Stikstofsoap

Deze column verscheen in april 2021 in de regiobladen van Agrio.

Gelet op alle ontwikkelingen in het stikstofdossier zou je bijna zeggen dat Nederland in een soort stikstofsoap terecht is gekomen. Ook recente ontwikkelingen hebben daaraan bijgedragen. Denk bijvoorbeeld aan de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 11 maart 2021. Die heeft meteen een mogelijke ‘bom’ gelegd onder de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn; in de praktijk ook wel Stikstofwet genoemd), die twee dagen eerder door de Eerste Kamer was aangenomen. De Wsn verplicht om de stikstofdepositie in 2025 in minimaal 40% van het areaal van stikstofgevoelige Natura 2000 tot onder de kritische depositiewaarde te brengen. In 2030 is dat percentage minimaal 50% en in 2035 minimaal 74%. Deze percentages (‘omgevingswaarden’) moeten op grond van de Wsn verplicht behaald worden. Om de stikstofdepositie zo ver te verminderen, zijn veel bronmaatregelen nodig. Daarnaast zijn er nog extra bronmaatregelen nodig om PAS-meldingen en PAS-berekeningen (activiteiten die op grond van het Programma Aanpak Stikstof zijn gerealiseerd op basis van een berekening waaruit bleek dat de stikstofdepositie lager dan 0,05 mol/ha/jaar was) te legaliseren.

Die bronmaatregelen zullen veel bij de veehouderij komen te liggen. Onderdeel hiervan zijn emissiearme stalsystemen. Door emissiearme stalsystemen toe te passen, moet de ammoniakemissie dalen en daarmee de stikstofdepositie. Op die manier zou veel stikstofwinst behaald moeten worden. Maar laat rechtbank Noord-Nederland nou juist dáár op 11 maart 2021 een uitspraak over hebben gedaan. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat in het kader van de natuurwetgeving niet zonder meer mag worden uitgegaan van de ammoniakemissiefactor die voor bepaalde emissiearme stalsystemen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) is opgenomen. Met andere woorden: er mag niet zonder meer worden uitgegaan van het ammoniakverwijderingsrendement voor bepaalde emissiearme stalsystemen waarvan in de Rav is uitgegaan. Als dit echt zo zou zijn, zou dit niet alleen gevolgen hebben voor de veehouderij zelf, maar ook voor andere sectoren en de overheid. Want de stikstofwinst die door emissiearme systemen zou moeten worden bereikt, zou dan ineens veel minder zijn. En dat zou kunnen betekenen dat het (nog) lastiger wordt om de omgevingswaarden uit de Wsn te behalen. De uitspraak legt dus feitelijk meteen een bom onder de Wsn, die slechts twee dagen vóór de uitspraak door de Eerste Kamer was aangenomen. Het is dan ook te hopen dat de Raad van State tot een minder streng oordeel komt dan de rechtbank, want anders bereikt de ‘stikstofsoap’ een nieuw dieptepunt…

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Koekje van eigen deeg

Deze column verscheen in januari 2021 in de regiobladen van Agrio.

Een moment dat zo’n belangrijke stikstofuitspraken worden gepubliceerd, dat de website van de Raad van State (RvS) overbelast raakt. Zo’n moment was het op woensdag 20 januari 2021, 10:15 uur. Toen werden namelijk stikstofuitspraken gepubliceerd waar de praktijk al lange tijd naar uitkeek. Een uitspraak ging over de vraag of bij intern salderen nog een natuurvergunning nodig is. Op 1 januari 2020 is met de inwerkingtreding van de Spoedwet aanpak stikstof namelijk de natuurvergunningplicht aangepast. Sindsdien is alleen nog een natuurvergunning nodig als sprake is van significante effecten op Natura 2000. Volgens de RvS is daar geen sprake van als door het wijzigen en/of uitbreiden van een bedrijf de stikstofdepositie op Natura 2000 niet toeneemt. Daarom oordeelde de RvS dat geen natuurvergunning nodig is voor intern salderen. Bij extern salderen is dat anders. Dan neemt de stikstofdepositie op Natura 2000 namelijk wel toe door het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een bedrijf. Die toename kan worden ‘weggenomen’ door extern te salderen, maar dat moet worden vastgelegd in een natuurvergunning.

Een andere uitspraak ging over de vraag wanneer een onherroepelijke natuurvergunning mag of moet worden ingetrokken. De provincie moet beoordelen of een natuurvergunning moet worden ingetrokken als sprake is van een (dreigende) verslechtering met significante gevolgen voor Natura 2000 en het bedrijf waarvoor een natuurvergunning is verleend daar effect op heeft. Als de verslechtering van Natura 2000 alleen kan worden voorkomen door een natuurvergunning in te trekken, dan moet een provincie die natuurvergunning intrekken. Maar als er (binnen afzienbare termijn) al andere maatregelen worden getroffen om die verslechtering te voorkomen, dan hoeft de provincie een natuurvergunning niet in te trekken. Daarbij komen de door de overheid aangekondigde stikstofmaatregelen om de hoek kijken. Als die stikstofmaatregelen worden uitgevoerd, kan dat mogelijk voorkomen dat natuurvergunningen moeten worden ingetrokken.

En dan is er nog een stikstofuitspraak waar de overheid zelf misschien eens door in de knel komt. De RvS oordeelde namelijk (in navolging van het advies van het Adviescollege Hordijk) dat de overheid onvoldoende heeft gemotiveerd waarom stikstof bij verkeer maar tot 5 km wordt gerekend. De RvS vindt het onbegrijpelijk dat bij andere stikstofbronnen (zoals agrarische bedrijven) wel verder dan 5 km wordt gerekend, maar bij verkeer niet. Die uitspraak brengt dus vooral veel infrastructurele projecten in gevaar. Je zou kunnen zeggen dat de overheid nu eens een koekje van eigen deeg krijgt…

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Stikstofperikelen

Deze column verscheen in december 2020 in de regiobladen van Agrio.

De stikstofperikelen blijven voortduren. En in plaats van dat er verbetering in lijkt te komen, heb ik soms de indruk dat het alleen maar erger wordt. De reden daarvoor ligt met name in de ‘stikstofwaarde’ in het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering (wetsvoorstel) en in het opnieuw benutten van stikstofruimte die wordt gecreëerd door bronmaatregelen. Het wetsvoorstel bepaalt dat de stikstofdepositie in 2030 op ten minste 50% van het areaal van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden tot onder de kritische depositiewaarde (KDW) moet zijn gebracht. Dat is een resultaatsverplichting; een waarde die móet worden gehaald. Gelet op de ‘stikstofdeal’ die minister Schouten met een aantal politieke partijen heeft gesloten, lijkt die stikstofwaarde te worden aangescherpt voor de jaren na 2030. In 2035 zou de stikstofdepositie op ten minste 74% van het areaal tot onder de KDW moeten zijn gebracht. Dat de stikstofdepositie omlaag moet, is een juridisch gegeven (en wellicht ook een ecologisch gegeven, maar dat laat ik over aan ecologen). Maar het op zo’n korte termijn zo ver omlaag brengen van de stikstofdepositie, is een enorme opgave. Om dat doel te bereiken, moet op grond van het wetsvoorstel een programma stikstofreductie en natuurverbetering worden vastgesteld. Daarin worden onder andere bronmaatregelen opgenomen om de stikstofdepositie omlaag te brengen. Die maatregelen zijn volgens het wetsvoorstel bedoeld om te voldoen aan, kort gezegd, de instandhoudingsverplichtingen uit de Europese Habitatrichtlijn. Dat betekent dat die maatregelen niet mogen worden gebruikt om andere activiteiten met stikstofdepositie toe te staan.

Maar als je bijvoorbeeld kijkt naar de toelichting op het wetsvoorstel en de toelichting op de Regeling gerichte opkoop veehouderijen (Opkoopregeling), dan blijkt dat die maatregelen daarvoor wel (mede) zullen worden gebruikt. De stikstofruimte die wordt gecreëerd met de bronmaatregelen uit het programma stikstofreductie en natuurverbetering (zoals de Opkoopregeling), zal ook kunnen worden gebruikt om andere activiteiten met stikstofdepositie mogelijk te maken. Op die manier zal de stikstofdepositie echter niet voldoende dalen om de stikstofwaarde te kunnen bereiken. Dit terwijl die waarde op grond van het wetsvoorstel móet worden bereikt. Als die waarde niet gehaald dreigt te worden, zullen extra bronmaatregelen volgen. En zo dreigt er naar mijn mening een onwenselijke, vicieuze cirkel, zonder dat er een oplossing in zicht is voor PAS-melders en andere knelgevallen. De stikstofperikelen zullen zo blijven voortduren…

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Landelijk Brabantse taferelen

Deze column verscheen in november 2020 in de regiobladen van Agrio.

Brabantse taferelen lijken zich landelijk te gaan voordoen. Bestaande stalsystemen zullen vervroegd moeten worden vervangen door stalsystemen die meer ammoniakemissie reduceren. Dat volgt uit de toelichting op het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering dat de minister van LNV op 13 oktober 2020 bekend maakte. Daarmee bevestigt de minister hetgeen ze op 24 april 2020 al bekend maakte in het kader van de structurele aanpak stikstof.

In de provincie Noord-Brabant zijn veehouders al verplicht om bestaande stalsystemen vervroegd te vervangen door stalsystemen met een grotere ammoniakreductie. Vanaf 1 januari 2024 zijn alle stalsystemen van 20 jaar (rundvee) respectievelijk 15 jaar (overig vee) – gerekend vanaf de datum van de eerste milieutoestemming voor het systeem en dus niet vanaf de datum van realisatie – verboden. Die moeten dus op tijd worden vervangen door schonere systemen. Brabantse veehouders moeten voor deze verplichte wijziging van hun bedrijf een nieuwe milieutoestemming (melding of vergunning) regelen. Een vergelijkbare verplichting lijkt er nu ook op landelijk niveau te komen. Daarom is er naar aanleiding van het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering de vrees ontstaan dat bestaande vergunningen op de schop komen te staan.

De minister van LNV wil de emissienormen voor ammoniak per diergroep aanscherpen. Dat wil zij doen op basis van een analyse van de perspectieven van bestaande en nieuwe innovatieve technieken (die door de Subsidieregeling brongerichte verduurzaming op de markt zouden moeten komen). Het is de bedoeling om de emissienormen voor ammoniak uiterlijk eind 2023 voor nieuwe stallen en geplande renovaties door te voeren. Uiterlijk in 2025 moeten de aangescherpte emissienormen voor ammoniak voor alle relevante diergroepen zijn ingegaan. Maar ook bestaande stallen zullen eraan moeten geloven. Ook die zullen namelijk moeten worden aangepast om aan de aangescherpte emissienormen voor ammoniak te voldoen. Daarvoor zal wel een overgangsperiode worden geboden, waarbij rekening wordt gehouden met de mogelijkheden van veehouders. Maar hoe lang die overgangsperiode zal duren, is nog onbekend.

Van het vervallen of intrekken van vergunningen is dus geen sprake. Daar blijkt althans niets van op dit moment. Wel is het zo dat op het moment dat een veehouderij wordt gewijzigd – bijvoorbeeld omdat een bestaand stalsysteem moet worden vervangen door een nieuw stalsysteem – hiervoor een nieuwe milieutoestemming nodig is. Daarmee lijken Brabantse taferelen zich landelijk te gaan voordoen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Domme voortzetting

Deze column verscheen in september 2020 in de regiobladen van Agrio.

Op 19 augustus jl. kwam het verlossende bericht voor melkveehouders dat de omstreden veevoermaatregel dit jaar niet doorgaat. Een verstandige beslissing van de minister van LNV als je het mij vraagt. Het doorzetten van de veevoermaatregel zou naar mijn mening namelijk gewoonweg dom zijn geweest gelet op de gevolgen daarvan voor dieren en boeren. Overigens geloof ik niet dat het hiermee klaar zal zijn. Want waarschijnlijk zullen er toch wel maatregelen aan het veevoer getroffen moeten worden. Hopelijk gebeurt dat dan in overleg met de sector en andere deskundigen, zoals dierenartsen en veevoerfabrikanten.

In haar Kamerbrief van 19 augustus jl. maakte de minister tegelijkertijd een nogal opmerkelijke zet. Om voor genoeg stikstofruimte te zorgen, wordt nu de warme saneringsregeling voor de varkenshouderij gebruikt. Dat is om meerdere redenen opmerkelijk te noemen. De veevoermaatregel was bedoeld om nog in 2020 stikstofruimte te creëren voor woningbouw en infrastructuur. Maar ineens blijkt die ruimte dit jaar niet nodig. Waarom dan zo’n haast? Daarnaast staan de effecten van de saneringsregeling nog niet vast. Er zijn veel inschrijvingen, maar het is nog niet definitief bekend hoeveel varkenshouders daadwerkelijk zullen stoppen en waar dat zal zijn. Dat stoppen zal ook pas in het voorjaar van 2021 gebeuren. Als de minister de stikstofruimte van deze stoppers vóór die tijd wil gebruiken voor woningbouw en infrastructuur, dan kan dat niet. Dan voldoet ze namelijk niet aan de voorwaarden die uit de PAS-uitspraak volgen. Stikstofruimte moet eerst vaststaan (op hexagoonniveau per Natura 2000-gebied) en mag niet dubbel worden gebruikt. Woningbouw (en vergunningverlening) is dus pas mogelijk als de stikstofruimte vaststaat en is gerealiseerd. Verder is van belang dat de varkenshouders die zullen stoppen, allemaal zijn gevestigd in het oosten en zuiden van het land. De stikstofruimte die dat oplevert, maakt geen woningbouw en infrastructuur in de Randstad mogelijk. De minister erkent dat ook in haar Kamerbrief, maar maakt niet duidelijk hoe stikstofruimte uit de saneringsregeling daarvoor dan wel gebruikt kan worden (dit gold overigens vergelijkbaar voor de veevoermaatregel). En bovenal maakt de minister ook niet duidelijk waarom stoppende varkenshouders hun stikstofruimte zelf niet (of maar beperkt) mogen gebruiken, maar waarom de minister dat zelf ineens wel mag. Eerder gaf de minister namelijk nog aan dat de stikstofruimte uit de warme saneringsregeling niet gebruikt zou mogen worden omdat die niet aan de voorwaarden uit de PAS-uitspraak zou voldoen. Maar ineens blijkt dat anders…

mw. mr. Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 12