Handreiking Vervoermanagement niet verplicht

De Handreiking Vervoermanagement is niet verplicht om te gebruiken in een omgevingsvergunning. De nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar een inrichting hoeven dus niet aan de hand van de Handreiking Vervoermanagement te worden beoordeeld. Dit oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1260).

Wat was er aan de hand?

De uitspraak gaat over een omgevingsvergunning milieu voor het samenvoegen van het Sophia Kinderziekenhuis, het Erasmus MC en de Medische Faculteit tot één inrichting.

Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden over onderzoek ten behoeve van een besparingsplan voor goederenvervoer en personenvervoer over de weg van en naar de locaties van Erasmus MC. In deze voorschriften is onder andere voorgeschreven dat ten minste de relevante verbetermaatregelen, die zijn opgenomen in de landelijke Handreiking Vervoermanagement, gemotiveerd te worden afgewogen op haalbaarheid in de eigen specifieke situatie.

Volgens Erasmus MC bestaat geen wettelijke grondslag voor deze voorschriften. Daarom heeft Erasmus MC (hoger) beroep ingediend tegen de omgevingsvergunning.

Juridisch kader

Aan een omgevingsvergunning milieu moeten de voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het belang van de bescherming van het milieu. Dit volgt uit artikel 2.22, tweede lid, in samenhang met artikel 2.14, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Onder de gevolgen van het milieu worden mede verstaan de gevolgen die verband houden met het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting. Dit volgt uit artikel 1.1, tweede lid, van de Wabo in samenhang met artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer.

De gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de inrichting worden niet aan de inrichting toegerekend als dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval als dit verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Dit geldt voor alle nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de inrichting, zoals geluidhinder (ECLI:NL:RVS:2013:3022), trillinghinder (ECLI:NL:RVS:2013:2215) en stofhinder (ECLI:NL:RVS:2004:AO7513).

Oordeel van de rechter

De nadelige gevolgen voor het milieu van verkeer van en naar de inrichting kunnen slechts over een relatief beperkte afstand aan het in werking zijn van een inrichting worden toegerekend en daarmee gevolgen voor het milieu hebben. Erasmus MC kan dan ook niet met een omgevingsvergunning milieu verplicht worden tot het onderzoeken of treffen van maatregelen ter beperking van emissies van het verkeer van en naar de inrichting over het gehele vervoerstraject zoals de vergunning eist.

Bovendien wordt in de Handreiking Vervoermanagement verwezen naar de algemene zorgplicht van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer voor het geval geen voorschriften aan de omgevingsvergunning zijn verbonden. De voor een inrichting geldende omgevingsvergunning is echter bepalend voor de reikwijdte van de zorgplicht die bij de exploitatie van de inrichting in acht moet worden genomen.

Als een bevoegd gezag van mening is dat aan de exploitatie van een inrichting strengere eisen moeten worden gesteld in verband met de bescherming van het milieu, kan het niet overgaan tot handhaving wegens overtreding van de zorgplicht in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, maar moet het in zoverre voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden.

Als het niet mogelijk is om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden, omdat de Wabo en de Wet milieubeheer geen grondslag bieden voor het stellen van vergunningvoorschriften die betrekking hebben op niet aan de inrichting toerekenbare gevolgen voor het milieu, dan bestaat er ook geen ruimte voor handhaving wegens overtreding van de zorgplicht in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer.

De Raad van State verklaart het hoger beroep daarom gegrond en vernietigt de bestreden vergunningvoorschriften waarin onderzoek ten behoeve van een besparingsplan voor goederenvervoer en personenvervoer over de weg van en naar de locaties van Erasmus MC, met toepassing van de Handreiking Vervoermanagement, is voorgeschreven.

mw. mr. Franca Damen

Geen m.e.r.-beoordeling voor aanvraag omgevingsvergunning bouwen

Voor de vestiging of ontwikkeling van een bedrijf is vaak een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten nodig, bijvoorbeeld voor bouwen en milieu. Die activiteiten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat betekent dat voor deze activiteiten één omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Dat kan wel in meerdere fases. Maar als voor de vestiging of de ontwikkeling ook een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, moet dat dan voor de vergunningaanvraag eerste fase of tweede fase? Op 3 april 2019 heeft de Raad van State hier een uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:1013).

Oordeel van de rechter

Naar het oordeel van de Raad van State hoeft de milieueffectbeoordeling (m.e.r.-beoordeling) pas te worden uitgevoerd voorafgaand aan de fase waarin de omgevingsvergunning milieu wordt aangevraagd. Dit betekent dat als de aanvraag om een omgevingsvergunning eerste fase ziet op de activiteit bouwen en de de tweede fase op de activiteit milieu, de m.e.r.-beoordeling voorafgaand aan de vergunningaanvraag tweede fase moet worden uitgevoerd. Een aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen mag dan ook niet buiten behandeling worden gelaten vanwege het ontbreken van een m.e.r.-beoordeling.

Vergelijking met andere uitspraken

Hiermee wijkt de Raad van State af van het oordeel van de rechtbank over deze zaak (rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2018:913). De rechtbank had namelijk geoordeeld dat een redelijke uitleg van de relevante wet- en regelgeving met zich brengt dat in de gevallen waarin de uiteindelijke omgevingsvergunning m.e.r.-beoordelingsplichtig is, het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt ingediend bij de aanvraag om de omgevingsvergunning eerste fase. Dit oordeel had de rechtbank gebaseerd op de toelichting op artikel 4.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor een nadere toelichting verwijs ik naar mijn blog ‘MER-beoordeling bij vergunningaanvraag 1e of 2e fase?’.

De uitspraak van de Raad van State sluit daarentegen wel aan bij een eerdere uitspraak van de Raad van State, namelijk een uitspraak van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3212). In die uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de aanvraag om een omgevingsvergunning tweede fase voor de activiteit bouwen niet buiten behandeling mocht worden gelaten vanwege het ontbreken van een m.e.r.-beoordeling. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar mijn blog ‘Gevolgen van ontbreken MER-beoordeling bij gefaseerde vergunningaanvraag’.

Motivering van het oordeel

Dat een aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen niet buiten behandeling mag worden gelaten vanwege het ontbreken van een m.e.r.-beoordeling, volgt uit de wet- en regelgeving. De activiteit bouwen valt namelijk niet onder het toepassingsbereik van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Artikel 7.28, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) is dan ook niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen. Daarom kan dit artikel niet dienen als grondslag om een aanvraag om een omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit bouwen buiten behandeling te laten. De omstandigheid dat de activiteiten bouwen en milieu onlosmakelijk met elkaar samenhangen, maakt die conclusie niet anders.

Ook artikel 4.5, derde lid, van het Bor kan er niet toe leiden dat de aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen op grond van artikel 7.28, tweede lid, van de Wm buiten behandeling moet worden gelaten. Artikel 4.5, derde lid, van het Bor is in dit geval namelijk niet van toepassing. Dit artikellid bepaalt dat als voor een omgevingsvergunning een m.e.r. moet worden gemaakt, de m.e.r. bij de aanvraag om een beschikking met betrekking tot de eerste fase wordt ingediend.

De verplichting om een m.e.r. op te stellen, kan voortvloeien uit de m.e.r.-plicht en uit een m.e.r.-beoordelingsbesluit waarin het bevoegd gezag beslist dat een m.e.r. moet worden gemaakt, aldus de Raad van State. Maar uit de bewoordingen van artikel 4.5, derde lid, van het Bor kan niet worden afgeleid dat deze bepaling ook van toepassing is in een situatie waarin het bevoegd gezag nog geen m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft genomen waaruit de verplichting tot het opstellen van een m.e.r. volgt.

Als een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu gefaseerd wordt aangevraagd en er sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, dan moet de m.e.r.-beoordeling dus worden uitgevoerd voorafgaand aan de fase waarin de omgevingsvergunning milieu wordt aangevraagd.

mw. mr. Franca Damen

Gevolgen van ontbreken MER-beoordeling bij gefaseerde vergunningaanvraag

Wat zijn de gevolgen voor een gefaseerde aanvraag om een omgevingsvergunning als de vereiste milieueffectrapport-beoordeling ontbreekt? Moet de vergunningaanvraag dan voor beide fases buiten behandeling worden gelaten? Op 3 oktober 2018 heeft de Raad van State hier een duidelijke uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RVS:2018:3212).

Wat was er aan de hand?

Een veehouder heeft voor het uitbreiden van zijn bedrijf een omgevingsvergunning aangevraagd. Hij heeft ervoor gekozen om de omgevingsvergunning gefaseerd aan te vragen:

  • eerste fase: omgevingsvergunning milieu;
  • tweede fase: omgevingsvergunning bouwen en planologisch strijdig gebruik.

Voor de aanvraag om omgevingsvergunning moest de veehouder een milieueffectrapport-beoordeling (MER-beoordeling) overleggen. De gemeente moest aan de hand daarvan beoordelen of de veehouder een milieueffectrapport (MER) moest maken.

De veehouder heeft (op hoofdlijnen) de volgende stukken ingediend:

  • 26 november 2014: MER-aanmeldnotitie;
  • 28 november 2014: aanvraag omgevingsvergunning eerste fase;
  • 14 juni 2016: aanvraag omgevingsvergunning tweede fase.

Omdat de veehouder bij zijn aanvraag omgevingsvergunning eerste fase geen MER-beoordelingsbesluit of MER had overgelegd, heeft de gemeente deze vergunningaanvraag buiten behandeling gelaten. Om die reden kon de vergunningaanvraag tweede fase volgens de gemeente ook niet in behandeling worden genomen.

In de uitspraak staat de vraag centraal of de gemeente de vergunningaanvraag tweede fase terecht buiten behandeling heeft gelaten.

Juridisch kader

Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor een MER-beoordeling moet worden uitgevoerd, dan moet het bevoegd gezag eerst een MER-beoordelingsbesluit nemen. Pas nadat het MER-beoordelingsbesluit is genomen, kan de vergunningaanvraag worden ingediend.

Als bij de vergunningaanvraag geen MER-beoordelingsbesluit of MER is overgelegd, dan moet het bevoegd gezag de vergunningaanvraag buiten behandeling laten. Dit bepaalt artikel 7.28, tweede lid, Wet milieubeheer.

In het geval een omgevingsvergunning gefaseerd wordt aangevraagd, dan kan de vraag rijzen of de MER-beoordeling voor de vergunningaanvraag eerste fase of tweede fase moet worden overlegd. Over deze vraag heeft rechtbank Oost-Brabant op 28 februari 2018 een interessante uitspraak gedaan.

Oordeel van de rechter

De gemeente heeft de vergunningaanvraag eerste fase terecht buiten behandeling gelaten, omdat de veehouder bij deze vergunningaanvraag ten onrechte geen MER-beoordelingsbesluit of MER had overgelegd.

Er bestaat echter geen wettelijke grondslag om de vergunningaanvraag tweede fase dan ook buiten behandeling te stellen. Dit zou niet in overeenstemming zijn met het systeem van de gefaseerde vergunningverlening als bedoeld in artikel 2.5 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Ook de onlosmakelijke samenhang tussen de activiteit bouwen (tweede fase) en de activiteit milieu (eerste fase) heeft niet tot gevolg dat de vergunningaanvraag tweede fase op grond van artikel 7.28, tweede lid, Wet milieubeheer dan ook buiten behandeling moet worden gelaten. Dat deze activiteiten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, betekent namelijk niet dat de activiteit bouwen om die reden onder het toepassingsbereik van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage valt.

Van belang is nog wel het volgende. Op grond van artikel 2.5, vierde lid, Wabo kan op de vergunningaanvraag tweede fase niet eerder een beslissing worden genomen dan op de vergunningaanvraag eerste fase. Om die reden had de gemeente in dit geval na het buiten behandeling laten van de vergunningaanvraag eerste fase aan de veehouder een redelijke termijn moeten geven om een nieuwe vergunningaanvraag eerste fase (met MER-beoordelingsbesluit of MER) in te dienen.

Vervolgens had de gemeente eerst een beslissing kunnen nemen op de vergunningaanvraag eerste fase en daarna een beslissing op de vergunningaanvraag tweede fase. In de tussentijd had de gemeente de beslissing op de vergunningaanvraag tweede fase moeten aanhouden. Deze aanhoudingsplicht voor de gemeente zou zijn vervallen nadat de gemeente op de nieuwe vergunningaanvraag eerste fase had beslist of nadat de veehouder binnen de door de gemeente gestelde redelijke termijn geen nieuwe vergunningaanvraag eerste fase had ingediend.

mw. mr. Franca Damen

Glycerinewater: afvalstof of bijproduct?

Of een stof een afvalstof of een bijproduct is, is bepalend voor de vraag of op die stof de afvalstoffenwetgeving van toepassing is. Als de afvalstoffenwetgeving niet van toepassing is op een stof, dan is het hergebruik van die stof eenvoudiger. In een uitspraak van de Raad van State van 3 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3219) stond de vraag centraal of glycerinewater, dat vrijkomt bij de productie van biodiesel, als afvalstof of bijproduct moet worden aangemerkt.

Wat was er aan de hand?

Sunoil produceert biodiesel. Daarbij komt glycerinehoudend water vrij. Sunoil verkoopt dit via een tussenhandelaar aan exploitanten van biomassa-vergistingsinstallaties. Het glycerinewater wordt dagelijks afgevoerd. De vergisters gebruiken het glycerinewater voor het produceren van biogas.

Volgens de provincie is het glycerinewater een afvalstof. Dit betekent dat de afvalstoffenwetgeving op het glycerinewater van toepassing is. Sunoil hield zich volgens de provincie niet aan deze wetgeving en heeft daarom een last onder dwangsom opgelegd.

Sunoil heeft tegen deze last onder dwangsom (hoger) beroep ingediend, omdat zij van mening is dat het glycerinewater een bijproduct en geen afvalstof is. In dat geval is de afvalstoffenwetgeving niet van toepassing en is er geen sprake van een overtreding.

Juridisch kader

Onder ‘afvalstoffen’ wordt op grond van artikel 1.1 Wet milieubeheer het volgende verstaan:

“alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.”

Artikel 1.1, zesde lid, Wet milieubeheer bepaalt – voor zover in deze zaak van belang – dat stoffen, mengsels of voorwerpen die bijproducten zijn in de zin van artikel 5 Kaderrichtlijn afvalstoffen, in ieder geval geen afvalstoffen zijn.

Artikel 5, eerste lid, Kaderrichtlijn afvalstoffen – zoals dat gold op het moment van het opleggen van de last onder dwangsom – bepaalde het volgende:

Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als een bijproduct en niet als een afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1), worden aangemerkt, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) het zeker is dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

b) de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;

c) de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en

d) verder gebruik is rechtmatig, m.a.w. de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.”

Op 14 juni 2018 is de Kaderrichtlijn afvalstoffen gewijzigd. Daarbij is ook artikel 5 Kaderrichtlijn afvalstoffen gewijzigd. Meer informatie hierover kunt u hier lezen. De voorwaarden waaraan een stof moet voldoen om als bijproduct te kunnen worden aangemerkt, zijn ongewijzigd gebleven.

Oordeel van de rechter

De Raad van State heeft beoordeeld of het glycerinewater moet worden aangemerkt als afvalstof of als bijproduct. Daarvoor heeft de Raad van State beoordeeld of het glycerinewater voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Verder gebruik

De eerste voorwaarde om het glycerinewater als bijproduct te kunnen aanmerken, is dat het zeker is dat het glycerinewater zal worden gebruikt.

Het glycerinewater wordt al lange tijd daadwerkelijk gebruikt door vergisters. Vergisters betalen een prijs voor het glycerinewater, omdat zij de in het glycerinewater opgenomen stoffen (methanol en glycerine) omzetten in biogas. Het is daarom zeker dat het glycerinewater zal worden gebruikt.

Het verhandelen van een stof via een tussenhandelaar is niet ongebruikelijk. Dat het glycerinewater via een tussenhandelaar wordt verhandeld, verandert (daarom) niets aan het feit dat het zal worden gebruikt.

Dat er, zoals de provincie heeft opgemerkt, geen specifieke productregelgeving is opgesteld voor glycerinewater, verandert ook niets aan het feit dat het glycerinewater zal worden gebruikt.

De provincie heeft verder opgemerkt dat het als afvalstof verwerken van het glycerinewater meer kost dan de verkoopprijs die Sunoil ontvangt. Volgens de provincie is verder gebruik van het glycerinewater daardoor niet zeker. Daartoe heeft de provincie verwezen naar de ‘Guidance on the interpretation of key provisions of Directive 2008/98/EC on waste’ (Guidance). Daarin staat onder andere het volgende:

“On the other hand, the following are examples of indications that future use is uncertain: (…) The financial gain for the waste holder is nominal compared to the cost of waste treatment.”

Volgens de Raad van State wordt hiermee gedoeld op het risico dat wanneer een stof voor de houder ervan geen nut heeft, hij zich op een voor het milieu nadelige manier ontdoet van die stof, bijvoorbeeld door die stof te verwijderen. Dit risico wordt genoemd in de rechtspraak van het Hof van Justitie over het afvalstoffenbegrip.

Als het verkopen van de stof voor gebruik maar een gering financieel voordeel oplevert, kan het risico op het (bijvoorbeeld) verwijderen van die stof groter worden.

Zo’n risico is in deze zaak volgens de Raad van State niet aanwezig. Los van de vraag of de verkoopprijs van het glycerinewater gering is, valt niet in te zien waarom Sunoil het glycerinewater zou verwijderen in plaats van het – onder ontvangst van een vergoeding – dagelijks te laten afvoeren.

Gelet op deze omstandigheden is het volgens de Raad van State zeker dat het glycerinewater zal worden gebruikt.

Onmiddellijk gebruik

De eerste voorwaarde om het glycerinewater als bijproduct te kunnen aanmerken, is dat het zeker is dat het glycerinewater onmiddellijk kan worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is.

Het staat vast dat het glycerinewater direct, zonder enige verwerking, bij de vergisters wordt gebruikt.

De provincie vindt desondanks dat het glycerinewater niet onmiddellijk wordt gebruikt, omdat vergisting geen normaal productieproces is. Volgens de provincie is vergisting een bewerking die moet worden beschouwd als een handeling van nuttige toepassing. De provincie heeft daartoe gewezen op de Guidance. Daarin staat onder andere het volgende:

“However, treatments usually considered as a recovery operation cannot, in principle, be considered as normal industrial practice in this sense.”

Deze passage heeft betrekking op de eis dat de stof “zonder enige verwerking anders dan die welke bij normale productiepraktijken gangbaar is” moet worden gebruikt.

In de Guidance wordt toegelicht dat het feit dat een stof moet worden behandeld voordat hij kan worden gebruikt, een indicatie kan zijn dat een behandeling van afval plaatsvindt. Er moet echter ook rekening worden gehouden met het feit dat ook gewone grondstoffen enige behandeling moeten ondergaan voordat ze kunnen worden gebruikt. In dit verband wordt in de Guidance opgemerkt dat een behandeling van stoffen die meestal wordt beschouwd als een handeling van nuttige toepassing in principe niet als een normale productiepraktijk kan worden beschouwd.

Dit zou in deze zaak van belang kunnen zijn als het glycerinewater, voordat het bij de vergisters wordt ingezet, eerst een behandeling zou moeten ondergaan en deze behandeling zou lijken op een typische handeling van nuttige toepassing.

Het glycerinewater wordt echter in het geheel niet behandeld voordat het bij de vergisters wordt ingezet. Daarmee staat vast dat het glycerinewater onmiddellijk kan worden gebruikt en dat dus aan de tweede voorwaarde wordt voldaan.

Integraal onderdeel productieproces

De derde voorwaarde om het glycerinewater als bijproduct te kunnen aanmerken, is dat het glycerinewater wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces.

Het staat vast dat het glycerinewater geen product is, maar een residu van de productie van biodiesel. Zo’n residu is een afvalstof, tenzij het residu als een bijproduct kan worden aangemerkt. Een van de voorwaarden daarvoor is dat de stof wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van het productieproces.

Dit betekent volgens de Guidance dat een stof daadwerkelijk en integraal in een productieproces tot stand moet komen en niet daarna nog behandelingen moeten worden uitgevoerd waaruit blijkt dat de stof niet integraal in een productieproces tot stand komt.

In dit geval komt het glycerinewater tot stand als integraal onderdeel van het productieproces van biodiesel. Er vinden verder geen behandelingen plaats. Daarmee wordt aan de derde voorwaarde voldaan.

Verder gebruik is rechtmatig

De vierde voorwaarde om het glycerinewater als bijproduct te kunnen aanmerken, is dat het verder gebruik ervan rechtmatig is.

Het glycerinewater wordt rechtmatig gebruikt door vergisters. Daarmee wordt ook aan de vierde voorwaarde voldaan.

Conclusie

De Raad van State komt tot de conclusie dat het glycerinewater voldoet aan alle voorwaarden van artikel 5, eerste lid, Kaderrichtlijn afvalstoffen. Dit betekent dat het glycerinewater een bijproduct en geen afvalstof is. De afvalstoffenwetgeving is daarom niet van toepassing op het glycerinewater.

Het glycerinewater kan hierdoor eenvoudiger worden hergebruikt. Dit sluit aan bij de wijziging van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (14 juni 2018), waarin de overgang naar een circulaire economie expliciet in de doelstelling is vastgelegd. Ook is sindsdien vastgelegd dat lidstaten passende maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat stoffen niet als afvalstof, maar als bijproduct of einde-afvalfase product worden aangemerkt.

De ‘Leidraad afvalstof of product’ (juli 2018) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat biedt handvatten bij het beantwoorden van de vraag of een stof moet worden beschouwd als een afvalstof, een bijproduct of een einde-afvalfase product.

mw. mr. Franca Damen

Leidraad afvalstof of product

In juli 2018 is de ‘Leidraad afvalstof of product’ van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gepubliceerd. Deze leidraad beoogt handvatten te bieden bij het beantwoorden van de vraag of materialen moeten worden beschouwd als afvalstof of product.

Achtergrond Leidraad

Het kabinet heeft in het Rijksbrede programma circulaire economie de ambitie geuit om in 2050 een volledig circulaire economie gerealiseerd te hebben. Binnen een circulaire economie worden stoffen, materialen en voorwerpen zo lang en zo hoogwaardig mogelijk in het economisch verkeer gehouden op een manier die verantwoord is vanuit het oogpunt van milieu en volksgezondheid.

Ook in de gewijzigde Kaderrichtlijn afvalstoffen (14 juni 2018) wordt de overgang naar een circulaire economie benadrukt. Om die reden is onder andere de doelstelling van de Kaderrichtlijn afvalstoffen aangepast. Daarnaast moeten lidstaten passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat stoffen niet als afvalstof, maar als bijproduct of einde-afvalfase product worden aangemerkt.

Doelstelling Leidraad

In een circulaire economie worden reststromen die voorheen als afval werden gezien, steeds vaker als grondstof toegepast. Daarom moet het begrippenkader voor afval beter op de circulaire economie worden toegesneden. De ‘Leidraad afvalstof of product’ (de Leidraad) beoogt hier (mede) invulling aan te geven.

De Leidraad beoogt daarom bedrijven en overheden handvatten te bieden bij het beantwoorden van de vraag of stoffen moeten worden beschouwd als afvalstof of product (niet-afvalstof). In het belang van de overgang naar een circulaire economie wordt het bevoegd gezag uitdrukkelijk verzocht de Leidraad toe te passen.

Afvalstof, bijproduct en einde-afvalstatus

De Leidraad behandelt het toetsingskader voor de uitleg en toepassing van de begrippen afvalstof (artikel 3 Kaderrichtlijn afvalstoffen), bijproduct (artikel 5 Kaderrichtlijn afvalstoffen) en einde-afvalfase (artikel 6 Kaderrichtlijn afvalstoffen). Daartoe wordt met name ingegaan op de volgende criteria:

  • zeker gebruik;
  • rechtmatig gebruik;
  • voldoende hoogwaardig gebruik;
  • onmiddellijk gebruik en integraal onderdeel van een productieproces (bijproduct).

Als een stof voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 of artikel 6 Kaderrichtlijn afvalstoffen, dan is die stof niet (langer) een afvalstof maar een bijproduct of een einde-afvalfase product. Op die stof is dan de afvalstoffenwetgeving niet (langer) van toepassing. Dit maakt het hergebruik van stoffen eenvoudiger en bevordert dus een duurzaam grondstoffengebruik.

In de Leidraad worden veel rechtsoordelen besproken over de vraag of een stof als een afvalstof, een bijproduct of een einde-afvalfase product moet worden aangemerkt. Daarmee is de Leidraad een nuttig document voor de praktijk.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 19