Stikstof verkeer tot heersende verkeersbeeld

De stikstofdepositie van verkeersbewegingen moet worden beoordeeld tot de verkeersbewegingen in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen. Dit bevestigde de Raad van State (nogmaals) in een uitspraak van 1 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1969).

In de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator staat dat een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer die door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer.

In de uitspraak van 1 september 2021 bevestigde de Raad van State – net als in de uitspraak van 19 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1054) – dat in stikstofberekeningen wat betreft het verkeer van en naar inrichtingen mag worden aangesloten bij de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator. Dat betekent dat de stikstofdepositie van verkeersbewegingen moet worden beoordeeld tot de verkeersbewegingen in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Referentiesituatie stikstof beweiden en bemesten

Op 29 juli 2021 heeft rechtbank Overijssel een nieuwe uitspraak gedaan over beweiden en bemesten (ECLI:NL:RBOVE:2021:3077). Deze bevat een paar belangrijke conclusies.

Referentiesituatie

Of beweiden en bemesten een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied veroorzaakt, moet worden beoordeeld ten opzichte van de ‘referentiesituatie’. Als voor beweiden en bemesten niet eerder een natuurvergunning is verleend, moet worden teruggekeken naar de situatie ten tijde van de ‘Europese referentiedatum’. Dat is, kort gezegd, de datum waarop een natuurgebied de status van Natura 2000-gebied heeft verkregen. Dat is vaak 10 juni 1994, 24 maart 2000 en/of 7 december 2004 (zie hier een overzicht).

Voor de referentiesituatie moet op grond van vaste rechtspraak worden gekeken naar de milieutoestemming (vergunning of melding) die gold ten tijde van de Europese referentiedatum. Ook mag worden gekeken naar algemeen geldende regels waaruit een toestemming kan worden afgeleid.

Maar voor beweiden en bemesten is nooit een individuele milieutoestemming nodig geweest. Daarom was de vraag hoe de referentiesituatie voor beweiden en bemesten moet worden vastgesteld. Rechtbank Overijssel heeft geoordeeld dat hiervoor kan worden gekeken naar het bestemmingsplan zoals dat gold ten tijde van de Europese referentiedatum.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de te hanteren referentiedatum 10 juni 1994 is en dat op dat moment de gronden conform het vigerende bestemmingsplan een agrarische bestemming bezaten, zodat belanghebbende vóór en op de referentiedatum naar nationaal recht toestemming had om deze percelen onbeperkt te bemesten. De rechtbank ziet zich daarmee voor de vraag gesteld of in een situatie als de onderhavige, waarin op het moment van de referentiesituatie geen milieurechtelijke toestemming nodig was voor de activiteit (het bemesten van gronden), de planologische regeling op die referentiedatum kan worden beschouwd als een toestemming waardoor de onderhavige handeling mag worden uitgezonderd van de vergunningplicht. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Steun daarvoor vindt de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604 (rechtsoverweging 22.4). Daaruit blijkt dat de Afdeling van oordeel is dat aan de voorwaarde dat naar nationaal recht toestemming was verleend, ook wordt voldaan als een activiteit op basis van algemene regels was toegestaan. De ratio is immers – zo blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1068 (rechtsoverweging 4.2) – dat een activiteit rechtmatig plaatsvond voor de relevante referentiedatum. (…)

De rechtbank is – evenals verweerder – van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarin op het moment van de referentiesituatie geen milieurechtelijke toestemming nodig was voor de activiteit (het beweiden van vee), de planologische regeling op die referentiedatum kan worden beschouwd als een toestemming waardoor de onderhavige handeling mag worden uitgezonderd van de vergunningplicht.”

Voortzetting van de activiteit

Nadat de referentiesituatie voor beweiden en bemesten (op grond van het bestemmingsplan) is vastgesteld, moet volgens de rechtbank worden gekeken of het beweiden en bemesten sinds de referentiesituatie ook daadwerkelijk plaatsvinden en steeds zijn voortgezet. Dit moet ook worden aangetoond.

Hoe moet worden aangetoond dat beweiden en bemesten al die tijd (dus soms al vanaf 10 juni 1994) hebben plaatsgevonden, blijft volgens mij nog steeds de grote vraag.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Overgangsrecht geen referentiesituatie voor stikstof

Ook in een bestemmingsplan moet het aspect stikstof worden beoordeeld. Het is vaste rechtspraak dat de referentiesituatie voor stikstof in een bestemmingsplan de feitelijk, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan betreft. In een uitspraak van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1371) heeft de Raad van State duidelijk gemaakt dat daarbij geen rekening mag worden gehouden met overgangsrecht.

De Afdeling overweegt dat anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, er geen sprake is van een planologisch legale situatie in de zin van de Wnb. Hoewel er feitelijk sprake is van bestaand gebruik, waarbij het perceel al tientallen jaren met enige regelmaat gebruikt wordt voor paardensportevenementen, is deze situatie pas planologisch legaal geworden met het nu ter beoordeling staande bestemmingsplan. Ook indien de paardensportevenementen onder het overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan zouden vallen, wat overigens in het midden kan blijven, betekent dit niet dat deze evenementen planologisch legaal zouden zijn. Ter vergelijking verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4932, overweging 3.6. Voor de vraag of de paardenevenementen die dit plan toestaat significante gevolgen kunnen hebben en om die reden passend beoordeeld moeten worden is verder de eerder verleende milieuvergunning niet relevant. Ter vergelijking verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3680, overweging 5.5. Dit alles tezamen betekent dat het plan voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Gelet op het feit dat het plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen, een voortoets ontbreekt en artikel 2.8, vierde lid, van de Wnb niet van toepassing is, is de Afdeling van oordeel dat de raad ten onrechte geen passende beoordeling heeft gemaakt om de effecten van de stikstofdepositie op het perceel voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden te beoordelen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 2.8 van de Wnb tot stand gekomen.”

Dus als een gemeente bijvoorbeeld in een bestemmingsplan abusievelijk is vergeten om een bepaalde bestemming voort te zetten en dat wenst te herstellen in een nieuw bestemmingsplan, dan kan voor de beoordeling van de stikstofdepositie geen gebruik worden gemaakt van het overgangsrecht. Het overgangsrecht kan namelijk niet dienen als referentiesituatie.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Lelieteelt en Natura 2000: natuurvergunning nodig?

Op 18 juni 2021 heeft rechtbank Noord-Nederland een uitspraak gedaan over lelieteelt en Natura 2000-gebieden (ECLI:NL:RBNNE:2021:2483). Blijkt uit deze uitspraak nu dat voor lelieteelt mogelijk een natuurvergunning nodig is?

Volgens de rechtbank kan voor lelieteelt mogelijk een natuurvergunning nodig zijn. Daarvoor kunnen verschillende redenen zijn, zoals drainage en/of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Op basis van de uitspraak kan niet worden gezegd dat voor lelieteelt of andere teelten altijd een natuurvergunning nodig is. Ook kan op basis van de uitspraak niet worden gezegd dat voor drainage en/of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen altijd een natuurvergunning nodig is.

Natuurvergunningplicht

Een natuurvergunning is alleen nodig als significante effecten van een ‘project’ op een Natura 2000-gebied niet op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Er is al snel sprake van een project. Als het gaat om een fysieke ingreep in het natuurlijk milieu, is namelijk al sprake van een project. Zo zijn ook beweiden en bemesten een project. Volgens de rechtbank is lelieteelt ook aan te merken als een project.

Of een project wel of geen significante effecten op een Natura 2000-gebied kan hebben, moet in principe worden beoordeeld ten opzichte van het moment waarop, kort gezegd, een natuurgebied de status van Natura 2000-gebied heeft verkregen. Dat wordt de Europese referentiedatum genoemd. De Europese referentiedatum is vaak 10 juni 1994, 24 maart 2000 en/of 7 december 2004. Als alles ten opzichte van toen hetzelfde is gebleven of niet is verslechterd, zal er in principe geen sprake zijn van significante effecten. In dat geval is geen natuurvergunning nodig.

Maar als er sinds de Europese referentiedatum bijvoorbeeld extra percelen voor lelieteelt zijn gebruikt, kan er mogelijk wel sprake zijn van significante effecten. Dat moet dan worden beoordeeld.

Gebruik van extra percelen

Het gebruik van extra percelen voor lelieteelt sinds de Europese referentiedatum was voor de rechtbank een van de redenen om te oordelen dat de lelieteelt mogelijk significante effecten op Natura 2000-gebied kan hebben. In dit geval was de lelieteelt tussen 1990 en 2021 uitgebreid van 1 ha tot 100 ha (met nog altijd een uitbreiding).

De provincie had gelet op de uitbreiding van de lelieteelt sinds de Europese referentiedatum moeten beoordelen of de lelieteelt significante effecten op Natura 2000-gebied kan hebben. Zo nee, dan is geen natuurvergunning nodig voor de lelieteelt. Zo ja, dan is wel een natuurvergunning nodig voor de lelieteelt.

Drainage

De lelieteelt kan mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden hebben vanwege de aangelegde drainage. De provincie had hier wel onderzoek naar laten uitvoeren, maar dat onderzoek was beperkt tot een aantal nieuwe percelen voor de lelieteelt. Dat onderzoek had gelet op de uitbreiding op meer percelen moeten zien. Ook had de provincie daarbij moeten onderzoeken of er cumulatieve effecten met andere projecten zijn. De provincie had dat volgens de rechtbank ten onrechte niet onderzocht.

Overigens heeft de Raad van State in een uitspraak van 15 februari 2017 ook al eens vastgesteld dat er voor drainage een natuurvergunning nodig kan zijn.

Gewasbeschermingsmiddelen

Ook het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen/bestrijdingsmiddelen kan volgens de rechtbank mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden veroorzaken. Dat deze middelen in zijn algemeenheid worden onderzocht door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, ook op effecten voor de natuur, is volgens de rechtbank onvoldoende.

Daarbij heeft de rechtbank ook het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO) betrokken. Uit het OBO blijkt dat restanten van gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen bij zowel omwonenden die dicht bij de bespoten bollenvelden wonen als bij deelnemers uit de controlegroep die verder dan 500 meter van een agrarisch veld wonen. Dat betekent dat ook op afstanden van meer dan 250 meter restanten van gewasbeschermingsmiddelen neerslaan, aldus de rechtbank. Daarom had de provincie ook hiernaar verder onderzoek moeten doen.

Gevolgen

De uitspraak van rechtbank Noord-Nederland maakt duidelijk dat voor teelten, bijvoorbeeld vanwege drainage en/of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, een natuurvergunning nodig kan zijn. Of daadwerkelijk een natuurvergunning nodig is, hangt van verschillende factoren af. In de kern gaat het erom of duidelijk kan worden gemaakt dat de teelt geen significante effecten voor Natura 2000-gebied veroorzaakt. Dat brengt in ieder geval weer extra onderzoek met zich.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Wijziging tenaamstelling natuurvergunning

Kan tegen de wijziging van de tenaamstelling van een natuurvergunning geprocedeerd worden? Die vraag beantwoordde de Raad van State in een uitspraak van 31 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:667).

Wat was er aan de hand?

Een voormalig pluimveehouder beschikt over een natuurvergunning voor het in werking hebben van een pluimveebedrijf. Dat pluimveebedrijf is op een executieveiling echter verkocht aan een nieuwe eigenaar.

De nieuwe eigenaar heeft de provincie vervolgens verzocht om de natuurvergunning op zijn naam te stellen. De provincie heeft hiermee ingestemd en de natuurvergunning op naam van de nieuwe eigenaar gezet.

De voormalig pluimveehouder is het hier niet mee eens en heeft tegen het besluit van de provincie beroep ingediend. De rechtbank heeft in een uitspraak van 6 november 2018 het beroep gegrond verklaard, het besluit van de provincie herroepen en het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling alsnog afgewezen.

Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben de nieuwe eigenaar en de provincie hoger beroep ingediend. De Raad van State heeft hierover op 31 maart 2021 een uitspraak gedaan.

Is er sprake van een besluit?

De Raad van State heeft allereerst beoordeeld of het wijzigen van de tenaamstelling van de natuurvergunning wel een besluit in de zin van de wet is. Anders kan er namelijk niet over geprocedeerd worden.

Volgens de Raad van State is een beslissing op een verzoek om wijziging van de tenaamstelling een besluit. Een wijziging van de tenaamstelling leidt er namelijk toe dat de aan de natuurvergunning verbonden rechten en plichten overgaan op een andere vergunninghouder. Degene op wiens naam de natuurvergunning wordt gesteld, krijgt daardoor het recht om die vergunning te gebruiken.

De Raad van State is hierbij ook ingegaan op de vraag hoe een natuurvergunning op een andere (rechts)persoon kan overgaan. Daarvoor moet een onderscheid worden gemaakt tussen een ‘zelfstandige’ natuurvergunning en een natuurtoestemming die als onderdeel van een omgevingsvergunning is verleend (in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen).

Als de natuurtoestemming als onderdeel van de omgevingsvergunning is verleend, dan gelden de regels uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Als de omgevingsvergunning (inclusief natuurtoestemming) moet overgaan op een andere (rechts)persoon, dan moet deze overgang aan het bevoegd gezag worden gemeld. Een natuurtoestemming die als onderdeel van een omgevingsvergunning is verleend, gaat op grond van (artikel 2.25 van) de Wabo van rechtswege over op degene die het project uitvoert.

In de Wet natuurbescherming is niets geregeld over de overgang van een natuurvergunning op een andere (rechts)persoon. Maar dat betekent niet dat een natuurvergunning niet op een ander kan overgaan. De aard van een natuurvergunning verzet zich daar ook niet tegen.

Een belanghebbende kan bij de provincie verzoeken om de tenaamstelling van een natuurvergunning te wijzigen. De bevoegdheid om de tenaamstelling te wijzigen, ligt volgens de Raad van State besloten in de bevoegdheid om een vergunning te verlenen.

De provincie kan afhankelijk van de omstandigheden van het geval medewerking verlenen aan een verzoek om wijziging van de tenaamstelling. Op die manier kan de overgang van een natuurvergunning worden geregeld. Maar dat laat onverlet dat de provincie ook de mogelijkheid heeft om in plaats daarvan een nieuwe natuurvergunning te verlenen.

Wijziging tenaamstelling

De uitspraak van de Raad van State gaat vervolgens over de vraag of de provincie de natuurvergunning die aan de voormalig pluimveehouder was verleend, op naam van de nieuwe eigenaar mocht zetten.

De rechtbank oordeelde dat de provincie dat niet had mogen doen. Een natuurvergunning vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde. De voormalig pluimveehouder heeft hiervoor kosten moeten maken. Door de wijziging van de tenaamstelling zonder compensatie kan de voormalig pluimveehouder volgens de rechtbank dan ook financiële schade lijden. De voormalig eigenaar is door het besluit van de provincie eenzijdig de beschikking en de zeggenschap over de natuurvergunning ontnomen, zonder dat hij of zijn belangen daarbij zijn betrokken, laat staan gecompenseerd. Daarom had de rechtbank het besluit van de provincie herroepen.

De Raad van State heeft hierover echter anders geoordeeld. Op het moment van het verzoek en het besluit tot wijziging van de tenaamstelling van de natuurvergunning was de voormalig pluimveehouder al geen eigenaar meer. Toen was de nieuwe eigenaar al eigenaar van de pluimveehouderij. De voormalig pluimveehouder kon op dat moment dus al geen gebruik meer maken van de natuurvergunning. Daarom stonden de (financiële) belangen van de voormalig pluimveehouder volgens de Raad van State niet in de weg aan het wijzigen van de tenaamstelling. De Raad van State heeft daarom de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Het besluit tot wijziging van de tenaamstelling van de natuurvergunning is alsnog in stand gebleven.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 12