Muziekevenementen als Lowlands horen in incidentele bedrijfssituatie

Op 14 april 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:2686) heeft rechtbank Midden-Nederland een uitspraak gedaan inzake beroepschriften die zijn ingediend tegen een omgevingsvergunning milieu voor attractiepark Walibi. In deze uitspraak komen met name geluidaspecten aan de orde. Uit de uitspraak blijkt onder meer dat muziek- en dance-evenementen als Lowlands en Defqon in de incidentele bedrijfssituatie horen.

Situatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten heeft aan attractiepark een omgevingsvergunning voor het reviseren van het milieudeel verleend. De vergunningaanvraag is door Walibi ingediend met het oog op de ontwikkelingen die de komende jaren worden voorzien op met name het vakantiepark en het evenemententerrein. In de periode tot 2020 wordt de realisatie van drie nieuwe grote attracties verwacht, waaronder een muziektheater.

Tegen de omgevingsvergunning is door verschillende partijen beroep ingediend. Deze hebben hoofdzakelijk betrekking op het aspect geluid. In dit artikel sta ik stil bij enkele onderdelen uit de uitspraak.

Juridisch kader

Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning milieu dienen verschillende (milieu)aspecten beoordeeld te worden. Een van deze aspecten betreft het aspect geluid. Voor de beoordeling van dit aspect is voor onderhavige kwestie de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van belang (hierna: de Handreiking). Voor een toelichting op deze Handreiking verwijs ik u graag naar mijn artikel “Achtergrondinformatie Handreiking industrielawaai en vergunningverlening”.

Uitspraak

Walibi heeft onder andere een vergunning aangevraagd voor een regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie. Deze afwijking bestaat uit het openen van het park gedurende maximaal 30 dagen per jaar ten behoeve van specifieke activiteiten tot 23.00 uur en waarbij buiten de normale bezoekuren avondopenstellingen plaatsvinden voor feesten en partijen.

In paragraaf 5.3 van de Handreiking is vermeld dat de geluidvoorschriften (mede) dienen te zijn afgestemd op de geluidemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt. Dit is de zogenoemde representatieve bedrijfssituatie. Paragraaf 5.3 van de Handreiking vermeldt voorts dat er inrichtingen zijn waarbij met enige regelmaat meer geluidemissie plaatsvindt dan in de representatieve bedrijfssituatie. Er is dan vaker dan 12 maal per jaar een hogere geluidemissie dan onder de representatieve omstandigheden. Daarbij wordt in principe uitgegaan van maximaal circa één dag-, avond, of nachtperiode per week. Voor die situaties kan het, aldus de Handreiking, na bestuurlijke afweging toelaatbaar worden geacht dat vergunning wordt verleend tot een hogere grenswaarde. Of, en zo ja, in welke mate en frequentie hinder zal optreden, speelt daarbij een belangrijke rol.

De rechtbank heeft in onderhavige uitspraak overwogen dat de in de vergunningaanvraag genoemde avondopenstellingen buiten de normale bezoekuren zijn te beschouwen als regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie. Door in de vergunning op te nemen dat bij Walibi op jaarbasis maximaal 30 dagen met een afwijkende bedrijfssituatie kunnen voorkomen, is het college binnen de bij de Handreiking gehanteerde bandbreedte gebleven.

De activiteiten die in de vergunningaanvraag als representatieve bedrijfssituatie zijn omschreven, zien met name op de exploitatie van het attractiepark en het houden van niet luidruchtige activiteiten op het evenemententerrein. Onder de incidentele bedrijfssituatie vallen twaalf dagen per jaar, waarop een massaal luidruchtig evenement op het evenemententerrein kan worden gehouden. Voorbeelden daarvan zijn de (meerdaagse) muziek- of dance-evenementen als Lowlands en Defqon. Nu dit soort meerdaagse grootschalige evenementen niet vaker dan gedurende maximaal twaalf dagen per jaar zullen worden gehouden, heeft het college deze evenementen naar het oordeel van de rechtbank terecht niet beschouwd als behorende tot de kernactiviteiten van Walibi en aangemerkt als incidentele bedrijfssituaties.

mw. mr. Franca Damen

Uitspraak over beoordeling tonaal geluid

Indien sprake is van tonaal geluid dient op grond van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening een straffactor gehanteerd te worden. Rechtbank Limburg ging in haar uitspraak van 2 maart 2015 (ECLI:NL:RBLIM:2015:1699) in op de vraag wanneer sprake kan zijn van tonaal geluid.

Situatie

De uitspraak heeft betrekking op een omgevingsvergunning die is verleend voor de wijziging van een veehouderij. Het betreft een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en milieu voor de wijziging van een varkenshouderij in een varkenshouderij met pluimveehouderij.

Tegen deze uitspraak is onder meer beroep ingediend door omwonenden van de veehouderij (hierna: appellanten). Appellanten vrezen onder andere voor geluidoverlast en stellen zich op het standpunt dat het akoestisch onderzoek niet op juiste wijze is uitgevoerd.

Juridisch kader

Een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu moet aan veel wet- en regelgeving worden getoetst. Het bevoegd gezag dient te beoordelen of de verschillende milieuaspecten voldoen aan de daaraan gestelde regels. Voor het aspect geluid wordt daarbij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) in acht genomen. De Handreiking is opgesteld als hulpmiddel bij het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai. Naast de Handreiking is onder meer de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van belang. Enige achtergrondinformatie over de Handreiking kunt u lezen in mijn artikel over deze Handreiking.

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu moet ook rekening worden gehouden met bijzondere geluiden die als extra hinderlijk worden beschouwd. Het betreft bijvoorbeeld tonaal geluid. Bij de beoordeling wordt, als er sprake is van deze bijzondere geluiden, een toeslag op de gemeten (of berekende) geluidbelasting in meerdering gebracht voordat aan de geluidvoorschriften wordt getoetst. Bij het opstellen van de geluidvoorschriften moet rekening worden gehouden met de toeslag. Het gaat om een toeslagfactor van 5 dB. Als het tonaal geluid niet continu optreedt, wordt de correctiefactor toegepast voor dat deel van de tijd dat sprake is van tonaal geluid. Dit wordt nader uitgewerkt in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.

Uitspraak

Appellanten hebben gesteld dat tonaal geluid van de laadklep van vrachtwagens ten onrechte niet in de geluidemissie is verdisconteerd door een straffactor te hanteren. Te dien aanzien heeft de rechtbank overwogen dat dit geluid zich kan voordoen bij het verladen van varkens. Ingevolge de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening hoeft hiermee alleen rekening te worden gehouden indien het tonale aspect herkenbaar is bij de ontvanger.

“In het rapport wordt geconcludeerd dat, uitgaande van een geluidvermogen van de lift van 80 dB(A), het geluid bij de omliggende woningen nog ten hoogste 15 dB(A) zal bedragen en dus (ruim) beneden het heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid blijft. Om die reden is van een herkenbaar tonaal geluid ter plaatse van de geluidgevoelige objecten geen sprake. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de juistheid van die conclusie te twijfelen.”

Deze conclusie van de rechtbank is naar mijn mening in overeenstemming met de Handreiking. Daarin staat immers vermeld dat in ieder geval als criterium moet worden aangehouden dat het tonale karakter duidelijk hoorbaar is bij de ontvanger. Vanwege het subjectieve karakter van deze beoordelingssystematiek verdient het ingevolge de Handreiking aanbeveling een tonaal karakter door twee of meer representanten van het bevoegd gezag te laten vaststellen. Bij de vaststelling dient bijzonder aandacht te worden besteed aan mogelijke interferentieverschijnselen.

mw. mr. Franca Damen

Achtergrondinformatie Handreiking industrielawaai en vergunningverlening

Een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu moet aan veel wet- en regelgeving worden getoetst. Het bevoegd gezag dient te beoordelen of de verschillende milieuaspecten voldoen aan de daaraan gestelde regels. Voor het aspect geluid wordt bij veel soorten inrichtingen de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) in acht genomen. De Handreiking is opgesteld als hulpmiddel bij het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai. Naast de Handreiking is onder meer de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van belang.

Richtwaarden

In de Handreiking zijn richtwaarden voor het geluidniveau opgenomen. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt naar de aard van de woonomgeving:

  • landelijke omgeving;
  • rustige woonwijk, weinig verkeer;
  • woonwijk in de stad.

Voor de verschillende typen woonomgeving gelden verschillende richtwaarden:

Handreiking industrielawaai

Overschrijding van deze richtwaarden is op grond van de Handreiking mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Het omgevingsgeluid wordt in de Handreiking gedefinieerd als het geluid dat op een bepaald meetpunt bestaat als een eindresultaat van de bijdragen van alle aanwezige bronnen. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid wordt gedefinieerd als de hoogste waarde van de volgende geluidniveaus:

  • het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van de zogenaamde niet-omgevingseigen bronnen;
  • het optredende equivalente geluidniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige verkeersbronnen, minus 10 dB.

Maximale geluidniveaus

Volgens de Handreiking dient gestreefd te worden naar het voorkomen van maximale geluidniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente geluidniveau uitkomen. In die gevallen waarin niet aan grenswaarden kan worden voldaan, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidniveaus worden vergund. Daarbij worden de volgende grenswaarden als maximale geluidniveaus geadviseerd:

  • 70 dB(A) voor de dagperiode (7.00 uur – 19.00 uur);
  • 65 dB(A) voor de avondperiode (19.00 uur – 23.00 uur);
  • 60 dB(A) voor de nachtperiode (23.00 uur – 7.00 uur).

Het vergunnen van maximale geluidsniveaus hoger dan de grenswaarden moet in een vergunning worden gemotiveerd. Daarbij moet ook worden aangegeven welke technische en/of organisatorische maatregelen zijn getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu te beperken, voorzover deze niet kunnen worden voorkomen.

Akoestisch onderzoek

Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag is bepalend hetgeen is aangevraagd. Dit moet nader worden uitgewerkt in een akoestisch onderzoek. Hierin moeten onder meer de volgende onderdelen aan de orde komen:

  • geluidproductie en bedrijfstijden van geluidbronnen in de representatieve en incidentele bedrijfssituatie;
  • de ter plaatse van nabijgelegen woningen, andere geluidgevoelige bestemmingen en andere beoordelingspunten veroorzaakte equivalente geluidsbelasting en maximale geluidsniveaus;
  • de overwogen en getroffen maatregelen teneinde de geluidsbelasting zoveel mogelijk te beperken;
  • de door de inrichting veroorzaakte indirecte hinder;
  • de eventuele toekomstige situatie.

Representatieve en incidentele bedrijfssituatie

De representatieve bedrijfssituatie is de voor de geluiduitstraling kenmerkende bedrijfsvoering bij benutting van de volledige capaciteit van de inrichting onder normale omstandigheden. In de jurisprudentie is geaccepteerd dat ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 keer per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Uitgangspunt daarbij is dat het per keer steeds gaan om één aaneengesloten periode van maximaal een etmaal. Het gaat dan om bijzondere activiteiten die niet worden gerekend tot de incidentele bedrijfssituatie. Dit wordt de incidentele bedrijfssituatie genoemd.

Bijzondere geluiden

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu moet ook rekening worden gehouden met bijzondere geluiden die als extra hinderlijk worden beschouwd. Het betreft bijvoorbeeld tonaal geluid, geluid met een impulsachtig karakter en muziekgeluid. Bij de beoordeling wordt, als er sprake is van deze bijzondere geluiden, een toeslag op de gemeten (of berekende) geluidbelasting in meerdering gebracht voordat aan de geluidvoorschriften wordt getoetst. Bij het opstellen van de geluidvoorschriften moet rekening worden gehouden met de toeslag. Als sprake is van tonaal én impulsachtig geluid, wordt de toeslag maar één keer toegepast. Het gaat om een toeslagfactor van 5 dB.

Overig

In de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening wordt op nog meer relevante aspecten ingegaan. Voor een volledig beeld van de Handreiking verwijs ik u dan ook graag naar de Handreiking, welke u hier kunt lezen.

mw. mr. Franca Damen

Beoordelen overtreding geluidnormen middels meetgegevens of berekeningen?

Op 12 januari 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:95) heeft rechtbank Oost-Brabant een uitspraak gedaan in een handhavingszaak jegens een inrichting voor onder meer de op- en overslag van diverse producten. Aan de orde was de vraag op welke wijze moet worden vastgesteld of sprake is van een overtreding van de geluidnormen.

De rechtbank zag zich meer specifiek voor de vraag gesteld of bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overtreding, mag worden uitgegaan van empirische meetgegevens ter plaatse van het emissiepunt (rekenmethode 2.1 van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai) of de berekeningen volgens een – op zichzelf gevalideerde – rekensystematiek moeten worden gevolgd (rekenmethode 2.2 van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai).

De rechtbank heeft geoordeeld dat het bevoegd gezag bij de vaststelling van het geluidniveau op het immissiepunt heeft mogen uitgaan van de feitelijk uitgevoerde metingen. Daarbij heeft de rechtbank ook gewezen op een voorschrift dat is verbonden aan de voor de inrichting geldende vergunning. Dit voorschrift gaat uit van de geluidbelasting ter plaatse van het immissiepunt. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit de meest zuivere – feitelijke – vaststelling op. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat het bevoegd gezag daarbij ook gemotiveerd heeft aangegeven dat de geluidmetingen zijn gecorrigeerd voor eventuele stoorgeluiden, alvorens te toetsen aan de geluidgrenswaarden.

Ten aanzien van de berekeningen die de inrichtinghouder heeft overgelegd, heeft de rechtbank overwogen dat deze berekeningen berusten op een model (rekenmethode 2.2 van de Handleiding), waarvan ook bij de vergunningverlening gebruik is gemaakt. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat het bevoegd gezag ook op andere wijze, zoals in dit geval door het uitvoeren van feitelijke metingen, tot een vaststelling van de geluidbelasting kan en mag komen. De omstandigheid dat bij de vergunningverlening destijds gebruik moest worden gemaakt van een model, maakt dat niet anders.

mw. mr. Franca Damen

De beoordeling van stemgeluid

Een regelmatig terugkerend onderwerp in de jurisprudentie is de wijze waarop stemgeluid bij een inrichting moet worden beoordeeld. In onderhavig artikel ga ik daar nader op in.

Op grond van artikel 2.18 Activiteitenbesluit blijft bij het bepalen van geluidsniveaus, als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 en 6.12 Activiteitenbesluit, het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, buiten beschouwing, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein. Het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten blijft bij het bepalen van de geluidsniveaus eveneens buiten beschouwing.

Het komt regelmatig voor dat het stemgeluid bij een inrichting – bijvoorbeeld bij een voetbalveld – tot geluidsoverlast leidt. Als moet worden beoordeeld of de inrichting aan de geldende geluidsnormen, zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit, voldoet, dient daarbij gelet op artikel 2.18 Activiteitenbesluit het stemgeluid echter juist buiten beschouwing gelaten te worden.

Op grond van artikel 2.20 Activiteitenbesluit kunnen aan een inrichting zogenaamde maatwerkvoorschriften worden opgelegd, waarbij andere geluidswaarden kunnen worden vastgesteld. Doordat op grond van het Activiteitenbesluit echter het stemgeluid buiten beschouwing moet worden gelaten, biedt het opleggen van maatwerkvoorschriften vaak geen toereikende oplossing.

Een oplossing lijkt veeleer te zijn gelegen in het ruimtelijk spoor. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan (of het verlenen van een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik) geldt namelijk niet, althans niet enkel, het beperkt toetsingskader van het Activiteitenbesluit. De gemeenteraad dient bij een bestemmingsplan namelijk een goede ruimtelijke ordening te waarborgen, evenals een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij deze toets dient stemgeluid wél te worden meegenomen.

Dat stemgeluid wel moet worden meegenomen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gewezen op een uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014 (201207794). Deze uitspraak had onder meer betrekking op de exploitatie van een horecagelegenheid, waarbij tevens recreatieactiviteiten waren toegestaan. Binnen dat kader heeft de Afdeling onder meer het volgende overwogen:

“Daarbij is van betekenis dat op grond van artikel 2.18, eerste en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde vormen van geluid, zoals stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein dat behoort tot de betrokken inrichting en geluid veroorzaakt door het komen en gaan van bezoekers van inrichtingen waar in hoofdzaak horeca- en recreatieactiviteiten plaatsvinden, niet worden betrokken bij de vraag of aan de normen van dat besluit wordt voldaan. Een beoordeling van de aanvaardbaarheid van een activiteit waar dergelijke vormen van geluid te verwachten zijn, zal daarom in het bijzonder moeten plaatsvinden in het kader van de ruimtelijke ordening.”

Verder kan bijvoorbeeld worden gewezen op de volgende uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2014 (201305379):

“Verder geldt in het algemeen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan mogelijke geluidhinder voor omwonenden, ook indien dit hinder betreft door menselijk stemgeluid, in het kader van de vereiste belangenafweging dient te worden betrokken.”

Zie verder bijvoorbeeld ook nog ABRS 16 februari 2011 (201003843) en ABRS 26 juni 2002 (200100993).

Uit deze uitspraken volgt derhalve dat het van belang is om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met het stemgeluid dat bij een inrichting kan worden veroorzaakt. Immers dienen in een bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd te worden.

mw. mr. Franca Damen

1 2