Handhaven op beweiden en bemesten?

Op 11 februari 2020 heeft rechtbank Overijssel een aantal uitspraken (o.a. ECLI:NL:RBOVE:2020:513) gedaan over handhavend optreden tegen beweiden en bemesten zonder natuurvergunning. De provincie moet nieuwe handhavingsbesluiten nemen. Hoe zit het precies en hoe moet het nu verder?

Achtergrond

De discussie over het al dan niet nodig hebben van een natuurvergunning voor beweiden en bemesten speelt al jarenlang. Op 4 februari 2015 deed de Raad van State een eerste uitspraak waaruit blijkt dat voor beweiden en bemesten een natuurvergunning nodig kan zijn. Omdat de overheid dat onwenselijk vond, werd een uitzondering op de natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten ingevoerd. In de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Raad van State geoordeeld dat het niet is toegestaan om beweiden en bemesten categoraal uit te zonderen van de vergunningplicht. Die uitzondering is daarom onverbindend en moet geacht worden nooit te hebben bestaan. Dat betekent dat we weer terug zijn bij de uitspraak van de Raad van State van 4 februari 2015: voor beweiden en bemesten kan een natuurvergunning nodig zijn.

Uitspraken rechtbank

De uitspraken van rechtbank Overijssel gaan – net als de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 – over de vraag of handhavend moet worden opgetreden tegen beweiden en bemesten zonder natuurvergunning. Provincie Overijssel heeft verschillende handhavingsverzoeken daartoe afgewezen onder verwijzing naar de uitzondering op de natuurvergunningplicht voor deze activiteiten. Omdat die uitzondering onverbindend is, had de provincie hier niet naar mogen verwijzen. De besluiten van de provincie kunnen daarom niet in stand blijven. De rechtbank heeft die besluiten vernietigd en beslist dat de provincie binnen zes weken nieuwe besluiten op de handhavingsverzoeken moet nemen. Voor deze nieuw te nemen besluiten is onder andere het volgende van belang.

Natuurvergunningplicht

Een natuurvergunning is op grond van de wet nodig als een activiteit (zoals beweiden of bemesten) significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben. Als een natuurvergunning nodig is voor beweiden, dan moet dat in dezelfde natuurvergunning worden opgenomen als in de natuurvergunning voor het bedrijf. Als voor bemesten een natuurvergunning nodig is, dan mag dat in een aparte natuurvergunning worden opgenomen. Dat hoeft dus niet in dezelfde natuurvergunning als die voor het bedrijf.

Beginselplicht handhaving

Als een bedrijf een natuurvergunning nodig heeft voor beweiden en/of bemesten, maar deze niet heeft, dan is dat een overtreding. Dan geldt als uitgangspunt dat de provincie daartegen handhavend moet optreden. Dat is vaste rechtspraak. Het is ook vaste rechtspraak dat er in twee gevallen van handhaving kan worden afgezien, namelijk als er sprake is van concreet zicht op legalisatie of van bijzondere omstandigheden waardoor handhaving onevenredig is.

Concreet zicht op legalisatie wordt bij vergunningen aangenomen als ten minste de vereiste vergunning is aangevraagd en het bevoegd gezag voornemens is om die vergunning te verlenen.

Bijzondere omstandigheden op grond waarvan handhavend optreden als onevenredig moet worden aangemerkt, worden in de praktijk niet snel aangenomen.

Nieuwe ontwikkelingen

Sinds de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 zijn er verschillende ontwikkelingen geweest. Die kunnen van belang zijn voor de nieuw te nemen besluiten door de provincie.

Advies over beweiden en bemesten

Met name van belang lijkt het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ dat het Adviescollege stikstofproblematiek (Adviescollege) op 19 december 2019 heeft uitgebracht. Het Adviescollege concludeert dat in het overgrote deel van de gevallen voor bemesten geen natuurvergunning nodig is. Een natuurvergunning is niet nodig als bemesten niet leidt tot een toename van emissies ten opzichte van de Europese referentiedatum (vaak 10 juni 1994, 24 maart 2000 en/of 7 december 2004). Want dan kunnen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Maar als bemesten wel tot een toename van emissies leidt, zal wel een natuurvergunning nodig zijn. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het grondgebruik structureel is veranderd (bijvoorbeeld van akkerland naar grasland) of als gronden eerst niet of nauwelijks en nu volop bemest worden. Voor beweiden is volgens het Adviescollege geen natuurvergunning nodig, omdat beweiden bijdraagt aan een afname van de ammoniakemissie.

Kamerbrieven

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) heeft in een Kamerbrief van 19 december 2019 laten weten dat de inzet van het kabinet is om beweiden en bemesten niet natuurvergunningplichtig te maken. Dit standpunt heeft de minister nog een keer herhaald in een Kamerbrief van 7 februari 2020. Ook in eerdere Kamerbrieven had de minister van LNV al laten weten te streven naar legalisering van beweiden en bemesten. Ook in de beantwoording van verschillende Kamervragen over beweiden en bemesten op 18 februari 2020 heeft de minister herhaald dat het de inzet is om beweiden en bemesten niet natuurvergunningplichtig te maken. In de beantwoording sluit de minister aan bij het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’.

Vervallen vergunningplicht voor ‘andere handelingen’

Van belang is ook dat op 1 januari 2020 de Wet natuurbescherming is gewijzigd (Spoedwet aanpak stikstof). Sindsdien is namelijk niet langer een natuurvergunning nodig voor activiteiten die wel een verslechterend maar geen significant gevolg voor een Natura 2000-gebied hebben. Die activiteiten werden ook wel andere handelingen genoemd. Daarvoor is dus niet langer een natuurvergunning nodig. Dat kan ook van belang zijn voor beweiden en bemesten. Wanneer beweiden en/of bemesten namelijk wel een verslechterend maar geen significant effect hebben op Natura 2000-gebieden, is niet langer een natuurvergunning nodig.

Verzet tegen eerdere uitspraak

Reeds op 18 december 2019 heeft rechtbank Noord-Nederland in zaak ECLI:NL:RBNNE:2019:5283 een vergelijkbare uitspraak gedaan als rechtbank Overijssel op 11 februari 2020. Provincie Drenthe is het niet mee eens met die uitspraak, omdat de provincie geen natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten wil. Daarom heeft de provincie – in overleg met de andere provincies en het ministerie van LNV – tegen die uitspraak verzet (‘bezwaar’) ingediend. Daarmee onderstrepen de provincies en het ministerie van LNV dat zij geen natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten willen.

Hoe nu verder?

Hoe kunnen en/of moeten provincies nou omgaan met verzoeken om handhavend op te treden tegen beweiden en bemesten zonder natuurvergunning? De provincies zullen hierop een beslissing moeten nemen. Dat geldt zowel wanneer het gaat om een nieuw of nog lopend handhavingsverzoek als wanneer het gaat om een handhavingsverzoek waarop al een beslissing is genomen, maar welke beslissing door de rechter is vernietigd.

De minister en de provincies zijn er duidelijk over dat zij beweiden en bemesten niet natuurvergunningplichtig willen maken. Zij wijzen daarvoor ook op het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ van het Adviescollege. Daaruit volgt dat er voor beweiden geen natuurvergunning nodig is en dat voor bemesten in de meeste gevallen eveneens geen natuurvergunning nodig is. De reden daarvoor is dat deze activiteiten geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden veroorzaken. In dat geval is voor deze activiteiten vanaf 1 januari 2020 geen natuurvergunning (meer) nodig.

Als de provincies het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ volgen, dan zal in de meeste gevallen de conclusie dus zijn dat er voor beweiden en bemesten geen natuurvergunning nodig is. Beweiden en bemesten zonder natuurvergunning levert dan dus geen overtreding op. Dat betekent dat de provincies de handhavingsverzoeken opnieuw zouden moeten afwijzen.

Maar stel dat er sprake is van een uitzonderingssituatie waarin gelet op het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ wél een natuurvergunning nodig is voor bemesten. Of stel dat de provincies zouden afwijken van het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ en zouden concluderen dat er voor beweiden en/of bemesten wel een natuurvergunning nodig is. Wat dan?

In die gevallen zouden de provincies de betrokken veehouders eerst in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een natuurvergunning aan te vragen. Voor veehouders bestond er namelijk geen aanleiding om een natuurvergunning aan te vragen voor beweiden en/of bemesten. De bevoegde bestuursorganen hebben zich namelijk jarenlang op het standpunt gesteld dat deze activiteiten niet natuurvergunningplichtig waren. Toen duidelijk werd dat de activiteiten wel vergunningplichtig waren, werd voorzien in een uitzondering op de vergunningplicht. Veehouders kan daarom geen verwijt worden gemaakt dat zij geen natuurvergunning voor beweiden en bemesten hebben.

Daarom zouden de provincies – in het geval zij van mening zijn dat er een natuurvergunning nodig is voor beweiden en/of bemesten – betrokken veehouders eerst in de gelegenheid moeten stellen om alsnog een natuurvergunning aan te vragen. Een termijn van drie maanden daarvoor is redelijk. Die termijn begint te lopen op het moment dat de provincie hierover een brief naar de betreffende veehouder heeft gestuurd. In die brief moet de provincie dan aangeven welke gegevens de veehouder moet overleggen.

Zo lang de provincies zelf niet inzichtelijk hebben welke gegevens bedrijven bij een aanvraag voor een natuurvergunning voor beweiden en bemesten zouden moeten overleggen, is het dus maar de vraag in hoeverre de provincies achter een natuurvergunning voor beweiden en bemesten kunnen aangaan.

Als u echter (om welke reden dan ook) een natuurvergunning aanvraagt, verdient het naar mijn mening aanbeveling om daarin ook beweiden en/of bemesten mee te nemen. Dan moet de provincie daar namelijk een beslissing op nemen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Voortgang stikstofproblematiek: natuurbank

Het kabinet wil in het kader van de stikstofproblematiek een natuurbank instellen. Deze natuurbank moet ervoor zorgen dat projecten die zorgen dat de veiligheid van onze (vaar)wegen en de waterveiligheid worden gegarandeerd, doorgang kunnen vinden. Dit blijkt uit de Kamerbrief van 19 februari 2020.

Terwijl het kabinet in de Kamerbrief van 13 november 2019 nog noodwetgeving aankondigde voor projecten ten behoeve van de veiligheid van de (vaar)wegen en de waterveiligheid, lijkt het kabinet daar nu van af te zien. Het kabinet zal nu een natuurbank instellen die wettelijk wordt verankerd.

Het kabinet stelt € 125 miljoen beschikbaar in het kader van de natuurbank. Hiermee kan gericht compensatienatuur worden aangelegd. Het gaat om natuur ter compensatie van projecten van het Rijk en waterschappen die een groot openbaar belang vertegenwoordigen.

Daarnaast stelt het kabinet nog een keer € 125 miljoen beschikbaar voor natuurherstel en -verbetering om de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden te bereiken.

De natuurbank heeft dus tot doel om op een gecoördineerde manier natuurcompensatie- en -verbeteringsmaatregelen te nemen en vast te leggen. Er wordt een ‘voorraad’ nieuwe natuur gerealiseerd. Die kan vervolgens voor projecten met een groot openbaar belang worden gebruikt in het kader van de zogeheten ADC-toets. Op grond van die toets moeten alternatieven ontbreken, moet er sprake zijn van een dwingende reden van groot openbaar belang en moeten er compenserende maatregelen worden getroffen.

De natuurbank is bedoeld voor rijksifra- en waterveiligheid en defensieprojecten die een veiligheidsbelang vertegenwoordigen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Voortgang stikstofproblematiek: landbouw en gebiedsgerichte aanpak

Op 7 februari 2020 is een nieuwe Kamerbrief over de voortgang van de stikstofproblematiek gestuurd. Deze Kamerbrief gaat over maatregelen in de landbouw en een verdere impuls van de gebiedsgerichte aanpak. De Kamerbrief bevat ook enkele gewijzigde inzichten.

Belangrijkste punten

De belangrijkste punten uit de Kamerbrief van 7 februari 2020 zijn naar mijn mening de volgende:

  1. Er komt geen koppeling tussen de verkoop van ammoniakrechten ten behoeve van extern salderen en de inname van dier- en fosfaatrechten. Als een veehouder zijn ammoniakrechten verkoopt aan een private partij, behoudt hij zijn dier- en/of fosfaatrechten. Deze worden dan dus niet ingenomen. Deze zullen wel worden ingenomen bij opkoop van veehouderijen door de overheid.
  2. Het verleasen van ammoniakrechten wordt mogelijk om projecten met tijdelijke stikstofdepositie toe te kunnen staan.
  3. Beweiden en bemesten is niet vergunningplichtig.

Hieronder volgen de hoofdlijnen van de Kamerbrief.

Landbouw

In de landbouw komen er maatregelen voor stoppers en voor blijvers.

Voor stoppers wordt € 350 miljoen beschikbaar gesteld vanuit het Rijk. Dit bedrag is bedoeld om veehouders die willen stoppen gericht op te kopen. Dit is onderdeel van het gebiedsproces.

Voor blijvers wordt € 172 miljoen beschikbaar gesteld. Dit bedrag is bedoeld voor innovatieve, brongerichte verduurzaming van stallen.

Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen

Om de innovatieve, brongerichte verduurzaming van stallen te ondersteunen, wordt het ontwikkelen van nieuwe technieken gestimuleerd. Het gaat om technieken die alle schadelijke emissies in samenhang en brongericht reduceren en in de kringloop houden. Bovenop deze technieken kunnen innovatieve end of pipe technieken worden gebruikt. Deze mogen het risico op stalbranden echter niet vergroten en geen negatieve consequenties hebben voor dierenwelzijn.

Om investeringen in nieuwe technieken mogelijk te maken, wordt een subsidieregeling geopend. Het betreft de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv). Deze subsidieregeling bestaat uit twee subsidiemodules.

  1. Innovatiemodule: deze module ziet op onderzoek naar en het ontwikkelen van het gebruik van innovaties en managementmaatregelen.
  2. Investeringsmodule: deze module ziet op de uitrol van bewezen innovaties.

De innovatiemodule wordt naar verwachting in april 2020 opengesteld. De investeringsmodule is eind mei/juni 2020 voorzien.

Om innovatie te versnellen, werkt het kabinet ook aan meer ruimte in de regelgeving. Hiervoor wordt onder andere een wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij voorbereid. Ook wordt er een Taskforce Versnelling Innovatieproces ingesteld.

Maatregelen landbouw

Er wordt gewerkt aan verschillende maatregelen voor de landbouw, waaronder de volgende.

  1. Met het oog op perspectief voor blijvers én stoppers komt er een systeem van geregistreerde onafhankelijke bedrijfscoaches. Deze coaches helpen boeren op hun bedrijf stikstofreducerende maatregelen te nemen en/of te begeleiden naar de verschillende innovatie- en uitkoopregelingen.
  2. Boeren die willen extensiveren, omschakelen naar een andere bedrijfsvoering (bijvoorbeeld kringlooplandbouw) of verplaatsen naar een locatie verder weg van een Natura 2000-gebied, worden ondersteund. Omdat de beschikbaarheid van grond hierbij een belangrijke factor kan zijn, onderzoekt het kabinet hoe een grondbank en instrumenten voor landinrichting hiervoor ingezet kunnen worden.
  3. Boeren in de omgeving van Natura 2000-gebieden die willen stoppen, kunnen gericht worden opgekocht. Vrijwilligheid is hierbij het uitgangspunt.

Extensivering, verplaatsing en minnelijke verwerving van veehouderijen vinden plaats in de gebiedsprocessen.

Andere perspectiefvolle maatregelen die het kabinet ziet, betreffen het verminderen van eiwit in het voer (wat mogelijk is op grond van de Spoedwet aanpak stikstof), het vergroten van weidegang en het emissiearmer uitrijden van mest. Deze maatregelen zijn gericht op de melkveehouderij. In de varkenshouderij en de pluimveehouderij is het verminderen van eiwit in het voer ingrijpender. Bovendien zijn in deze sectoren de afgelopen jaren ook al stappen gezet.

Voor de varkenshouderij is het Programma Vitale Varkenshouderij het uitgangspunt voor de stikstofaanpak. Hierin neemt de sector ambitieuze maatregelen die leiden tot een forse reductie van ammoniak. Daarnaast zal de ammoniakemissie in de varkenshouderij fors afnemen door de Subsidieregeling sanering varkenshouderij. Het kabinet wil de ontvangen aanvragen van varkenshouderijen die aan de eisen voldoen honoreren.

Vrijkomende stikstofruimte

De stikstofruimte die vrijkomt bij het opkopen van veehouderijen, wordt in samenwerking met provincies ingezet. De stikstofruimte kan worden gebruikt voor:

  • herstel van de natuur;
  • het legaliseren van PAS-meldingen;
  • ontwikkelingen die in dat gebied noodzakelijk of gewenst zijn;
  • het oplossen van eventuele problematiek die volgt uit de uitzonderingen op het niet-vergunningsplichtig zijn van bemesten.

Productierechten

Eerder heeft de minister aangekondigd dat extern salderen met veehouderijen pas mogelijk is nadat de Meststoffenwet daartoe is gewijzigd. Bij verkoop van ammoniakrechten ten behoeve van extern salderen zouden namelijk de bijbehorende productierechten (dier- en/of fosfaatrechten) worden ingenomen.

Hiervan wordt nu afgezien. Bij verkoop van ammoniakrechten door private partijen worden de bijbehorende productierechten niet ingenomen. Productierechten zijn dan nog vrij verhandelbaar en kunnen worden gebruikt door een veehouder die hiervoor emissieruimte heeft in zijn natuurvergunning.

Als de overheid veehouderijen opkoopt, zullen de bijbehorende productierechten wel worden ingenomen en doorgehaald.

Extern salderen

Extern salderen met veehouderijen moet op korte termijn gestart kunnen worden. Ongerichte en ongecontroleerde opkoop van veehouderijen moet hierbij worden voorkomen. Daarom zal extern salderen plaats moeten vinden binnen de gebiedsgerichte aanpak.

Op die manier kan vrijkomende stikstofruimte ook effectief worden ingezet. Een initiatiefnemer moet de depositie die hij veroorzaakt, op ieder gebied (ieder hexagoon) mitigeren. Om dat te bereiken via het opkopen van bedrijven zullen in veel gevallen meerdere bedrijven moeten worden opgekocht, terwijl een initiatiefnemer per bedrijf vaak lang niet alle vrijkomende stikstofruimte nodig heeft. Daarom is het effectiever om benodigde en vrijkomende ruimte met elkaar te verbinden als onderdeel van het gebiedsproces. Provincies hebben daarin een sturende rol.

Verleasen

De minister zet zich ervoor in om verleasen mogelijk te maken. Een ondernemer kan een deel van zijn niet benutte stikstofruimte in zijn vergunning op tijdelijke basis beschikbaar stellen aan een andere initiatiefnemer (privaat, publiek). Het verleasen van stikstofruimte kan alleen aan activiteiten die tijdelijk stikstofdepositie veroorzaken en niet aan activiteiten die permanent stikstofdepositie veroorzaken.

Voor verleasen gelden vergelijkbare eisen als voor extern salderen. Dit betekent dat:

  • het uitgangspunt de gerealiseerde capaciteit is;
  • de niet gerealiseerde capaciteit in de vergunning niet gebruikt kan worden om te verleasen;
  • gedurende de looptijd van de overeenkomst 70% van de verleasde stikstofruimte kan worden ingezet (na beëindiging van het verleasen geldt weer de situatie van daarvoor).

Hierbij moet wel gegarandeerd worden dat de verleasde ruimte niet dubbel wordt gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door dit vast te leggen in een overeenkomst. Die overeenkomst wordt dan overgelegd bij de aanvraag van de natuurvergunning door de initiatiefnemer die stikstofruimte nodig heeft.

Beweiden en bemesten

Overeenkomstig het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ heeft de minister met de provincies afgesproken om beweiden en bemesten niet vergunningsplichtig te maken. Hierop kunnen enkele uitzonderingen bestaan, bijvoorbeeld als het grondgebruik structureel is veranderd. Deze uitzonderingen zullen in beeld worden gebracht.

Agenda

De komende periode staan in ieder geval de volgende punten nog op de ‘stikstofagenda’:

  • februari 2020: een kabinetsreactie op het ‘Advies luchtvaartsector’ van het Adviescollege stikstofproblematiek;
  • februari 2020: publicatie van de Subsidiemodule brongerichte verduurzaming stal en managementmaatregelen;
  • februari/maart 2020: openstelling stikstofregistratiesysteem;
  • voorjaar 2020: aanpak natuurherstel en -verbetering;
  • voorjaar 2020: volgende (bron)maatregelen in de betrokken sectoren;
  • voorjaar 2020: vaststellen van een streefwaarde voor de reductie van stikstofuitstoot in 2030;
  • voor zomer 2020: een kabinetsreactie op het advies voor de lange termijn van het Adviescollege stikstofproblematiek;
  • zomer 2020: eerste resultaten van de doorlichting van Natura 2000-gebieden;
  • zomer 2020: voortgang grondbank en instrumenten voor landinrichting.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Stikstof in de luchtvaart

Ook de luchtvaart draagt bij aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Over de omvang hiervan bestaat echter onduidelijkheid. Daarnaast blijken de Nederlandse luchthavens niet over een natuurvergunning te beschikken. Er is daarom behoefte aan duidelijkheid. Het ‘Advies Luchtvaartsector’ van het Adviescollege stikstofproblematiek zou hieraan moeten bijdragen.

Achtergrond

In oktober 2019 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister van LNV) het Adviescollege stikstofproblematiek gevraagd om een advies te geven over de luchtvaartsector. Het Adviescollege stikstofproblematiek heeft op 15 januari 2020 het ‘Advies luchtvaartsector’ uitgebracht.

In het advies staan twee hoofdvragen centraal:

  • Wat is de huidige bijdrage van de luchtvaartsector aan de depositie van stikstof in Nederland?
  • En wat kan de luchtvaartsector in Nederland bijdragen aan de vermindering van de stikstofdepositie?

Het Adviescollege stikstofproblematiek maakt hierbij een onderscheid tussen de luchtvaart en luchthavens. Dit is namelijk van belang voor een analyse van de bijdrage aan de stikstofproblematiek én voor de mate van beïnvloedbaarheid van de emissies. Voor wat betreft de luchthavens richt het Adviescollege stikstofproblematiek zich met name op Schiphol en Lelystad Airport. Voor deze luchthavens moet namelijk een besluit genomen worden. De militaire luchtvaart is niet meegenomen in het advies.

De huidige bijdrage aan stikstofdepositie

De bijdrage van de luchtvaartsector aan de stikstofemissie en stikstofdepositie is groter dan eerder is gerapporteerd. In plaats van 0,1% zou de bijdrage tussen de 0,7 en 1,1% van het nationale totaal voor NH3 (ammoniak) en NOX zijn. Dit komt overeen met een stikstofdepositie in Nederland vanuit de luchtvaart (onder en boven 3.000 voet) tussen 12 en 19 N/ha/jaar.

De eerder gerapporteerde 0,1% bijdrage volgt uit de Emissieregistratie. Deze bijdrage ziet echter alleen op de directe emissies die samenhangen met starts en landingen vanaf Nederlandse luchthavens (onder 3.000 voet / 914 meter). Niet alle relevante emissies worden in de Emissieregistratie aan de luchtvaart toegerekend, zoals luchthaven-gerelateerde activiteiten en verkeersbewegingen van en naar de luchthavens.

Voor een goed beeld moet rekening worden gehouden met alle emissies die samenhangen met de luchtvaart. Dat geldt ook voor emissies die afkomstig zijn van vliegverkeer boven 3.000 voet. Boven deze grens zijn namelijk veel NOx-emissies afkomstig van de luchtvaart, ook al is de beïnvloedbaarheid van emissies boven 3.000 voet door Nederland gering.

Dat komt doordat de NOX-emissies vanuit de luchtvaart boven 3.000 voet afkomstig zijn van een groter gebied en niet herleidbaar zijn tot Nederlandse luchthavens of tot specifieke andere bronnen. Deze emissies hebben een sterk Europees en mondiaal karakter. Emissies boven 3.000 voet verdelen en verspreiden zich gelijkmatiger. Terwijl NOX onder de 3.000 voet binnen enkele uren neerslaat, slaat NOX boven 3.000 voet pas na ongeveer tien dagen neer.

Het Adviescollege stikstofproblematiek merkt verder op dat de gerapporteerde emissies in de luchtvaart tussen 1990 en 2005 met 85% zijn toegenomen en tussen 2005 en 2017 nog een keer met 25%.

“Door de stikstofreductie die in dezelfde periode in veel andere sectoren is behaald, is het relatieve aandeel van de luchtvaartsector sinds 1990 verviervoudigd.”

Weliswaar is de efficiëntie per vliegbeweging toegenomen, maar door de volumetoename zijn de emissies in absolute zin toegenomen.

Bijdrage aan de vermindering van stikstofdepositie

Het Adviescollege stikstofproblematiek adviseert om een groei van de luchtvaartsector alleen toe te staan, wanneer sprake is van een vermindering van de huidige NOX-emissies (van de luchtvaartsector als geheel). Dat kan bijvoorbeeld door intern en extern salderen.

Hiervoor moeten de gevolgen van de ontwikkelingen van de Nederlandse luchthavens volwaardig, volledig en integraal worden beoordeeld. Dat geldt ook voor:

  • grondgebonden activiteiten, zoals bagagevervoer, bussen die op de platforms rijden, tankwagens, etc. en
  • luchthaven-gerelateerde activiteiten, zoals het arriveren en vertrekken van passagiers en goederen, het woon-/werkverkeer van personeel en commerciële functies zoals het bevoorraden van winkels en kantoren op de luchthavens.

Referentiesituatie

Het Adviescollege stikstofproblematiek gaat in het advies niet in op de referentiesituatie die voor de luchtvaart geldt. Nu de luchthavens niet beschikken over een natuurvergunning, moet voor de referentiesituatie worden gekeken naar de milieutoestemming die gold ten tijde van, kort gezegd, de Europese referentiedatum van de betrokken Natura 2000-gebieden.

In eerdere Kamerbrieven had de minister van Infrastructuur en Waterstaat het steeds over 7 december 2004. Dat is de datum waarop de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn van kracht zijn geworden. Deze datum wordt ook een enkele keer in het advies van het Adviescollege stikstofproblematiek genoemd.

Gebieden kunnen echter ook op grond van de Vogelrichtlijn als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. In dat geval geldt veelal een eerdere datum dan 7 december 2004. Dat geldt ook voor verschillende Natura 2000-gebieden waarop in ieder geval Schiphol een stikstofdepositie veroorzaakt, namelijk:

  • Eilandspolder: 24 maart 2000
  • Wormer- en Jisperveld: 24 maart 2000
  • Ilperveld, Varkensland en Twiske: 24 maart 2000
  • Naardermeer: 29 oktober 1986
  • Oostelijke Vechtplassen: 24 maart 2000
  • Nieuwkoopse Plassen: 14 februari 1997.

Dit volgt uit het overzicht van referentiedata op de website van BIJ12.

Het lijkt er dan ook op dat de luchtvaart voor de referentiesituatie verder terug moet kijken dan 7 december 2004.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Beweiden en bemesten in relatie tot stikstof: hoe staat het er nu voor?

Voor beweiden en bemesten is in beginsel een natuurvergunning nodig. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1604). Maar hoe moet het nu verder? Daar gaf het Adviescollege stikstofproblematiek op 19 december 2019 een advies over. Diezelfde dag liet de minister weten dat de inzet van het kabinet is om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken. Hoe staat het er nu voor?

Achtergrond

Dat voor beweiden en bemesten een natuurvergunning nodig kan zijn, is niet nieuw. Dat oordeelde de Raad van State namelijk al in een uitspraak van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:316). Maar omdat dit volgens de toenmalige Staatssecretaris tot een ongewenste situatie leidde, is er een vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten ingevoerd. Deze vrijstelling gold eerst op landelijk niveau, maar daarna – vanwege de invoering van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 –op provinciaal niveau.

In een juridische procedure is de rechtmatigheid van deze vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten ter discussie gesteld. In de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Raad van State geoordeeld dat deze vrijstelling in strijd is met de eisen in de Europese Habitatrichtlijn. Daarom is de vrijstelling onverbindend. Dat betekent dat we juridisch gezien weer terug zijn bij de uitspraak van 4 februari 2015: voor beweiden en bemesten kan een natuurvergunning nodig zijn.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister van LNV) heeft daarna aangegeven weer met een oplossing te willen komen. Deze oplossing moet er zijn voor de aanvang van het nieuwe beweidings- en bemestingsseizoen in 2020. De minister van LNV heeft het Adviescollege stikstofproblematiek om advies hierover gevraagd.

Adviescollege stikstofproblematiek

Het Adviescollege stikstofproblematiek heeft op 19 december 2019 het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ uitgebracht. Het is een tussentijds advies voor de korte termijnaanpak van beweiden en bemesten in 2020 en is gericht op de vraag of voor beweiden en bemesten alsnog natuurvergunningen zouden moeten worden verleend.

Bemesten

Over bemesten merkt het Adviescollege op dat de ammoniakemissie hiervan ten opzichte van de Europese referentiedatum (vaak 7 december 2004) doorgaans is afgenomen. Deze afname is gerealiseerd door het aanscherpen van toegestane hoeveelheden per gewas, strengere aanwendingsnormen en gewijzigde technieken (die leiden tot een lagere uitstoot).

Als bemesten niet leidt tot een toename van emissies ten opzichte van de referentiedatum, dan kan worden uitgesloten dat bemesten significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. In dat geval is bemesten geen ‘project’ waarvoor een natuurvergunning is vereist, maar een zogeheten ‘andere handeling’. Voor andere handelingen gold tot 1 januari 2020 ook een natuurvergunningplicht, maar deze is met de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof per 1 januari 2020 vervallen. Dat betekent dat als bemesten slechts een andere handeling is, hiervoor geen natuurvergunning nodig is. Volgens het Adviescollege is dat “in het overgrote deel van de gevallen” aan de orde.

Er kunnen echter uitzonderingen zijn waarin bemesten wel leidt tot een toename van emissies. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het grondgebruik structureel is veranderd (bijvoorbeeld van akkerland naar grasland) of als gronden eerst niet of nauwelijks en nu volop bemest worden. Als bemesten leidt tot een toename van emissies dan is sprake van een ‘project’ en dan is hiervoor wel een natuurvergunning nodig.

Het Adviescollege beveelt aan om de bedrijfsspecifieke situaties in beeld te brengen, waarbij sprake is van een wijziging van grondgebruik. Er moet worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een hogere emissie dan op de referentiedatum. Hiervoor kunnen de meitellingen worden gebruikt. Vervolgens moet worden onderzocht of het gebruik tot knelpunten in Natura 2000-gebieden leidt. Voor deze uitzonderingssituaties beveelt het Adviescollege aan om een specifieke aanpak te ontwikkelen.

Beweiden

Over beweiden merkt het Adviescollege op dat dit op twee manieren bijdraagt aan een afname van de ammoniakemissie. Doordat de dieren een periode niet in de stal zijn, wordt de stal namelijk minder bevuild met mest en dooft de emissie in de stal uit. Daarnaast is er een afname van de ammoniakemissie doordat er minder stalmest wordt aangewend op de weilanden waar de dieren door weidegang zelf mest op brengen. Mest van beweiding kent een veel lagere ammoniakemissie dan mest die in de stal is opgevangen en opgeslagen, en vervolgens op het land wordt uitgereden.

Bedrijven die in de vergunning voor de stal gebruikmaken van de optie om te beweiden, mogen rekenen met een emissiereductie van 5% voor de emissies in de stal. Hierbij wordt alleen rekening gehouden met de eerste vorm van reductie (minder bevuiling met mest omdat de dieren een periode niet in de stal zijn). Het tweede positieve effect van beweiden is niet in de vergunning verdisconteerd.

Beweiden heeft dus een positief effect. Het is daarom aannemelijk dat voor beweiden geen sprake is van een hogere depositie dan waar in de stalvergunning al rekening mee is gehouden. Er is geen reden voor een verdere beoordeling van het huidige gebruik.

Standpunt kabinet

De minister van LNV heeft naar aanleiding van het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ op 19 december 2019 een Kamerbrief gestuurd. Hierin geeft de minister aan dat de inzet van het kabinet is om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken.

Het is echter nog steeds wachten op duidelijkheid en zekerheid.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 12