Natura 2000, stikstof en het relativiteitsvereiste

Iemand die geen belang heeft bij de bescherming van Natura 2000-gebieden, kan in een juridische procedure niet met succes een beroep doen op de natuurwetgeving. Daar staat het zogeheten relativiteitsvereiste namelijk aan in de weg. Op 24 juni 2020 heeft de Raad van State daar een interessante uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RVS:2020:1481).

Wat houdt het relativiteitsvereiste in?

Het relativiteitsvereiste is een belangrijke regel in procedures bij de bestuursrechter. Dat vereiste bepaalt namelijk dat een bestuursrechter een besluit niet vernietigt omdat het in strijd is met een rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, terwijl die regel of dat beginsel niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Kortom: iemand kan alleen succesvol bezwaren indienen met betrekking tot aspecten die strekken tot bescherming van zijn of haar belangen. Dit geldt overigens pas vanaf het moment dat de procedure aanhangig is bij de bestuursrechter. In de bezwaarfase is het relativiteitsvereiste namelijk niet van toepassing.

Rechtspraak over Natura 2000

Het relativiteitsvereiste speelt ook in procedures over natuurwetgeving een belangrijke rol. Want iemand kan misschien wel beroep indienen tegen bijvoorbeeld een natuurvergunning, maar daar vervolgens niets mee doen omdat diegene geen belang heeft bij de bescherming van een Natura 2000-gebied.

Stel dat een veehouder voor een uitbreiding van zijn veehouderij een nieuwe natuurvergunning krijgt en de buurman hiertegen beroep indient bij de bestuursrechter. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied ligt op 2 kilometer afstand. Dan mag de buurman wel beroep indienen tegen de natuurvergunning van de veehouder, maar verder heeft hij daar geen belang bij. De rechter zal namelijk oordelen dat de buurman geen belang heeft bij de bescherming van het Natura 2000-gebied. Het relativiteitsvereiste staat dan in de weg aan het vernietigen van de natuurvergunning.

Uitspraak Raad van State van 24 juni 2020

Wanneer iemand wel of geen belang heeft bij de bescherming van een Natura 2000-gebied, beoordeelt de rechter van geval tot geval (zie hier bijvoorbeeld een uitspraak over iemand die op een afstand van 500 meter of 620 meter van een Natura 2000-gebied woonde). In de uitspraak van 24 juni 2020 heeft de Raad van State daar voor het eerst een algemene ‘richtlijn’ voor gegeven. Deze luidt als volgt:

“Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijke verwevenheid kan worden aangenomen, moet onder meer rekening worden gehouden met de situering van de woning van de betrokkene, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, geheel of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied. Indien het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de directe woonomgeving van de betrokkene, is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld.”

Vervolgens heeft de Raad van State die ‘richtlijn’ toegepast op de situatie die aan de orde was. Degene die beroep had ingediend, woont op een afstand van maar 350 meter van een Natura 2000-gebied. Op 250 meter afstand van die woning ligt een rivier die uitloopt in het Natura 2000-gebied. Tussen de woning en het Natura 2000-gebied liggen enkele andere percelen met daarop bebouwing, een weiland en een watermolen met een horecagelegenheid.

Gezien deze omstandigheden heeft degene die het beroep heeft ingediend naar het oordeel van de Raad van State geen eigen belang bij de bescherming van het Natura 2000-gebied. Om die reden heeft de Raad van State de beroepsgrond over de natuurwetgeving vanwege het relativiteitsvereiste niet inhoudelijk behandeld.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Ontkoppelen natuurtoestemming is mogelijk

Het ontkoppelen van een natuurtoestemming is mogelijk, zo bevestigt de Raad van State in een uitspraak van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1160). Dat geldt zowel voor een natuurvergunning (gebiedsbescherming) als voor een ontheffing (soortenbescherming).

Achtergrond

Als voor een bepaalde activiteit zowel een omgevingsvergunning als een toestemming ingevolge de Wet natuurbescherming (natuurvergunning of ontheffing voor soorten) nodig is, geldt een aanhaakplicht. De vergunningaanvrager kan deze aanhaakplicht voorkomen door de procedures voor de verschillende benodigde toestemmingen te ontkoppelen. Een nadere toelichting hierop is hier te lezen.

Uit de wet lijkt te volgen dat de vergunningaanvrager deze keuze (aanhaken of ontkoppelen) moet maken bij het indienen van de eerste aanvraag. Maar uit de rechtspraak blijkt inmiddels dat de aanhaakplicht tijdens te procedure nog kan komen te vervallen, door de omgevingsvergunning en de natuurtoestemming dan alsnog te ontkoppelen.

Rechtspraak

Dat het ontkoppelen van een natuurtoestemming mogelijk is, bleek voor de soortenbescherming al uit een uitspraak van de Raad van State van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:803). Deze uitspraak is daarna in de praktijk veel toegepast om ook de natuurvergunning tijdens de procedure te ontkoppelen.

In de uitspraak van 29 april 2020 heeft de Raad van State bevestigd dat dit (inderdaad) ook bij een natuurvergunning mogelijk is. Daartoe heeft de Raad van State het volgende overwogen:

“De Afdeling stelt vast dat de gebiedsbeschermingsvergunning en soortenbeschermingsontheffing niet zijn aangehaakt bij de bedoelde omgevingsvergunning, maar later in een afzonderlijke procedure zijn verleend. De Wnb biedt ruimte voor deze handelwijze, nu die wet geen verplichting bevat om een aanvraag voor een gebiedsbeschermingsvergunning of soortenbeschermingsontheffing op grond van deze wet aan te haken bij een, reeds in voorbereiding zijnde, omgevingsvergunning.”

Daarmee is voortaan ook voor natuurvergunningen (‘gebiedsbeschermingsvergunningen’) duidelijk dat het mogelijk is om deze tijdens de procedure te ontkoppelen van een omgevingsvergunning.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

De PAS-uitspraak, het relaviteitsvereiste en een nadere beoordeling

De uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) heeft voor veel andere lopende zaken gevolgen. Veel besluiten die op basis van het PAS zijn vastgesteld, worden vernietigd. Maar in sommige zaken biedt het relativiteitsvereiste of een nadere beoordeling uitkomst voor de initiatiefnemer. Dit was bijvoorbeeld het geval in de uitspraak van de Raad van State van 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2835).

Wat was er aan de hand?

De gemeente Almere heeft het bestemmingsplan ‘Almere Poort West en Pampushout’ vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet onder andere in de bouw van woningen.

Tegen dit bestemmingsplan is beroep ingediend door verschillende partijen, waaronder de Vereniging van Eigenaars IJmeerdijk 2 (VvE). De VvE heeft onder andere aangevoerd dat de gemeente het bestemmingsplan niet had kunnen vaststellen onder verwijzing naar het PAS.

Juridisch kader

De Raad van State heeft op 29 mei 2019 een uitspraak gedaan over het PAS. Omdat de passende beoordeling van het PAS niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld, mag het PAS niet als toestemmingsbasis voor economische ontwikkelingen worden gebruikt. Voor een samenvatting van de uitspraak verwijs ik u naar mijn blog hierover.

Oordeel van de rechter

De Raad van State is in de uitspraak eerst ingegaan op het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht). Dit vereiste houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen op de grond dat het besluit in strijd is met een regel die niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Voor zover het gaat om de Wet natuurbescherming (Wnb), is het vaste rechtspraak dat alleen als de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, voldoende verweven zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, de betrokken normen van de Wnb strekken tot bescherming van hun belangen. Als die verwevenheid er niet of onvoldoende is, dan staat het relativiteitsvereiste in de weg aan een vernietiging van een besluit vanwege een beroepsgrond hierover.

De VvE heeft aangevoerd dat de gemeente het bestemmingsplan niet had kunnen vaststellen onder verwijzing naar het PAS. Er is sprake van een invloed op twee Natura 2000-gebieden, namelijk het gebied ‘Naardermeer’ en het gebied ‘Markermeer & IJmeer’.

Omdat het Natura 2000-gebied ‘Naardermeer’ op een afstand van minimaal 3,5 km van het perceel van de VvE ligt, heeft de VvE onvoldoende belang bij een bescherming van dit gebied. Daarom staat het relativiteitsvereiste er ten aanzien van dit gebied aan in de weg dat het bestemmingsplan om die reden wordt vernietigd.

Het Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’ ligt aangrenzend aan de woningen van de VvE. In zoverre heeft de VvE dus wel een voldoende belang. Maar toch heeft de Raad van State het bestemmingsplan ondanks de PAS-uitspraak niet vernietigd, terwijl het bestemmingsplan hier wel op is gebaseerd. De Raad van State heeft dan ook allereerst vastgesteld dat de beoordeling van de gevolgen van het plan voor het Natura 2000-gebied niet gebaseerd kon worden op het PAS.

In het ‘Markermeer & IJmeer’ zijn echter geen voor stikstof gevoelige habitattypen aanwezig. Hierover heeft de Raad van State het volgende overwogen:

“Weliswaar is in het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied “Markermeer & IJmeer” aangegeven dat het habitattype kranswierwateren (H3140) gevoelig is voor stikstof, maar in het zogenoemde “Natura 2000 profieldocument”, waarin beschrijvingen zijn opgenomen van habitattypen waarvoor doelen zijn vastgesteld, is voor het habitattype kranswierwateren (H3140) aangegeven dat dit habitattype in fysisch geografische regio afgesloten zeearmen, met name in de randmeren, niet gevoelig is voor stikstofdepositie. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen het Markermeer en het IJmeer worden aangemerkt als afgesloten zeearmen in de zin van het zogenoemde “profieldocument habitattype kranswierwateren (H3140)”, zodat het daar voorkomende habitattype kranswierwateren (H3140) niet als stikstofgevoelig kan worden aangemerkt. De Afdeling vindt hiervoor steun in het beheerplan “Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017-2023”, waarin staat dat in Markermeer & IJmeer geen sprake is van een knelpunt als gevolg van (externe) stikstofdepositie en geen herstelstrategieën nodig zijn.”

Gelet hierop heeft de gemeente het bestemmingsplan naar het oordeel van de Raad van State niet vastgesteld in strijd met de Wnb.

In deze zaak biedt een nadere beoordeling op gebiedsniveau dus een uitkomst voor de initiatiefnemer.

mw. mr. Franca Damen

Belangenafweging bij wijziging tenaamstelling Wnb-vergunning

Voor bedrijven die een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaken, is het van belang om over een vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) te beschikken. Als een dergelijk bedrijf wordt overgenomen, is het daarom ook van belang dat de Wnb-vergunning kan worden overgenomen. Maar is een Wnb-vergunning wel overdraagbaar en/of kan de tenaamstelling van een Wnb-vergunning worden gewijzigd? Op 6 november 2018 heeft rechtbank Gelderland hierover een uitspraak gedaan (ECLI:NL:RBGEL:2018:4770).

Wat was er aan de hand?

Een voormalig pluimveehouder beschikt over een Wnb-vergunning voor het in werking hebben van een pluimveebedrijf. Dat pluimveebedrijf is op een executieveiling echter verkocht aan een nieuwe eigenaar.

De nieuwe eigenaar heeft de provincie vervolgens verzocht om de Wnb-vergunning op zijn naam te stellen. De provincie heeft hiermee ingestemd en de Wnb-vergunning op naam van de nieuwe eigenaar gezet.

De voormalig pluimveehouder is het hier niet mee eens en heeft tegen het besluit van de provincie beroep ingediend.

Is er sprake van een besluit?

De rechtbank heeft allereerst beoordeeld of het wijzigen van de tenaamstelling van de Wnb-vergunning wel een besluit in de zin van de wet is. Anders kan er namelijk geen beroep worden ingediend.

Volgens de rechtbank is er sprake van een besluit, aangezien door de wijziging van de tenaamstelling de rechten en plichten die aan de Wnb-vergunning zijn verbonden overgaan op de nieuwe eigenaar, die daarmee in een rechtsverhouding tot de provincie komt te staan.

Is de vergunning overdraagbaar?

Vervolgens is de vraag of een Wnb-vergunning overdraagbaar is. Deze vraag komt niet aan de orde in de uitspraak van rechtbank Gelderland, maar wel in een eerdere uitspraak van de Raad van State van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9525). Zoals de Raad van State in die uitspraak heeft overwogen, is voor het antwoord op de vraag of een vergunning kan worden overgedragen, het civiel recht van belang.

Voor een nadere toelichting hierop verwijs ik naar een presentatie die ik hierover eerder heb gegeven.

Artikel 3:83 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet. Alle andere rechten zijn alleen overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.

Vergunningen zijn andere rechten en dus alleen overdraagbaar als de wet dit bepaalt. De Wet natuurbescherming voorziet niet in een regeling over de overdracht van Wnb-vergunningen. Dit betekent dat Wnb-vergunningen niet overdraagbaar zijn volgens de regels van het civiel recht.

Maar dit betekent niet dat een Wnb-vergunning niet kan overgaan op een ander (rechts)persoon. Gelet op de aard van de vergunning is het mogelijk om het bevoegd gezag te verzoeken om de tenaamstelling van een Wnb-vergunning te wijzigen. Als het bevoegd gezag hieraan medewerking verleent, kan langs deze weg een overgang van een Wnb-vergunning worden gerealiseerd.

Wijziging tenaamstelling

De uitspraak van rechtbank Gelderland gaat over de wijziging van de tenaamstelling van een Wnb-vergunning. De provincie heeft de Wnb-vergunning op verzoek van de nieuwe eigenaar op naam van de nieuwe eigenaar gezet.

De voormalig pluimveehouder is het daar niet mee eens, aangezien de Wnb-vergunning een grote vermogensrechtelijke waarde vertegenwoordigt.

De rechtbank acht aannemelijk dat de Wnb-vergunning voor de voormalig pluimveehouder inderdaad een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt. De voormalig pluimveehouder heeft namelijk kosten moeten maken voorafgaand aan de aanvraag en voor het indienen ervan leges moeten betalen. Daarnaast vertegenwoordigt de Wnb-vergunning volgens de rechtbank een vermogensrecht in de zin van artikel 3:1 en 3:6 Burgerlijk Wetboek.

Ook voor de nieuwe eigenaar vertegenwoordigt de Wnb-vergunning een aanzienlijke waarde. Die waarde is dus, anders dan de provincie stelde, niet teniet gegaan op het moment dat de voormalig pluimveehouder de zeggenschap over het pluimveebedrijf heeft verloren.

Door de wijziging van de tenaamstelling zonder compensatie kan de voormalig pluimveehouder volgens de rechtbank dan ook financiële schade lijden. De voormalig eigenaar is door het besluit van de provincie eenzijdig de beschikking en de zeggenschap over de Wnb-vergunning ontnomen, zonder dat hij of zijn belangen daarbij zijn betrokken, laat staan gecompenseerd.

De provincie heeft op deze manier naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld. Omdat de provincie nog steeds niet de financiële belangen van de voormalig pluimveehouder onderkende en de nieuwe eigenaar niet bereid was om voor de wijziging van de tenaamstelling van de Wnb-vergunning te betalen, heeft de rechtbank meteen doorgepakt en besloten dat het verzoek tot wijziging van de tenaamstelling alsnog wordt afgewezen.

mw. mr. Franca Damen

Programma Aanpak Stikstof omzeilen met ADC-toets?

Het Programma Aanpak Stikstof kan worden omzeild met de zogeheten ADC-toets. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft daarvoor gekozen in het kader van de Blankenburgverbinding, om op die manier niet de uitspraken over het Programma Aanpak Stikstof af te hoeven wachten. De Minister heeft het Programma Aanpak Stikstof met succes omzeild. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2454).

Wat was er aan de hand?

De Blankenburgverbinding vormt een nieuwe autosnelweg (A24) ten westen van Rotterdam die de A15 met de A20 verbindt. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft hiervoor een tracébesluit vastgesteld. In dat besluit zijn ook de effecten van de Blankenburgverbinding op Natura 2000-gebieden beoordeeld.

Die beoordeling heeft aanvankelijk plaatsgevonden met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Op 17 mei 2017 heeft de Raad van State aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over het PAS (zie mijn blogserie hierover alsook mijn blogserie over de conclusie van de Advocaat-Generaal). Om die reden heeft de Raad van State zaken waarin het PAS aan de orde is, voorlopig aangehouden. Een van die zaken betrof het tracébesluit voor de Blankenburgverbinding.

De Minister heeft ervoor gekozen om de aanhouding van het tracébesluit niet af te wachten. In plaats daarvan heeft de Minister geprobeerd om het PAS te omzeilen door de zogeheten ADC-toets uit te voeren. Daarvoor heeft de Minister een wijzigingsbesluit vastgesteld. Op 18 juli 2018 heeft de Raad van State hierover een uitspraak gedaan.

Juridisch kader

De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Vooral de stikstofdepositie die een activiteit kan veroorzaken, is daarbij van belang. De manier waarop de effecten van een activiteit, zoals de stikstofdepositie, op een Natura 2000-gebied moeten worden beoordeeld, is geregeld in de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb.

Omdat veel Natura 2000-gebieden overbelast zijn met stikstofdepositie, is hiervoor een programmatische aanpak vastgesteld: het PAS. Het PAS mag worden gebruikt bij het verlenen van toestemmingen voor activiteiten die een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen veroorzaken. De gedachte is dat aan de hand van het PAS kan worden aangetoond dat de zekerheid is verkregen dat (de stikstofdepositie ten gevolge van) een activiteit niet tot een verslechtering van Natura 2000-gebieden leidt (artikel 2.8, derde lid, Wnb).

De Raad van State heeft op 17 mei 2017 prejudiciële vragen gesteld over, kort gezegd, de juridische houdbaarheid van het PAS. In de kern komen de vragen erop neer of het PAS in overeenstemming is met artikel 6, tweede en derde lid, Habitatrichtlijn.

Naast het PAS is er echter ook een andere mogelijkheid om een toestemming ingevolge de Wnb te verkrijgen, namelijk aan de hand van de zogeheten ADC-toets. Deze toets staat in artikel 2.8, vierde en vijfde lid, Wnb en sluit aan bij artikel 6, vierde lid, Habitatrichtlijn. Op grond hiervan kan alleen een toestemming worden verkregen als:

  • alternatieven ontbreken (A);
  • sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang (D);
  • compenserende maatregelen worden getroffen (C).

Voor een nadere toelichting verwijs ik graag naar mijn artikel ‘Habitatrichtlijn als basis voor vergunningplicht Natuurbeschermingswet’. In mijn artikel ‘Blogserie conclusie A-G over PAS (deel 6): streep door PAS?’ kunt u meer lezen over de conclusie van de Advocaat-Generaal over het PAS in relatie tot de ADC-toets.

Oordeel van de rechter

De Raad van State heeft over de door de Minister uitgevoerde ADC-toets het volgende geoordeeld.

Alternatieven

Volgens de Minister zijn er gelet op het plan-MER geen alternatieven voor het tracé die een beperkter effect op Natura 2000-gebieden hebben. Dit is toegelicht in het wijzigingsbesluit.

De Raad van State heeft geen redenen om hieraan te twijfelen.

Dwingende reden

Volgens de Minister is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang, omdat de Blankenburgverbinding nodig is vanuit een oogpunt van menselijke gezondheid en openbare veiligheid. Meer concreet moet de gebiedsveiligheid in het Haven Industrieel Complex (HIC) worden verbeterd. Daar bevindt zich een uitzonderlijk hoge concentratie industriële inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, bewerkt of vervoerd. Hiervoor moeten een extra evacuatieroute (bewoners en werknemers) en een alternatieve aanrijroute (hulpdiensten) beschikbaar zijn, omdat de ontsluiting van het HIC nu plaatsvindt via de incidentgevoelige A15 en het wegennet rond Rotterdam structurele capaciteitsproblemen heeft (die in de toekomst verder zullen toenemen).

Volgens de Raad van State is het verbeteren van de veiligheid van het HIC-gebied een argument dat verband houdt met de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid. Het is van belang dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de evacuatiemogelijkheden voor bewoners en werknemers zo goed mogelijk zijn. Er is daarom sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang.

De Minister mocht naar het oordeel van de Raad van State in redelijkheid meer gewicht toekennen aan de gebiedsveiligheid van het HIC dan aan het belang van het voorkomen van aantastingen van de betrokken Natura 2000-gebieden.

Compenserende maatregelen

In de beroepschriften tegen het wijzigingsbesluit is gewezen op de arresten Briels (ECLI:EU:C:2014:330) en Orléans (ECLI:EU:C:2016:583) van het Hof van Justitie. De Raad van State leest in deze arresten niet dat de gebieden die als compensatie worden aangelegd zich in een gunstige staat van instandhouding moeten bevinden voordat het tracé in gebruik wordt genomen.

“Het Hof heeft in punt 32 van het arrest Briels er weliswaar op gewezen dat “de eventuele positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling brengen van een nieuwe habitat waarmee het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van ditzelfde type habitat in een beschermd gebied dient te worden gecompenseerd […] in de regel onzeker zijn, en dat deze gevolgen hoe dan ook slechts binnen enkele jaren zichtbaar zullen worden” maar dit is in verband met de beoordeling of een plan of project de natuurlijke kenmerken van een gebied aantast. In die beoordeling mogen alleen beschermingsmaatregelen worden betrokken waarmee “wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit dit project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen” (punt 28).

In het arrest Orléans heeft het Hof op vergelijkbare wijze overwogen. In punt 64 van dat arrest is overwogen dat maatregelen die zijn opgenomen in een plan of project “die erin voorzien dat, voordat zich negatieve gevolgen voordoen voor een [in het aangetaste gebied] voorkomend type natuurlijke habitat, er een toekomstig areaal van dat type wordt ontwikkeld, waarvan de ontwikkeling evenwel zal worden voltooid na de beoordeling van de significantie van de mogelijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit gebied, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij die beoordeling. Dergelijke maatregelen kunnen in voorkomend geval slechts als „compenserende maatregelen” in de zin van artikel 6, lid 4, [van de Habitatrichtlijn] worden aangemerkt wanneer is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.”

In het onderhavige geval gaat het echter niet om maatregelen die zijn betrokken bij de beoordeling of het tracé de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden aantast. Dat het tracé tot een dergelijke aantasting kan leiden, staat immers vast. De maatregelen waar het hier om gaat, zijn bedoeld als compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Het Hof heeft zich in de voornoemde arresten niet uitgelaten over de vraag wanneer deze maatregelen precies hun effect moeten sorteren.”

De Raad van State wijst vervolgens op de ‘Richtsnoeren voor de toepassing van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn’ van de Europese Commissie en overweegt daarover het volgende:

“Volgens de Commissie is het dus niet onder alle omstandigheden vereist dat het resultaat van de voorgenomen compenserende maatregelen is bereikt voordat de schade ontstaat, maar moeten dan aanvullende maatregelen worden getroffen om geleden verliezen extra te compenseren.”

De gebieden die dienen als compensatie zijn volgens de Minister al aangelegd, maar hebben tot ongeveer 2028 nodig voordat deze volledig als habitattypen kunnen kwalificeren. Het tracé wordt naar verwachting uiterlijk in 2024 volledig in gebruik genomen. De grootste effecten worden in 2030 verwacht.

Gelet hierop heeft de Minister zich naar het oordeel van de Raad van State terecht op het standpunt gesteld dat in zoverre is gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Slot

De Raad van State komt gelet op deze overwegingen tot de conclusie dat de Blankenburgverbinding de ADC-toets doorstaat. Op deze manier heeft de Minister het PAS kunnen omzeilen.

De ADC-toets kan mogelijk ook in andere situaties een oplossing bieden. Wel zal aan de strenge criteria van de ADC-toets voldaan moeten worden.

Meer lezen over de conclusie van de Advocaat-Generaal over de ADC-toets in relatie tot het PAS? Lees dan mijn blog ‘Blogserie conclusie A-G over PAS (deel 6): streep door PAS?’.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 10