Het belang van voldoende bouwinspanningen

Voldoende bouwinspanningen kunnen van belang zijn om een omgevingsvergunning bouwen in stand te houden. Anders kan het bevoegd gezag de vergunning op enig moment intrekken. Op 17 juni 2020 heeft de Raad van State hier een interessante uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RVS:2020:1399).

Op grond van de wet mag het bevoegd gezag (veelal het college van burgemeester en wethouders van de gemeente) een omgevingsvergunning bouwen intrekken als hier gedurende 26 weken geen gebruik van wordt gemaakt. Dit is een bevoegdheid van het bevoegd gezag en dus geen verplichting.

Bij de afweging van het bevoegd gezag of het gebruik maakt van de bevoegdheid om een omgevingsvergunning bouwen in te trekken, moet het bevoegd gezag alle relevante belangen inventariseren en afwegen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Ook mag het bevoegd gezag meewegen of het aan de vergunninghouder is toe te rekenen dat hij niet op tijd gebruik heeft gemaakt van de vergunning.

Als de vergunninghouder bovendien niet aannemelijk kan maken dat hij de vergunning alsnog binnen korte termijn zal gebruiken, is dat op grond van vaste rechtspraak al voldoende om het intrekken van de ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.

Met het oog daarop is het van belang om voor voldoende bouwinspanningen te zorgen. Dat geldt ook als er problemen zijn met de aannemer.

In de situatie die aan de orde is in de uitspraak van 17 juni 2020, had de vergunninghouder namelijk problemen met zijn aannemer. Vanwege een conflict met de aannemer is op enig moment niet verdergegaan met de bouw. De vergunninghouder heeft het bevoegd gezag van die ontwikkelingen op de hoogte gehouden.

Toen duidelijk was dat de bouw niet door de aannemer zou worden hervat, is de vergunninghouder vrijwel direct op zoek gegaan naar een andere aannemer die uiteindelijk het bouwplan zou realiseren. De vergunninghouder en de nieuwe aannemer hadden overeenstemming over het voortzetten van de bouwwerkzaamheden op basis van regie, hangende de totstandkoming van de aanneemovereenkomst. Op dat moment besloot het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning bouwen in te trekken. Een definitieve aanneemovereenkomst was er op dat moment dus nog niet.

Gelet op deze omstandigheden had het bevoegd gezag de omgevingsvergunning naar het oordeel van de Raad van State niet mogen intrekken. De vergunninghouder heeft de nodige inspanningen verricht nadat duidelijk was geworden dat de voormalige aannemer de bouwwerkzaamheden niet zou afronden. Op het moment dat het bevoegd gezag besloot om de vergunning in te trekken, was bij het bevoegd gezag bekend dat de onderhandelingen met de nieuwe aannemer in een vergevorderd stadium waren. De vergunninghouder heeft het bevoegd gezag steeds op de hoogte gehouden. Bovendien heeft de vergunninghouder nooit aangegeven dat hij de vergunning niet meer zou willen gebruiken.

Tot slot achtte de Raad van state van belang dat (1) een deel van het vergunde gebouw (een appartementencomplex) ten tijde van de intrekking van de vergunning al was gerealiseerd, (2) dat de vergunninghouder gelet op de al gedane investeringen een zwaarwegend belang heeft bij het volledig realiseren van het gebouw en bij het voorkomen van het slopen/verwijderen van het deel dat al is gebouwd en (3) dat de vergunninghouder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de vergunning alsnog binnen korte termijn zal gebruiken.

Het is dus van belang om voor voldoende bouwinspanningen te zorgen om te voorkomen dat een omgevingsvergunning bouwen wordt ingetrokken.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Verheldering van de aanhoudingsplicht

Soms geldt voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning een aanhoudingsplicht. Maar deze aanhoudingsplicht kan op twee manieren worden uitgelegd. De Raad van State heeft hierover op 4 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:666) een verhelderende uitspraak gedaan.

De aanhoudingsplicht

In sommige gevallen moet een aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen of aanleggen worden aangehouden. Wanneer dat het geval is, bepaalt artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet onder andere worden aangehouden als er geen grond is de vergunning te weigeren, maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag:

  • een voorbereidingsbesluit in werking is getreden;
  • een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd.

De aanhouding duurt totdat:

  • het voorbereidingsbesluit is vervallen;
  • de termijn voor het vaststellen van het bestemmingsplan is overschreden.

Een voorbereidingsbesluit vervalt als er binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ook vervalt een voorbereidingsbesluit op het moment dat het bestemmingsplan – ter voorbereiding waarvan het besluit is genomen – in werking treedt.

Een bestemmingsplan moet binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan worden vastgesteld.

Uitleg aanhoudingsplicht

De aanhoudingsplicht kan op twee manieren worden uitgelegd.

Een eerste uitleg is dat de aanhoudingsplicht vanwege het in werking treden van een voorbereidingsbesluit duurt totdat het voorbereidingsbesluit is vervallen, ook als de gemeenteraad in de tussentijd niet op tijd beslist over het vaststellen van een bestemmingsplan.

Een tweede uitleg is dat de aanhoudingsplicht vanwege het in werking treden van een voorbereidingsbesluit of vanwege het ter inzage leggen van een ontwerpbestemmingsplan eindigt als het voorbereidingsbesluit is vervallen of als de termijn voor het vaststellen van het bestemmingsplan is overschreden.

Oordeel van de rechter

De Raad van State heeft geoordeeld dat de tweede uitleg van de aanhoudingsplicht de juiste is. De regel dat de aanhoudingsplicht vervalt als het nieuwe bestemmingsplan niet binnen de daarvoor gestelde termijn wordt vastgesteld, strekt er namelijk toe de voorbescherming, die met de aanhoudingsplicht wordt bewerkstelligd, in tijd te begrenzen.

Deze uitleg kan worden toegelicht aan de hand van de situatie, zoals die in de uitspraak van 4 maart 2020 aan de orde is.

  • Op 23 juni 2016 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit vastgesteld.
  • Op 1 juli 2016 is het voorbereidingsbesluit in werking getreden.
  • Op 7 april 2017 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen, voor een locatie binnen het gebied waarvoor het voorbereidingsbesluit is vastgesteld, ingediend.
  • Op 2 juni 2017 is een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
  • Op 3 juli 2017 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning bouwen verleend met toepassing van artikel 3.3, derde lid, van de Wabo (waarin is bepaald dat het college in afwijking van de aanhoudingsplicht een omgevingsvergunning kan verlenen als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan).
  • Tot en met 5 oktober 2017 had de gemeenteraad de tijd om het bestemmingsplan vast te stellen.
  • Op 16 februari 2018 heeft het college de bezwaren tegen de omgevingsvergunning bouwen ongegrond verklaard.
  • Op 28 juni 2018 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan vastgesteld.

In de uitspraak stond de vraag centraal op welke datum de aanhoudingsplicht is vervallen. Gelet op de tweede uitleg van de aanhoudingsplicht gold er vanaf 6 oktober 2017 geen aanhoudingsplicht meer, omdat de termijn voor het vaststellen van een bestemmingsplan op die dag (ongebruikt) was verstreken.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Vergeet de laatste stap in het Omgevingsloket niet

Vergeet de laatste stap in het Omgevingsloket niet bij het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning of aanvullende stukken. Dat kan ertoe leiden dat het bevoegd gezag besluit om de vergunningaanvraag buiten behandeling te laten. Een op 23 april 2020 gepubliceerde uitspraak van rechtbank Gelderland van 8 november 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4830) maakt dat pijnlijk duidelijk.

Een initiatiefnemer had bij de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd. Bij de vergunningaanvraag waren nog niet alle benodigde gegevens overgelegd. Daarom had de gemeente de initiatiefnemer een brief gestuurd met het verzoek om voor een bepaalde datum de gegevens via het Omgevingsloket aan te vullen. Dit kan de gemeente doen op basis van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De initiatiefnemer heeft de gegevens vervolgens vóór de gestelde datum in het Omgevingsloket geüpload. De gemeente kon dat ook zien. Maar omdat de initiatiefnemer was vergeten om de laatste stap in het Omgevingsloket te zetten, waren de gegevens niet definitief ingediend. Daarvoor had de initiatiefnemer de gegevens nog moeten toevoegen aan zijn aanvraag.

Omdat de initiatiefnemer deze laatste stap in het Omgevingsloket niet heeft gezet, heeft hij de verzochte gegevens niet op tijd ingediend. Dit leidde ertoe dat de gemeente de vergunningaanvraag buiten behandeling heeft gelaten. Volgens de rechtbank heeft de gemeente dat terecht gedaan. Vergeet dus de laatste stap in het Omgevingsloket niet.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Geen bezwaar tegen goedkeuring constructieberekeningen

Er kan geen bezwaar worden gemaakt tegen de goedkeuring van constructieberekeningen door het bevoegd gezag. Dat maakt een uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:747) duidelijk.

Voor een omgevingsvergunning bouwen moeten constructieberekeningen van het bouwplan worden gemaakt. Maar die constructieberekeningen mogen ook worden overgelegd ná het verlenen van de omgevingsvergunning. Als dat maar uiterlijk drie weken voor de start van de bouw alsnog gebeurt (artikel 2.7 van de Regeling omgevingsrecht). Dat wordt dan vaak in een voorschrift in de omgevingsvergunning bouwen vastgelegd.

Als de constructieberekeningen op een later moment dan alsnog worden beoordeeld, dan is dat geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt (vgl. Raad van State 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:120). Het is ‘slechts’ een ambtelijke beoordeling van de gegevens. Die beoordeling heeft geen rechtsgevolgen, ook niet als het een goedkeuring of afkeuring van de constructieberekeningen betreft.

Het recht om te mogen bouwen volgt al uit de omgevingsvergunning bouwen. Maar als daarin een voorschrift is opgenomen waarin staat dat pas mag worden gestart met bouwen nadat de constructieberekeningen zijn goedgekeurd, dan heeft die goedkeuring het feitelijk gevolg dat gebruik mag worden gemaakt van de vergunning (en dus mag worden gestart met bouwen).

Dat geen bezwaar kan worden gemaakt tegen de goedkeuring of afkeuring van constructieberekeningen, betekent overigens niet dat hier juridisch niets tegen gedaan kan worden. Want stel dat de constructieberekeningen worden afgekeurd en de vergunninghouder toch begint met bouwen, dan kan hiertegen zo nodig handhavend worden opgetreden.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Beregenen met omgevingsvergunning bouwen?

Voor een beregeningsinstallatie kan een omgevingsvergunning bouwen nodig zijn. Dat oordeelde rechtbank Gelderland in een uitspraak van 13 februari 2020 (ECLI:NL:RBGEL:2020:965).

Een omgevingsvergunning bouwen is nodig voor het bouwen van een bouwwerk. Dat is alleen anders als er sprake is van een vergunningvrij bouwwerk. Een bouwwerk is “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.”

Een beregeningsinstallatie kan aan deze definitie voldoen. Dat blijkt uit de uitspraak van rechtbank Gelderland. Die ging over een beregeningsinstallatie die bestaat uit waterleidingen in de grond over het gehele perceel, met om de 18 meter een metalen buis die boven de grond uitsteekt met een hoogte van ongeveer 3 meter en met aan het uiteinde daarvan een sproeier. Volgens de rechtbank is dit een ‘bouwwerk’ waarvoor een omgevingsvergunning bouwen nodig is.

Maar als er alleen sprake is van een paal met daaraan een waterslang, dan is er geen sprake van een bouwwerk. Daarvoor is dan dus geen omgevingsvergunning bouwen nodig. Dit blijkt uit een oudere uitspraak van rechtbank Utrecht (19 december 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6859).

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 25