteerruimte voor overbelaste situaties in de veehouderij. Het bevoegd gezag kan dan bijvoorbeeld maatregelen aan veehouderijen opleggen om de overbelasting naar de omgeving toe te beperken. Dit blijkt uit de voorgestelde 21e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

In het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) kunnen projecten worden opgenomen waarin – bij wijze van experiment – mag worden afgeweken van bestaande wet- en regelgeving. Over een voorbeeld kun je hier meer lezen.

Aan het BuChw worden regelmatig nieuwe projecten toegevoegd. Vorige maand is er een weer een voorstel gedaan om een aantal projecten aan het BuChw toe te voegen. Dit wordt ook wel de 21e tranche van het BuChw genoemd. Een van de voorgestelde projecten ziet op experimenteerruimte voor innovatie in de landbouw. Een ander voorgesteld project ziet juist op mogelijkheden voor het bevoegd gezag om in te grijpen in overbelaste situaties in de veehouderij. Deze mogelijkheden zullen – na inwerkingtreding van de 21e tranche – alleen gelden in de provincies Gelderland, Limburg en Noord-Brabant.

Maatregelen opleggen

Een van de mogelijkheden die het bevoegd gezag krijgt, is het voorschrijven van maatregelen die de emissie van geur, ammoniak of fijnstof verminderen. Het bevoegd gezag kan die maatregelen voorschrijven als de nadelige gevolgen van deze emissies verder kunnen of moeten worden beperkt vanwege:

  1. de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu;
  2. de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu;
  3. de cumulatieve gevolgen van de emissie van geur, ammoniak of fijnstof door veehouderijen;
  4. door het bevoegd gezag vastgesteld beleid voor verbetering van de luchtkwaliteit; of
  5. onaanvaardbare geurhinder (waarover hierna meer).

Daarbij mag het bevoegd gezag ook de mogelijkheid van intern salderen in het Besluit emissiearme huisvesting beperken.

Vergunningvoorschriften wijzigen

Ook krijgt het bevoegd gezag de mogelijkheid om vergunningvoorschriften te wijzigen. Dat mag het bevoegd gezag doen vanwege dezelfde redenen als hiervoor genoemd onder punt 3-5. Ook hierbij mag het bevoegd gezag afwijken van het Besluit emissiearme huisvesting en de daarin opgenomen mogelijkheid van intern salderen.

Vergunning intrekken

Verder krijgt het bevoegd gezag de mogelijkheid om een omgevingsvergunning van een veehouderij geheel of gedeeltelijk in te trekken als sprake is van onaanvaardbare geurhinder.

Onaanvaardbare geurhinder

Om te bepalen of sprake is van onaanvaardbare geurhinder moet in ieder geval rekening worden gehouden met de volgende aspecten:

  • lokaal geurbeleid;
  • de individuele en cumulatieve geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;
  • de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt;
  • de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking tot geurhinder;
  • de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting; en
  • de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.

Dit sluit bijna helemaal aan bij de bepaling over onaanvaardbare geurhinder in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. Interessant in dat kader is een uitspraak die de Raad van State hierover eerder deed in relatie tot een verleende vergunning.

Afwijkende geurregels

Tot slot voorziet de voorgestelde regeling in de mogelijkheid om af te wijken van de geurregels (in de Wet geurhinder en veehouderij respectievelijk het Activiteitenbesluit). Het bevoegd gezag kan namelijk een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij weigeren als niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de veehouderij of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld.

Ook kan het bevoegd gezag afwijken van de zogeheten ‘50%-regeling’ voor geur. Op grond van deze regeling kunnen veehouderijen die niet aan de geurnorm voldoen, toch uitbreiden. Zij kunnen dat doen door geurbelastingreducerende maatregelen te nemen. De helft van de geurreductie mag dan worden gebruikt voor de uitbreiding.

Op grond van de voorgestelde regeling mag het bevoegd gezag bepalen dat niet de volledige 50% gebruikt mag worden voor de uitbreiding. De ontwikkelruimte kan dus worden beperkt binnen de bandbreedte van 0-50%. Dat geldt zowel voor vergunningplichtige als niet vergunningplichtige veehouderijen.

De manier waarop het bevoegd gezag invulling geeft aan deze bevoegdheid, moet worden vastgelegd in beleidsregels of in een gemeentelijke geurverordening. Dit is naar mijn mening opmerkelijk te noemen. Voor het vaststellen van die beleidsregels zou namelijk het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn, terwijl voor het vaststellen van een geurverordening de gemeenteraad bevoegd gezag is.

Slot

De hiervoor genoemde mogelijkheden gaan pas gelden als het voorstel hiervoor (al dan niet gewijzigd) wordt vastgesteld en in werking treedt.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Experimenteerruimte voor innovatie in de veehouderij

In een aantal provincies komt er experimenteerruimte voor innovatie in de veehouderij. Het moet mogelijk worden om innovatieve systemen en technieken toe te passen op basis van meetsensoren of een proefstalbeschikking die door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Dit blijkt uit de voorgestelde 21e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

In het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) zijn onder andere projecten opgenomen om te ‘experimenteren’. In die projecten mag – bij wijze van experiment – worden afgeweken van bestaande wet- en regelgeving. Voorbeelden van zo’n projecten zijn bijvoorbeeld bestemmingsplannen waarin vooruitlopend op de Omgevingswet regels mogen worden gesteld die verder gaan dan de reguliere wettelijke ruimte hiervoor (lees hierover hier meer).

Aan het BuChw worden regelmatig nieuwe projecten toegevoegd. Vorige maand is er een weer een voorstel gedaan om een aantal projecten aan het BuChw toe te voegen. Dit wordt ook wel de 21e tranche van het BuChw genoemd. Een van de voorgestelde projecten ziet op mogelijkheden voor het bevoegd gezag om in te grijpen in overbelaste situaties in de veehouderij. Een ander voorgesteld project ziet juist op experimenteerruimte voor innovatie in de landbouw. Deze experimenteerruimte zal – na inwerkingtreding van de 21e tranche – alleen gelden in de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel.

Experiment ammoniakemissie

Het wordt mogelijk om voor innovatieve systemen en technieken af te wijken van de ammoniakemissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Die mogelijkheden gelden voor huisvestingssystemen en additionele technieken die niet in bijlage 1 bij de Rav zijn opgenomen. Er zijn twee mogelijkheden om af te wijken, namelijk:

  • meetsensoren die de feitelijke emissie meten;
  • een bijzondere emissiefactor (proefstalbeschikking) die wordt vastgesteld door het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

In de omgevingsvergunning mag voor de toets aan de Rav, het Besluit emissiearme huisvesting en de regels ten aanzien van zeer kwetsbare gebieden (Wet ammoniak en veehouderij of het Activiteitenbesluit) in plaats van emissiefactoren gebruik worden gemaakt van de meetsensoren of de bijzondere emissiefactor.

Meetsensoren

Bij het toepassen van meetsensoren moet de feitelijke emissie worden gemeten. Die metingen moeten aantonen dat wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting en de Wet ammoniak en veehouderij. In de omgevingsvergunning moeten bovendien twee aanvullende voorschriften worden opgenomen, namelijk:

  • het emissieplafond en de manier waarop wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan (de meetmethode);
  • dat de emissies worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting met sensoren van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode (dit meetprotocol zou begin 2020 beschikbaar komen).

Het emissieplafond mag niet hoger zijn dan het aantal dieren maal de maximale emissiewaarde in het Besluit emissiearme huisvesting.

Bijzondere emissiefactor

In een omgevingsvergunning waarin een bijzondere emissiefactor wordt gebruikt (een proefstalbeschikking), moet worden opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem moeten worden gemeten. Dit is alleen anders als is aangetoond dat al voldoende metingen op andere locaties worden uitgevoerd. De metingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.

Vergunning wijzigen of intrekken

Als blijkt dat het huisvestingssysteem niet voldoende ammoniakemissie reduceert, dan heeft het bevoegd gezag verschillende mogelijkheden.

Het bevoegd gezag kan de vergunningvoorschriften wijzigen indien:

  • uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie per dierplaats per jaar hoger is dan de vastgestelde bijzondere emissiefactor of het emissiereductiepercentage;
  • aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem, of
  • aanvullende eisen nodig zijn voor het meten met sensoren.

Als de vergunningvoorschriften worden gewijzigd, kan het gaan om voorschriften voor extra monitoring, metingen, onderhoud of management of het voorschrijven van een gewijzigde of andere techniek.

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

  • uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie hoger is dan de vastgestelde bijzondere emissiefactor of het emissiereductiepercentage;
  • niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.

Fijnstof

Ook voor fijnstof komt er experimenteerruimte voor innovatieve huisvestingssystemen en technieken. Naast de minister zal namelijk ook het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning een bijzondere emissiefactor voor fijnstof mogen vaststellen (proefstalbeschikking). Dit betekent dat het bevoegd gezag goedkeuring mag verlenen aan het gebruik van een andere emissiefactor of een ander emissiereductiepercentage dan vastgesteld.

In de omgevingsvergunning moet worden opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de techniek moeten worden gemeten, tenzij is aangetoond dat al voldoende relevante metingen op andere locaties worden uitgevoerd. De metingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het Protocol voor meting van fijnstofemissies uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.

Als blijkt dat het huisvestingssysteem niet voldoende fijnstof reduceert, dan heeft het bevoegd gezag verschillende mogelijkheden. Deze mogelijkheden zijn hetzelfde als die voor ammoniakemissie, zoals hiervoor vermeld (wijzigen van de vergunningvoorschriften of geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning).

Niet vergunningplichtige veehouderijen

De experimenteerruimte voor innovatieve systemen en technieken zoals hiervoor toegelicht, geldt ook voor niet vergunningplichtige veehouderijen. Dit wordt mogelijk gemaakt door voor deze bedrijven een ‘omgevingsvergunning innovatie’ te verlenen. Dit wordt een nieuwe categorie voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en sub i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In die gevallen kan de omgevingsvergunning overigens worden geweigerd vanwege de aard of locatie van de activiteit.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Wijziging Regeling ammoniak en veehouderij

Afgelopen periode lag een concept wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij ter inzage. Deze wijziging ziet op de bescherming van (de fabrikanten en leveranciers van) nieuwe huisvestingssystemen voor de veehouderij.

Achtergrond

Als een nieuw huisvestingssysteem wordt ontwikkeld, is het de bedoeling dat hieraan een ammoniakemissiefactor wordt toegekend. Deze emissiefactor wordt dan opgenomen in bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Zodra dat is gedaan, kunnen veehouders het huisvestingssysteem in hun veehouderij toepassen en daarbij uitgaan van de vastgestelde ammoniakemissiefactor.

Voordat voor een nieuw huisvestingssysteem een ammoniakemissiefactor in de Rav wordt opgenomen, moeten eerst metingen worden uitgevoerd. Die metingen moeten de emissiereducerende werking van het huisvestingssysteem aantonen. De initiatiefnemer (meestal een fabrikant) laat deze metingen voor zijn rekening en risico beoordelen.

Als de emissiereducerende werking voldoende is, dan wordt een definitieve ammoniakemissiefactor voor het huisvestingssysteem in de Rav opgenomen. Ook wordt dan een technische beschrijving van het huisvestingssysteem vastgesteld. Daarna kan iedere fabrikant aan de hand van deze beschrijving een soortgelijk huisvestingssysteem bouwen en zonder te meten op de markt brengen.

Dit kan ertoe leiden dat het voor fabrikanten moeilijk is om de gemaakte kosten voor het ontwikkelen en meten van een nieuw huisvestingssysteem terug te verdienen. Hierdoor kan de ontwikkeling van nieuwe huisvestingssystemen worden geremd. Daarnaast zijn er onzekerheden over de kwaliteit van huisvestingssystemen die op de markt worden gebracht zonder dat deze zijn bemeten. Dit heeft risico’s voor het milieu.

Daarom bestaat de wens dat iedere fabrikant een nieuw ontwikkeld huisvestingssysteem moet laten meten.

Wijziging

Om te waarborgen dat alle nieuwe huisvestingssystemen worden gemeten, wordt de Rav gewijzigd. Hiervoor heeft van 19 december 2019 tot 29 januari 2020 een concept ter inzage gelegen. Als deze wijziging in werking treedt, betekent dit het volgende.

De definitieve emissiefactor voor een nieuw huisvestingssysteem geldt alleen voor een huisvestingssysteem dat is geleverd door of namens degene die de metingen aan het systeem heeft laten beoordelen. Dat kan de fabrikant zijn of een licentiehouder die het systeem namens de fabrikant op de markt brengt.

Deze nieuwe regel geldt alleen voor:

  • huisvestingssystemen die na de inwerkingtreding van deze nieuwe regel worden opgenomen in bijlage 1 bij de Rav en
  • huisvestingssystemen die al in bijlage 1 bij de Rav waren opgenomen en waarbij eindnoot 28 of 19 is vermeld.

De nieuwe regel geldt dus niet voor huisvestingssystemen waarvoor al een definitieve emissiefactor in bijlage 1 bij de Rav was opgenomen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Vleesvee toch (weer) fosfaatrechten nodig

Het stelsel van fosfaatrechten is een behoorlijke puinhoop. Die puinhoop is met drie uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 16 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:139, 140 en 141) nog groter geworden dan dat die al was. Het CBb heeft namelijk geoordeeld dat vleesvee onder de definitie van ‘melkvee’ in de Meststoffenwet valt en dat dit niet met een beleidsregel kan worden gewijzigd. Dit betekent dat vleesvee toch (weer) onder het stelsel van fosfaatrechten valt.

Wat was er aan de hand?

De uitspraken gaan over de fosfaatbeschikkingen van veehouders die op 2 juli 2015 jongvee hadden, dat is afgevoerd zonder te hebben afgekalfd. Twee van de drie veehouders hebben aanvankelijk fosfaatrechten toegekend gekregen voor dit jongvee. Deze fosfaatrechten zijn op een later moment echter weer ingetrokken. De derde veehouder heeft voor dit jongvee geen fosfaatrechten toegekend gekregen.

De veehouders zijn van mening dat zij voor het betreffende jongvee ten onrechte geen fosfaatrechten toegekend hebben gekregen. Daarom hebben zij beroep ingediend tegen hun fosfaatbeschikking.

Juridisch kader

Een landbouwer mag op grond van artikel 21b van de Meststoffenwet in een kalenderjaar niet meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik naar mijn blog ‘Wetsvoorstel fosfaatrechten melkveehouderij bekend gemaakt’.

In de Meststoffenwet is de volgende definitie van melkvee opgenomen:

“1. melk- en kalfkoeien, te weten koeien (bos taurus) die ten minste éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden met inbegrip van koeien die drooggezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;

2. jongvee jonger dan 1 jaar voor de melkveehouderij, en vrouwelijke opfokkalveren voor de vleesveehouderij tot 1 jaar en

3. jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren.”

Op 20 juli 2018 is de Beleidsregel fosfaatrechten jongvee in werking getreden (Staatscourant 2018, 38996). Deze beleidsregel bepaalt dat voor de toepassing van het fosfaatrechtenstelsel onder ‘jongvee ouder dan 1 jaar, te weten alle runderen van 1 jaar en ouder inclusief overig vleesvee, maar met uitzondering van roodvleesstieren en fokstieren’ wordt verstaan vrouwelijk jongvee voor de melkveehouderij en jongvee van 1 jaar en ouder dat bestemd is om zoogkoe te worden.

Het begrip ‘overig vleesvee’ ziet voor de toepassing van het fosfaatrechtenstelsel volgens de beleidsregel dus niet op jongvee dat alleen wordt gehouden voor de productie van vlees en niet om een kalf te krijgen. Die dieren worden beschouwd als roodvleesstier (inclusief vrouwelijke dieren die op dezelfde manier worden gemest als roodvleesstieren) en zijn uitgezonderd van het begrip melkvee.

Oordeel van de rechter

Het CBb stelt vast dat wat in de beleidsregel onder jongvee ouder dan 1 jaar moet worden verstaan, niet overeenkomt met de tekst van de Meststoffenwet. De tekst van de wet is duidelijk: onder jongvee van 1 jaar en ouder vallen alle runderen van 1 jaar of ouder, inclusief overig vleesvee, behalve roodvleesstieren en fokstieren. In de toelichting op de Meststoffenwet heeft de wetgever ook meerdere keren bevestigd dat een deel van het jonge vleesvee, namelijk dieren in de categorieën 101 en 102, juist wel onder de definitie van melkvee valt.

De manier waarop de Minister het begrip ‘melkvee’ interpreteert in de beleidsregel, is een beperking van de in de Meststoffenwet vastgestelde definitie. Dat sprake zou zijn van een onduidelijk begrip, volgt niet uit de wetsgeschiedenis. Bovendien heeft de beleidsregel alleen betrekking op de toepassing van de voor het fosfaatrechtenstelsel relevante bepalingen in de Meststoffenwet en niet op andere bepalingen in deze wet.

De Meststoffenwet biedt geen ruimte voor een nadere invulling van het begrip ‘melkvee’ in een (wetsinterpreterende) beleidsregel. De Minister mocht het begrip ‘melkvee’ dan ook niet beperken in een beleidsregel.

Wat de Minister heeft aangevoerd over de goedkeuringsbeschikking staatssteun van de Europese Commissie, doet hier niets aan af. De Europese Commissie heeft goedkeuring verleend aan de wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van het fosfaatrechtenstelsel. Dit impliceert, aldus het CBb, dat voor zover deze wetswijziging meebrengt dat vleesvee ook onder het fosfaatrechtenstelsel valt, verlening van fosfaatrechten niet in strijd is met de regels met betrekking tot staatssteun.

Gelet hierop verklaart het CBb de beroepen van de veehouders gegrond. De Minister moet nieuwe beslissingen op de bezwaren van de veehouders nemen met inachtneming van de uitspraak van het CBb.

mw. mr. Franca Damen

CBb: fosfaatrechten individuele en disproportionele last?

Het stelsel van fosfaatrechten kan voor melkveehouderijen tot een individuele en disproportionele last leiden. Of sprake is van zo’n individuele en disproportionele last, moet de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beoordelen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft hierover op 17 oktober 2018 een uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2018:522).

Fosfaatrechten

Op 1 januari 2018 is het stelsel van fosfaatrechten ingevoerd. Dit stelsel is opgenomen in de Meststoffenwet. De belangrijkste bepaling is artikel 21b, eerste lid, Meststoffenwet. Hierin staat het verbod om op een bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.”

Hoe het fosfaatrecht voor een bedrijf wordt vastgesteld, is vastgelegd in artikel 23, derde lid, Meststoffenwet:

“Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht (…) komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 496 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd. (…)

Peildatum

De peildatum voor het stelsel van fosfaatrechten is dus 2 juli 2015. Bepalend is welk melkvee op die datum op het bedrijf is gehouden. Daaronder moet volgens het CBb het volgende worden verstaan:

“(…) heeft te gelden dat “melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden” betekent: melkvee dat op enig moment op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden. Dat dit mogelijk tot dubbeltellingen leidt doet daar niet aan af. In de betrokken bepaling is voor de handelwijze van verweerder onvoldoende basis. Dit klemt te meer omdat de keuze om afgevoerde dieren niet en aangevoerde dieren wel mee te tellen een zekere mate van willekeur heeft.”

Dit blijkt uit een andere uitspraak van het CBb van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:523).

Beperkingen

Het stelsel van fosfaatrechten leidt in de praktijk voor veel melkveehouderijen tot beperkingen. De grootste beperkingen doen zich voor bij melkveehouderijen die vóór 2 juli 2015 (de peildatum) onomkeerbare financieringsverplichtingen zijn aangegaan. Voor deze bedrijven voorziet het stelsel van fosfaatrechten niet in een knelgevallenregeling.

Veel van deze melkveehouderijen stellen dat het stelsel van fosfaatrechten voor hen daarom tot een individuele en disproportionele last leidt en dat er daarom sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM (artikel 1 EP).

Vergelijking fosfaatreductieplan

Deze discussie is ook aan de orde geweest in het kader van fosfaatreductieplan. Daarover heeft zowel de civiele rechter als het CBb een uitspraak gedaan.

In deze uitspraken is het fosfaatreductieplan in algemene zin acceptabel geacht. Maar voor individuele melkveehouderijen kan er sprake zijn van een individuele en disproportionele last.

Artikel 1 EP fosfaatrechten

Het fosfaatrecht levert – net als het fosfaatreductieplan – een inmenging (regulering) in de eigendom van melkveehouders op. Een inmenging is op grond van artikel 1 EP alleen gerechtvaardigd als de inmenging:

  • bij wet is voorzien,
  • een algemeen belang dient en
  • proportioneel is.

In de uitspraak van 17 oktober 2018 heeft het CBb beoordeeld of het stelsel van fosfaatrechten in overeenstemming is met artikel 1 EP.

Criterium 1 van artikel 1 EP: bij wet voorzien

Het stelsel van fosfaatrechten heeft een wettelijke basis in het nationale recht. Daarom wordt aan het eerste criterium voldaan.

Criterium 2 van artikel 1 EP: algemeen belang

Bij de beoordeling of sprake is van een algemeen belang, heeft de overheid een ruime beoordelingsvrijheid. Binnen deze vrijheid mocht de Minister oordelen dat derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient.

Volgens het CBb mocht de Minister daarom oordelen dat het stelsel van fosfaatrechten én de generieke korting voor niet grondgebonden bedrijven het algemeen belang dienen. Daarom wordt volgens het CBb aan het tweede criterium voldaan.

Criterium 3 van artikel 1 EP: proportioneel

Om te beoordelen of aan het derde criterium wordt voldaan, moet eerst worden getoetst op het niveau van het stelsel van fosfaatrechten als zodanig en daarna op individueel bedrijfsniveau.

Voor de beoordeling op het niveau van het stelsel van fosfaatrechten als zodanig onder andere de voorzienbaarheid van belang. Naar het oordeel van het CBb was het voor melkveehouders te verwachten dat na de afschaffing van het melkquotum in geval van ongebreidelde groei mogelijk toch nog andere maatregelen, zoals productiebeperkende maatregelen, zouden volgen. Daarvoor verwijst het CBb onder andere naar de Kamerbrieven van 18 januari 2013 en 12 december 2013. Het CBb heeft dit ook geoordeeld in het kader van het fosfaatreductieplan.

Dat de peildatum voor het stelsel van fosfaatrechten in het verleden ligt, is gelet op het belang van het stelsel en de effectiviteit van de voorziene maatregelen in algemene zin niet ontoelaatbaar of onevenredig.

Naar het oordeel van het CBb is het stelsel van fosfaatrechten als zodanig daarom acceptabel. Met andere woorden: volgens het CBb is het stelsel van fosfaatrechten als zodanig proportioneel en in zoverre in overeenstemming met artikel 1 EP.

Maar is het stelsel van fosfaatrechten ook proportioneel als wordt getoetst op individueel bedrijfsniveau? Het CBb erkent dat melkveehouderijen zwaar getroffen kunnen zijn door de invoering van het stelsel van fosfaatrechten.

De waarde van de fosfaatrechten maakt voor hen dat een tekort aan rechten niet eenvoudig kan worden aangevuld. Dat treft ook bedrijven die (…) vergunningen hebben verkregen voor de start of uitbreiding van het bedrijf en op die basis investeringen hebben gedaan. In die omstandigheden is het College van oordeel, in lijn met het oordeel van het College in de uitspraken van 21 augustus 2018 (onder meer ECLI:NL:CBB:2018:414) en 15 juni 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:149), dat de gevolgen niet per se categoriaal op grond van ondernemersrisico voor rekening van bedrijven komen.”

Met andere woorden: het stelsel van fosfaatrechten kan voor individuele melkveehouderijen een individuele en disproportionele last vormen.

Bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een individuele en disproportionele last, spelen onder andere de volgende omstandigheden een rol:

  • de mate waarin een uitzondering wordt gemaakt op de toekenning van fosfaatrechten;
  • welke alternatieve, flankerende, maatregelen worden geboden.

Beperkte voorzieningen en het ontbreken van een overgangstermijn zullen sneller tot de conclusie leiden dat sprake is van een buitensporige last in het individuele geval. Daarbij is ook het volgende van belang:

“De conclusie dat iemand in het bijzonder geraakt wordt kan daarbij gerechtvaardigd worden door de bijzonder zware financiële last die het gevolg is van de ingevoerde maatregel. (…) De bijzonderheid kan gelegen zijn in de mate waarin de melkveehouder getroffen wordt en of daarbij de melkveehouder ook privé wordt geraakt. Bij die beoordeling speelt uiteraard wel een rol tot welk verlies de maatregel precies leidt, waarbij de mogelijkheid van alternatieve aanwending onder meer een rol speelt. (…) Daarnaast kunnen andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat in dat bijzondere geval het niet toekennen van fosfaatrechten of compensatie disproportioneel is.”

Het CBb heeft in de uitspraak geen nadere criteria gegeven die van belang zijn voor de beoordeling of sprake is van een individuele en disproportionele last.

Gevolgen van de uitspraak

Het is spijtig dat er voor melkveehouders nu nog steeds geen duidelijkheid is. Dat komt onder andere doordat de Minister geen individuele beoordeling heeft uitgevoerd. De Minister heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat er in gevallen waar alleen financiële omstandigheden spelen, nimmer sprake kan zijn van een disproportionele last.

Het CBb heeft duidelijk gemaakt dat dit standpunt geen stand houdt. Dit standpunt doet namelijk niet volledig recht aan de toets die artikel 1 EP vereist.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 7