Voortgang stikstofproblematiek: landbouw en gebiedsgerichte aanpak

Op 7 februari 2020 is een nieuwe Kamerbrief over de voortgang van de stikstofproblematiek gestuurd. Deze Kamerbrief gaat over maatregelen in de landbouw en een verdere impuls van de gebiedsgerichte aanpak. De Kamerbrief bevat ook enkele gewijzigde inzichten.

Belangrijkste punten

De belangrijkste punten uit de Kamerbrief van 7 februari 2020 zijn naar mijn mening de volgende:

  1. Er komt geen koppeling tussen de verkoop van ammoniakrechten ten behoeve van extern salderen en de inname van dier- en fosfaatrechten. Als een veehouder zijn ammoniakrechten verkoopt aan een private partij, behoudt hij zijn dier- en/of fosfaatrechten. Deze worden dan dus niet ingenomen. Deze zullen wel worden ingenomen bij opkoop van veehouderijen door de overheid.
  2. Het verleasen van ammoniakrechten wordt mogelijk om projecten met tijdelijke stikstofdepositie toe te kunnen staan.
  3. Beweiden en bemesten is niet vergunningplichtig.

Hieronder volgen de hoofdlijnen van de Kamerbrief.

Landbouw

In de landbouw komen er maatregelen voor stoppers en voor blijvers.

Voor stoppers wordt € 350 miljoen beschikbaar gesteld vanuit het Rijk. Dit bedrag is bedoeld om veehouders die willen stoppen gericht op te kopen. Dit is onderdeel van het gebiedsproces.

Voor blijvers wordt € 172 miljoen beschikbaar gesteld. Dit bedrag is bedoeld voor innovatieve, brongerichte verduurzaming van stallen.

Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen

Om de innovatieve, brongerichte verduurzaming van stallen te ondersteunen, wordt het ontwikkelen van nieuwe technieken gestimuleerd. Het gaat om technieken die alle schadelijke emissies in samenhang en brongericht reduceren en in de kringloop houden. Bovenop deze technieken kunnen innovatieve end of pipe technieken worden gebruikt. Deze mogen het risico op stalbranden echter niet vergroten en geen negatieve consequenties hebben voor dierenwelzijn.

Om investeringen in nieuwe technieken mogelijk te maken, wordt een subsidieregeling geopend. Het betreft de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv). Deze subsidieregeling bestaat uit twee subsidiemodules.

  1. Innovatiemodule: deze module ziet op onderzoek naar en het ontwikkelen van het gebruik van innovaties en managementmaatregelen.
  2. Investeringsmodule: deze module ziet op de uitrol van bewezen innovaties.

De innovatiemodule wordt naar verwachting in april 2020 opengesteld. De investeringsmodule is eind mei/juni 2020 voorzien.

Om innovatie te versnellen, werkt het kabinet ook aan meer ruimte in de regelgeving. Hiervoor wordt onder andere een wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij voorbereid. Ook wordt er een Taskforce Versnelling Innovatieproces ingesteld.

Maatregelen landbouw

Er wordt gewerkt aan verschillende maatregelen voor de landbouw, waaronder de volgende.

  1. Met het oog op perspectief voor blijvers én stoppers komt er een systeem van geregistreerde onafhankelijke bedrijfscoaches. Deze coaches helpen boeren op hun bedrijf stikstofreducerende maatregelen te nemen en/of te begeleiden naar de verschillende innovatie- en uitkoopregelingen.
  2. Boeren die willen extensiveren, omschakelen naar een andere bedrijfsvoering (bijvoorbeeld kringlooplandbouw) of verplaatsen naar een locatie verder weg van een Natura 2000-gebied, worden ondersteund. Omdat de beschikbaarheid van grond hierbij een belangrijke factor kan zijn, onderzoekt het kabinet hoe een grondbank en instrumenten voor landinrichting hiervoor ingezet kunnen worden.
  3. Boeren in de omgeving van Natura 2000-gebieden die willen stoppen, kunnen gericht worden opgekocht. Vrijwilligheid is hierbij het uitgangspunt.

Extensivering, verplaatsing en minnelijke verwerving van veehouderijen vinden plaats in de gebiedsprocessen.

Andere perspectiefvolle maatregelen die het kabinet ziet, betreffen het verminderen van eiwit in het voer (wat mogelijk is op grond van de Spoedwet aanpak stikstof), het vergroten van weidegang en het emissiearmer uitrijden van mest. Deze maatregelen zijn gericht op de melkveehouderij. In de varkenshouderij en de pluimveehouderij is het verminderen van eiwit in het voer ingrijpender. Bovendien zijn in deze sectoren de afgelopen jaren ook al stappen gezet.

Voor de varkenshouderij is het Programma Vitale Varkenshouderij het uitgangspunt voor de stikstofaanpak. Hierin neemt de sector ambitieuze maatregelen die leiden tot een forse reductie van ammoniak. Daarnaast zal de ammoniakemissie in de varkenshouderij fors afnemen door de Subsidieregeling sanering varkenshouderij. Het kabinet wil de ontvangen aanvragen van varkenshouderijen die aan de eisen voldoen honoreren.

Vrijkomende stikstofruimte

De stikstofruimte die vrijkomt bij het opkopen van veehouderijen, wordt in samenwerking met provincies ingezet. De stikstofruimte kan worden gebruikt voor:

  • herstel van de natuur;
  • het legaliseren van PAS-meldingen;
  • ontwikkelingen die in dat gebied noodzakelijk of gewenst zijn;
  • het oplossen van eventuele problematiek die volgt uit de uitzonderingen op het niet-vergunningsplichtig zijn van bemesten.

Productierechten

Eerder heeft de minister aangekondigd dat extern salderen met veehouderijen pas mogelijk is nadat de Meststoffenwet daartoe is gewijzigd. Bij verkoop van ammoniakrechten ten behoeve van extern salderen zouden namelijk de bijbehorende productierechten (dier- en/of fosfaatrechten) worden ingenomen.

Hiervan wordt nu afgezien. Bij verkoop van ammoniakrechten door private partijen worden de bijbehorende productierechten niet ingenomen. Productierechten zijn dan nog vrij verhandelbaar en kunnen worden gebruikt door een veehouder die hiervoor emissieruimte heeft in zijn natuurvergunning.

Als de overheid veehouderijen opkoopt, zullen de bijbehorende productierechten wel worden ingenomen en doorgehaald.

Extern salderen

Extern salderen met veehouderijen moet op korte termijn gestart kunnen worden. Ongerichte en ongecontroleerde opkoop van veehouderijen moet hierbij worden voorkomen. Daarom zal extern salderen plaats moeten vinden binnen de gebiedsgerichte aanpak.

Op die manier kan vrijkomende stikstofruimte ook effectief worden ingezet. Een initiatiefnemer moet de depositie die hij veroorzaakt, op ieder gebied (ieder hexagoon) mitigeren. Om dat te bereiken via het opkopen van bedrijven zullen in veel gevallen meerdere bedrijven moeten worden opgekocht, terwijl een initiatiefnemer per bedrijf vaak lang niet alle vrijkomende stikstofruimte nodig heeft. Daarom is het effectiever om benodigde en vrijkomende ruimte met elkaar te verbinden als onderdeel van het gebiedsproces. Provincies hebben daarin een sturende rol.

Verleasen

De minister zet zich ervoor in om verleasen mogelijk te maken. Een ondernemer kan een deel van zijn niet benutte stikstofruimte in zijn vergunning op tijdelijke basis beschikbaar stellen aan een andere initiatiefnemer (privaat, publiek). Het verleasen van stikstofruimte kan alleen aan activiteiten die tijdelijk stikstofdepositie veroorzaken en niet aan activiteiten die permanent stikstofdepositie veroorzaken.

Voor verleasen gelden vergelijkbare eisen als voor extern salderen. Dit betekent dat:

  • het uitgangspunt de gerealiseerde capaciteit is;
  • de niet gerealiseerde capaciteit in de vergunning niet gebruikt kan worden om te verleasen;
  • gedurende de looptijd van de overeenkomst 70% van de verleasde stikstofruimte kan worden ingezet (na beëindiging van het verleasen geldt weer de situatie van daarvoor).

Hierbij moet wel gegarandeerd worden dat de verleasde ruimte niet dubbel wordt gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door dit vast te leggen in een overeenkomst. Die overeenkomst wordt dan overgelegd bij de aanvraag van de natuurvergunning door de initiatiefnemer die stikstofruimte nodig heeft.

Beweiden en bemesten

Overeenkomstig het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ heeft de minister met de provincies afgesproken om beweiden en bemesten niet vergunningsplichtig te maken. Hierop kunnen enkele uitzonderingen bestaan, bijvoorbeeld als het grondgebruik structureel is veranderd. Deze uitzonderingen zullen in beeld worden gebracht.

Agenda

De komende periode staan in ieder geval de volgende punten nog op de ‘stikstofagenda’:

  • februari 2020: een kabinetsreactie op het ‘Advies luchtvaartsector’ van het Adviescollege stikstofproblematiek;
  • februari 2020: publicatie van de Subsidiemodule brongerichte verduurzaming stal en managementmaatregelen;
  • februari/maart 2020: openstelling stikstofregistratiesysteem;
  • voorjaar 2020: aanpak natuurherstel en -verbetering;
  • voorjaar 2020: volgende (bron)maatregelen in de betrokken sectoren;
  • voorjaar 2020: vaststellen van een streefwaarde voor de reductie van stikstofuitstoot in 2030;
  • voor zomer 2020: een kabinetsreactie op het advies voor de lange termijn van het Adviescollege stikstofproblematiek;
  • zomer 2020: eerste resultaten van de doorlichting van Natura 2000-gebieden;
  • zomer 2020: voortgang grondbank en instrumenten voor landinrichting.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Stikstof in de luchtvaart

Ook de luchtvaart draagt bij aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Over de omvang hiervan bestaat echter onduidelijkheid. Daarnaast blijken de Nederlandse luchthavens niet over een natuurvergunning te beschikken. Er is daarom behoefte aan duidelijkheid. Het ‘Advies Luchtvaartsector’ van het Adviescollege stikstofproblematiek zou hieraan moeten bijdragen.

Achtergrond

In oktober 2019 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister van LNV) het Adviescollege stikstofproblematiek gevraagd om een advies te geven over de luchtvaartsector. Het Adviescollege stikstofproblematiek heeft op 15 januari 2020 het ‘Advies luchtvaartsector’ uitgebracht.

In het advies staan twee hoofdvragen centraal:

  • Wat is de huidige bijdrage van de luchtvaartsector aan de depositie van stikstof in Nederland?
  • En wat kan de luchtvaartsector in Nederland bijdragen aan de vermindering van de stikstofdepositie?

Het Adviescollege stikstofproblematiek maakt hierbij een onderscheid tussen de luchtvaart en luchthavens. Dit is namelijk van belang voor een analyse van de bijdrage aan de stikstofproblematiek én voor de mate van beïnvloedbaarheid van de emissies. Voor wat betreft de luchthavens richt het Adviescollege stikstofproblematiek zich met name op Schiphol en Lelystad Airport. Voor deze luchthavens moet namelijk een besluit genomen worden. De militaire luchtvaart is niet meegenomen in het advies.

De huidige bijdrage aan stikstofdepositie

De bijdrage van de luchtvaartsector aan de stikstofemissie en stikstofdepositie is groter dan eerder is gerapporteerd. In plaats van 0,1% zou de bijdrage tussen de 0,7 en 1,1% van het nationale totaal voor NH3 (ammoniak) en NOX zijn. Dit komt overeen met een stikstofdepositie in Nederland vanuit de luchtvaart (onder en boven 3.000 voet) tussen 12 en 19 N/ha/jaar.

De eerder gerapporteerde 0,1% bijdrage volgt uit de Emissieregistratie. Deze bijdrage ziet echter alleen op de directe emissies die samenhangen met starts en landingen vanaf Nederlandse luchthavens (onder 3.000 voet / 914 meter). Niet alle relevante emissies worden in de Emissieregistratie aan de luchtvaart toegerekend, zoals luchthaven-gerelateerde activiteiten en verkeersbewegingen van en naar de luchthavens.

Voor een goed beeld moet rekening worden gehouden met alle emissies die samenhangen met de luchtvaart. Dat geldt ook voor emissies die afkomstig zijn van vliegverkeer boven 3.000 voet. Boven deze grens zijn namelijk veel NOx-emissies afkomstig van de luchtvaart, ook al is de beïnvloedbaarheid van emissies boven 3.000 voet door Nederland gering.

Dat komt doordat de NOX-emissies vanuit de luchtvaart boven 3.000 voet afkomstig zijn van een groter gebied en niet herleidbaar zijn tot Nederlandse luchthavens of tot specifieke andere bronnen. Deze emissies hebben een sterk Europees en mondiaal karakter. Emissies boven 3.000 voet verdelen en verspreiden zich gelijkmatiger. Terwijl NOX onder de 3.000 voet binnen enkele uren neerslaat, slaat NOX boven 3.000 voet pas na ongeveer tien dagen neer.

Het Adviescollege stikstofproblematiek merkt verder op dat de gerapporteerde emissies in de luchtvaart tussen 1990 en 2005 met 85% zijn toegenomen en tussen 2005 en 2017 nog een keer met 25%.

“Door de stikstofreductie die in dezelfde periode in veel andere sectoren is behaald, is het relatieve aandeel van de luchtvaartsector sinds 1990 verviervoudigd.”

Weliswaar is de efficiëntie per vliegbeweging toegenomen, maar door de volumetoename zijn de emissies in absolute zin toegenomen.

Bijdrage aan de vermindering van stikstofdepositie

Het Adviescollege stikstofproblematiek adviseert om een groei van de luchtvaartsector alleen toe te staan, wanneer sprake is van een vermindering van de huidige NOX-emissies (van de luchtvaartsector als geheel). Dat kan bijvoorbeeld door intern en extern salderen.

Hiervoor moeten de gevolgen van de ontwikkelingen van de Nederlandse luchthavens volwaardig, volledig en integraal worden beoordeeld. Dat geldt ook voor:

  • grondgebonden activiteiten, zoals bagagevervoer, bussen die op de platforms rijden, tankwagens, etc. en
  • luchthaven-gerelateerde activiteiten, zoals het arriveren en vertrekken van passagiers en goederen, het woon-/werkverkeer van personeel en commerciële functies zoals het bevoorraden van winkels en kantoren op de luchthavens.

Referentiesituatie

Het Adviescollege stikstofproblematiek gaat in het advies niet in op de referentiesituatie die voor de luchtvaart geldt. Nu de luchthavens niet beschikken over een natuurvergunning, moet voor de referentiesituatie worden gekeken naar de milieutoestemming die gold ten tijde van, kort gezegd, de Europese referentiedatum van de betrokken Natura 2000-gebieden.

In eerdere Kamerbrieven had de minister van Infrastructuur en Waterstaat het steeds over 7 december 2004. Dat is de datum waarop de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn van kracht zijn geworden. Deze datum wordt ook een enkele keer in het advies van het Adviescollege stikstofproblematiek genoemd.

Gebieden kunnen echter ook op grond van de Vogelrichtlijn als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. In dat geval geldt veelal een eerdere datum dan 7 december 2004. Dat geldt ook voor verschillende Natura 2000-gebieden waarop in ieder geval Schiphol een stikstofdepositie veroorzaakt, namelijk:

  • Eilandspolder: 24 maart 2000
  • Wormer- en Jisperveld: 24 maart 2000
  • Ilperveld, Varkensland en Twiske: 24 maart 2000
  • Naardermeer: 29 oktober 1986
  • Oostelijke Vechtplassen: 24 maart 2000
  • Nieuwkoopse Plassen: 14 februari 1997.

Dit volgt uit het overzicht van referentiedata op de website van BIJ12.

Het lijkt er dan ook op dat de luchtvaart voor de referentiesituatie verder terug moet kijken dan 7 december 2004.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Beweiden en bemesten in relatie tot stikstof: hoe staat het er nu voor?

Voor beweiden en bemesten is in beginsel een natuurvergunning nodig. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1604). Maar hoe moet het nu verder? Daar gaf het Adviescollege stikstofproblematiek op 19 december 2019 een advies over. Diezelfde dag liet de minister weten dat de inzet van het kabinet is om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken. Hoe staat het er nu voor?

Achtergrond

Dat voor beweiden en bemesten een natuurvergunning nodig kan zijn, is niet nieuw. Dat oordeelde de Raad van State namelijk al in een uitspraak van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:316). Maar omdat dit volgens de toenmalige Staatssecretaris tot een ongewenste situatie leidde, is er een vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten ingevoerd. Deze vrijstelling gold eerst op landelijk niveau, maar daarna – vanwege de invoering van de Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 –op provinciaal niveau.

In een juridische procedure is de rechtmatigheid van deze vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor beweiden en bemesten ter discussie gesteld. In de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Raad van State geoordeeld dat deze vrijstelling in strijd is met de eisen in de Europese Habitatrichtlijn. Daarom is de vrijstelling onverbindend. Dat betekent dat we juridisch gezien weer terug zijn bij de uitspraak van 4 februari 2015: voor beweiden en bemesten kan een natuurvergunning nodig zijn.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister van LNV) heeft daarna aangegeven weer met een oplossing te willen komen. Deze oplossing moet er zijn voor de aanvang van het nieuwe beweidings- en bemestingsseizoen in 2020. De minister van LNV heeft het Adviescollege stikstofproblematiek om advies hierover gevraagd.

Adviescollege stikstofproblematiek

Het Adviescollege stikstofproblematiek heeft op 19 december 2019 het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ uitgebracht. Het is een tussentijds advies voor de korte termijnaanpak van beweiden en bemesten in 2020 en is gericht op de vraag of voor beweiden en bemesten alsnog natuurvergunningen zouden moeten worden verleend.

Bemesten

Over bemesten merkt het Adviescollege op dat de ammoniakemissie hiervan ten opzichte van de Europese referentiedatum (vaak 7 december 2004) doorgaans is afgenomen. Deze afname is gerealiseerd door het aanscherpen van toegestane hoeveelheden per gewas, strengere aanwendingsnormen en gewijzigde technieken (die leiden tot een lagere uitstoot).

Als bemesten niet leidt tot een toename van emissies ten opzichte van de referentiedatum, dan kan worden uitgesloten dat bemesten significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. In dat geval is bemesten geen ‘project’ waarvoor een natuurvergunning is vereist, maar een zogeheten ‘andere handeling’. Voor andere handelingen gold tot 1 januari 2020 ook een natuurvergunningplicht, maar deze is met de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof per 1 januari 2020 vervallen. Dat betekent dat als bemesten slechts een andere handeling is, hiervoor geen natuurvergunning nodig is. Volgens het Adviescollege is dat “in het overgrote deel van de gevallen” aan de orde.

Er kunnen echter uitzonderingen zijn waarin bemesten wel leidt tot een toename van emissies. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als het grondgebruik structureel is veranderd (bijvoorbeeld van akkerland naar grasland) of als gronden eerst niet of nauwelijks en nu volop bemest worden. Als bemesten leidt tot een toename van emissies dan is sprake van een ‘project’ en dan is hiervoor wel een natuurvergunning nodig.

Het Adviescollege beveelt aan om de bedrijfsspecifieke situaties in beeld te brengen, waarbij sprake is van een wijziging van grondgebruik. Er moet worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een hogere emissie dan op de referentiedatum. Hiervoor kunnen de meitellingen worden gebruikt. Vervolgens moet worden onderzocht of het gebruik tot knelpunten in Natura 2000-gebieden leidt. Voor deze uitzonderingssituaties beveelt het Adviescollege aan om een specifieke aanpak te ontwikkelen.

Beweiden

Over beweiden merkt het Adviescollege op dat dit op twee manieren bijdraagt aan een afname van de ammoniakemissie. Doordat de dieren een periode niet in de stal zijn, wordt de stal namelijk minder bevuild met mest en dooft de emissie in de stal uit. Daarnaast is er een afname van de ammoniakemissie doordat er minder stalmest wordt aangewend op de weilanden waar de dieren door weidegang zelf mest op brengen. Mest van beweiding kent een veel lagere ammoniakemissie dan mest die in de stal is opgevangen en opgeslagen, en vervolgens op het land wordt uitgereden.

Bedrijven die in de vergunning voor de stal gebruikmaken van de optie om te beweiden, mogen rekenen met een emissiereductie van 5% voor de emissies in de stal. Hierbij wordt alleen rekening gehouden met de eerste vorm van reductie (minder bevuiling met mest omdat de dieren een periode niet in de stal zijn). Het tweede positieve effect van beweiden is niet in de vergunning verdisconteerd.

Beweiden heeft dus een positief effect. Het is daarom aannemelijk dat voor beweiden geen sprake is van een hogere depositie dan waar in de stalvergunning al rekening mee is gehouden. Er is geen reden voor een verdere beoordeling van het huidige gebruik.

Standpunt kabinet

De minister van LNV heeft naar aanleiding van het advies ‘Bemesten en beweiden in 2020’ op 19 december 2019 een Kamerbrief gestuurd. Hierin geeft de minister aan dat de inzet van het kabinet is om beweiden en bemesten niet vergunningplichtig te maken.

Het is echter nog steeds wachten op duidelijkheid en zekerheid.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Nieuwe beleidsregels intern en extern salderen

Op 10 december 2019 hebben de provincies, waarvan de provincie Friesland onder voorbehoud, ingestemd met de nieuwe beleidsregels intern en extern salderen. Dit hebben zij gedaan nadat zij hierover afspraken hebben gemaakt met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, zo volgt uit een Kamerbrief van 4 december 2019.

Achtergrond

De provincies hebben op 8 oktober 2019 de beleidsregels intern en extern salderen vastgesteld. Tussen de minister en de provincies en de provincies onderling bestond er echter verschil van inzicht over deze beleidsregels. Verschillende provincies hebben de beleidsregels intern en extern salderen daarom (kort) na 8 oktober 2019 alweer ingetrokken of opgeschort.

Nadat de minister en de provincies begin december 2019 afspraken over de beleidsregels hebben gemaakt, hebben de provincies op 10 december 2019 de nieuwe beleidsregels intern en extern salderen vastgesteld.

Wijzigingen

De nieuwe beleidsregels intern en extern salderen verschillen op enkele punten van de beleidsregels zoals deze op 8 oktober 2019 waren vastgesteld. De belangrijkste wijzigingen zien op de uitgangssituatie die bij intern en extern salderen moet worden gebruikt om te beoordelen of er sprake is van een toename van de stikstofdepositie.

Intern salderen

Op grond van de oude beleidsregels gold voor intern salderen als uitgangssituatie dat alleen rekening mocht worden gehouden met de capaciteit die aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd en voor zover het bedrijf beschikte over dier- en/of fosfaatrechten of CO2-rechten.

De koppeling met deze rechten is in de nieuwe beleidsregels losgelaten. Op grond van de nieuwe beleidsregels geldt voor intern salderen als uitgangssituatie dat rekening mag worden gehouden met de capaciteit die aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. Het gaat daarbij om de feitelijk gerealiseerde capaciteit op het moment van het indienen van een nieuwe vergunningaanvraag.

Op deze hoofdregel bestonden enkele uitzonderingen. In geval van die uitzonderingen mocht de referentiesituatie (in plaats van de feitelijk gerealiseerde capaciteit) als uitgangspunt worden gehanteerd. Die uitzonderingen blijven ook in de nieuwe beleidsregels bestaan en daaraan is een uitzondering toegevoegd. In de volgende situaties (uitzonderingen) mag de referentiesituatie als uitgangspunt voor een nieuwe vergunningaanvraag worden gebruikt:

  • op het moment van inwerkingtreding van dit artikel is het project nog niet volledig gerealiseerd, maar zijn wel aantoonbaar stappen gezet met het oog op volledige realisatie;
  • op het moment van inwerkingtreding van dit artikel is nog niet aangevangen met de realisatie van vergunde capaciteit, maar zijn daarvoor wel al aantoonbaar onomkeerbare significante investeringsverplichtingen aangegaan;
  • het project is noodzakelijk ten behoeve van de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied;
  • de aanvraag ziet op het toepassen van een alternatieve verdergaande N-emissie reducerende techniek ter vervanging van de eerder verleende emissie reducerende techniek, die leidt tot een vermindering van de N-emissie, zonder uitbreiding van de capaciteit zoals opgenomen in de laatst verleende toestemming (deze uitzondering is nieuw);
  • het gaat om één of meer van de volgende projecten: energieprojecten van nationaal belang, wegen, vaarwegen, spoorwegen, luchtvaart, woningbouw, duurzame energieopwekking, militaire activiteiten of projecten in het kader van de nationale veiligheid.
Extern salderen

Op grond van de oude beleidsregels gold voor extern salderen als uitgangssituatie dat alleen rekening mocht worden gehouden met de feitelijk benutte capaciteit op 8 oktober 2019 (dus de aantoonbaar feitelijk gerealiseerde capaciteit voor zover deze feitelijk werd benut op 8 oktober 2019). Ook deze uitgangssituatie is gewijzigd en gelijk getrokken met die voor intern salderen.

Dit betekent dat op grond van de nieuwe beleidsregels ook voor extern salderen als uitgangssituatie geldt dat rekening mag worden gehouden met de capaciteit die aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. Het gaat daarbij om de feitelijk gerealiseerde capaciteit op het moment van het indienen van een nieuwe vergunningaanvraag.

Als extra voorwaarde bij extern salderen geldt op grond van de nieuwe beleidsregels dat de saldogever eerst moet verzoeken om zijn vergunning voor de niet-gerealiseerde capaciteit in te trekken. Pas daarna verleent de provincie een natuurvergunning aan de saldo-ontvanger.

Ongewijzigd

De andere regels zijn (nagenoeg) ongewijzigd gebleven in de nieuwe beleidsregels intern en extern salderen. Dat betekent onder andere dat intern en extern salderen in bepaalde gevallen uitgesloten blijft (bijvoorbeeld bij deelname aan een warme saneringsregeling), dat er bij extern salderen 30% van de rechten wordt afgeroomd en dat extern salderen nog niet mogelijk is met bedrijven die op 4 oktober 2019 beschikten over dier- en/of fosfaatrechten. Extern salderen met deze bedrijven zal pas mogelijk zijn als hierover landelijke wetgeving is vastgesteld. In de Meststoffenwet zal naar verwachting worden bepaald dat in geval van verkoop van ammoniakrechten in het kader van extern salderen de bijbehorende dier- en/of fosfaatrechten worden ingenomen. Hierover komt naar verwachting in februari 2020 duidelijkheid over.

Samenvatting

  Intern salderen Extern salderen
Basis natuurvergunning of laagste vergunning sinds referentiedatum natuurvergunning of laagste vergunning sinds referentiedatum
Wegnemen latente ruimte niet gerealiseerde capaciteit niet gerealiseerde capaciteit
Betekent de volgende uitgangssituatie feitelijk aantoonbaar gerealiseerde capaciteit op moment aanvraag natuurvergunning (met uitzonderingen) feitelijk aantoonbaar gerealiseerde capaciteit op moment aanvraag natuurvergunning
Terug naar Besluit emissiearme huisvesting ten hoogste de emissie die is toegestaan o.g.v. Besluit emissiearme huisvesting ten hoogste de emissie die is toegestaan o.g.v. Besluit emissiearme huisvesting
Afroming n.v.t. 30% afromen
Bijbehorende dierrechten n.v.t. worden ingenomen (indien Meststoffenwet daartoe wordt gewijzigd)
     
Niet toegestaan bij deelname aan warme saneringsregeling; indien intrekking rechten nodig is o.g.v. artikel 6, lid 2, Hrl bij deelname aan warme saneringsregeling of stoppersregeling ammoniak; indien intrekking rechten nodig is o.g.v. artikel 6, lid 2, Hrl

mw. mr. Franca Damen

Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur

Op 20 december 2019 is een concept voor de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur ter consultatie voorgelegd. Deze regeling stelt een stikstofregistratiesysteem in dat ruimte moet bieden bij het verlenen van toestemming voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken.

Achtergrond

In december 2019 is de Spoedwet aanpak stikstof vastgesteld. Deze spoedwet voorziet onder andere in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling een stikstofregistratiesysteem in te stellen. Van deze mogelijkheid willen de betrokken ministers zo spoedig mogelijk gebruik maken.

Wijziging Regeling natuurbescherming

De Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur zal de Regeling natuurbescherming wijzigen. Hierna worden de belangrijkste wijzigingen toegelicht.

Definities

In artikel 1.1 van de Regeling natuurbescherming worden verschillende definities ingevoegd, waaronder de volgende:

  • depositieruimte: ruimte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar, voor stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die is opgenomen in het register;
  • emissiereductieplan: document, waarin is toegelicht hoe de emissies van stikstof gedurende de realisatie van het project worden bereikt;
  • register: het Stikstofdepositieregister ,bedoeld in artikel 2.3, beschikbaar op aerius.nl;
  • woondealregio: regio waar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een woondeal mee heeft ondertekend.

Toepassingsbereik

Het stikstofregistratiesysteem geldt alleen voor de projecten die zullen worden opgenomen in artikel 2.2 van de Regeling natuurbescherming, namelijk:

  • projecten ter realisatie van 75.000 woningen, inclusief noodzakelijke en direct met het woningbouwproject samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en
  • zeven (vastgelegde) tracébesluiten.

Aan deze projecten kan op basis van het stikstofregistratiesysteem depositieruimte worden toegekend. Dat kan worden gedaan in een natuurvergunning, een omgevingsvergunning met bijbehorende verklaring van geen bedenkingen voor natuur of een tracébesluit.

Het stikstofregistratiesysteem

Hoe het stikstofregistratiesysteem werkt, wordt vastgelegd in artikel 2.4 van de Regeling natuurbescherming en is vergelijkbaar met het PAS. Er kan namelijk depositieruimte worden gereserveerd, toegedeeld, afgeschreven en bijgeschreven. De omvang van de depositieruimte wordt berekend met AERIUS Calculator en is afhankelijk van de vermindering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van bepaalde bronmaatregelen. Maximaal 70% van de vermindering van stikstofdepositie wordt als depositieruimte in het stikstofregistratiesysteem opgenomen.

Als gevolg van de volgende bronmaatregelen wordt depositieruimte in het stikstofregistratiesysteem opgenomen:

  • de snelheidsverlaging op rijkswegen (zie de Kamerbrief van 13 november 2019);
  • de warme saneringsregeling varkenshouderij (zie de Kamerbrief van 13 november 2019);
  • de andere samenstelling van veevoer (zie de Kamerbrief van 13 november 2019);
  • maatregelen die na 1 januari 2020 door decentrale bestuursorganen zijn getroffen en waarvaan mededeling is gedaan in de Staatscourant.

Bronmaatregelen worden niet in de berekening van de vermindering van stikstofdepositie betrokken:

  • zolang voor de bronmaatregel een wettelijke regeling nodig is die dit borgt en deze regeling nog niet in werking is getreden;
  • voor zover de vermindering van stikstofdepositie niet met voldoende zekerheid en nauwkeurigheid kan worden vastgesteld; en
  • zolang handhaving van wettelijke voorschriften die verband houden met de bronmaatregel onvoldoende verzekerd is.

Depositieruimte

De omvang van de toe te delen depositieruimte moet worden berekend met AERIUS Calculator. Daarbij wordt een verschil gemaakt tussen een tijdelijke en permanente toename van de stikstofdepositie.

Woningbouwprojecten

Voor woningbouwprojecten geldt dat een aanvraag voor een natuur- of omgevingsvergunning in ieder geval de volgende informatie moet bevatten:

  • een nauwkeurige omschrijving van het woningbouwproject, waarin in ieder geval is omschreven:
    • het type te realiseren woningen;
    • het aantal te realiseren woningen;
    • de wegen, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen die ten behoeve van de woningen moeten worden aangelegd; en
    • een overzicht van stikstofemissiebronnen die zijn gehanteerd als uitgangspunt voor de berekening van de stikstofdepositie in AERIUS Calculator;
  • een emissiereductieplan.

Bij het toedelen of reserveren van depositieruimte aan woningbouwprojecten wordt zo nodig een voorkeursvolgorde aangehouden. Daarbij moeten dan in ieder geval de volgende criteria worden meegewogen:

  • de mate waarin het project aansluit bij de lokale of regionale woningbehoefte;
  • of het woningbouwproject binnen een gemeente wordt gerealiseerd die deel uitmaakt van een woondealregio;
  • de verhouding in het project tussen het aantal te realiseren woningen ten opzichte van de benodigde depositieruimte;
  • de inhoud van het emissiereductieplan voor een project.

Aan een omgevingsvergunning voor een woningbouwproject waaraan depositieruimte uit het stikstofregistratiesysteem is toegedeeld, worden in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:

  • binnen het project of de locatie van het project worden de mogelijkheden tot intern salderen volledig benut;
  • de woningen worden niet aangesloten op een distributienet voor aardgas;
  • het project wordt uitgevoerd overeenkomstig het emissiereductieplan en tijdens de bouw worden alle overige maatregelen getroffen die redelijkerwijs van de vergunninghouder kunnen worden gevergd om stikstofdepositie te beperken;
  • het project wordt binnen drie jaar vanaf de datum waarop de vergunning onherroepelijk is geworden, gerealiseerd.

Nu de Spoedwet aanpak stikstof op 1 januari 2020 in werking treedt, kan de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur worden vastgesteld.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 16