Tot hier en niet verder

Deze column verscheen in februari 2019 in de regiobladen van Agrio.

Vanuit de hele wereld wordt vol bewondering gekeken naar de agrarische sector in Nederland. De agrarische sector blinkt namelijk uit in innovatie en productontwikkeling en neemt zijn verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn, diergezondheid en milieu. In ons eigen land krijgt de sector deze eer echter niet. Sterker nog: boeren worden steeds vaker geconfronteerd met dierenrechtenactivisme. Het is goed dat er blijvend aandacht wordt gevraagd voor dierenwelzijn, want dat houdt iedereen scherp en zorgt ervoor dat er blijvend wordt gekeken naar verbeteringen. Maar dierenrechtenactivisten zetten een niet representatief beeld neer van de veehouderij. Dat doen zij door bijvoorbeeld incidenten te filmen en deze neer te zetten alsof dit normaal is in de Nederlandse veehouderij. Maar dat is niet het geval. Boeren zorgen over het algemeen namelijk goed voor hun dieren, want #boerenhoudenvandieren. En als boeren dat niet doen en daardoor regels overtreden, dan hebben we de NVWA om daar handhavend tegen op te treden. Door een niet representatief beeld van de veehouderij neer te zetten, is sprake van negatieve beeldvorming, terwijl de Nederlandse veehouderij hoogproductief, efficiënt en duurzaam is. Deze negatieve beeldvorming schaadt de sector, en dat is onterecht.

Bovendien zijn er grenzen aan de wijze waarop aandacht wordt gevraagd voor dierenwelzijn. Dierenrechtenactivisten hebben de grenzen van het toelaatbare bereikt en overschrijden deze zelfs regelmatig. Gedragingen die als strafbaar feit kwalificeren, zijn simpelweg onacceptabel. Het is belangrijk dat deze gedragingen beter in beeld komen bij de politie en justitie, zodat strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen onacceptabel gedrag van dierenrechtenactivisten. Het is dan ook goed dat de LTO en de POV gezamenlijk met politie, justitie, overheid en ketenpartijen een actie zijn gestart om hier meer inzicht in te krijgen en dierenrechtenactivisme aan te pakken. Ook is het goed dat hier bij de overheid meer aandacht voor is. Zoals Minister Carola Schouten tijdens een debat op 24 januari 2019 aangaf, worden er grenzen overschreden als er sprake is van bedreiging, het onrechtmatig betreden van bedrijven, als boeren zich zelfs aangevallen en bedreigd voelen. Dat is onacceptabel. Tweede Kamerleden Helma Lodders en Jaco Geurts hebben hiertoe ook een heldere motie ingediend, inhoudende dat “het bedreigen van boeren en hun families en het illegaal betreden van hun erf nooit mag, en dat daar keihard tegen opgetreden moet worden”.

Tot hier en niet verder. Het is genoeg geweest.

mw. mr. Franca Damen

PAS ten einde?!

Deze column verscheen in november 2018 in de regiobladen van Agrio.

Al voordat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) op 1 juli 2015 in werking trad, had ik mijn vraagtekens bij de juridische houdbaarheid ervan. Die vraagtekens waren naar mijn mening evident: op grond van het PAS wordt namelijk ruimte gegeven voor meer stikstofdepositie, terwijl onzeker is hoeveel de stikstofdepositie afneemt. De stikstofdepositie zou moeten afnemen door bestaand beleid en de bronmaatregelen in het kader van het PAS (aangescherpte eisen in het Besluit emissiearme huisvesting en in het kader van bemesting en vrijwillige voer- en managementmaatregelen), maar door het ‘ammoniakgat’ is onzeker óf de stikstofdepositie wel afneemt en van de bronmaatregelen is het effect onzeker. En meer stikstofdepositie toestaan dan dat die afneemt, is niet verenigbaar met de Europese Habitatrichtlijn. Iedere boer die mij vóór 1 juli 2015 belde met de vraag wat hij/zij moest doen – extern salderen of wachten op het PAS – heb ik dan ook geadviseerd om extern te salderen toen het nog kon. Dat kostte weliswaar het nodige geld, maar daar had ik meer vertrouwen in dan in het PAS. En die kosten waren naar mijn mening een goede natuurvergunning waard, zeker omdat het de vraag was of het alternatief (het PAS) juridisch stand zou houden.

Al die tijd heb ik gehoopt dat ik ongelijk zou hebben over het PAS, maar die hoop is inmiddels zo goed als weg. Op 7 november 2018 heeft de Europese rechter namelijk een kritische uitspraak gedaan over het PAS. Een van de conclusies van de Europese rechter is dat in het PAS geen maatregelen mogen worden meegenomen waarvan het effect onzeker is. En precies op dat punt gaat het mis: de Raad van State heeft op 17 mei 2017 namelijk al vastgesteld dat het effect van sommige maatregelen niet vaststaat. Volgens de Raad van State is de omvang van de depositiedaling én de omvang van de depositieruimte (ontwikkelingsruimte) onvoldoende onderbouwd. De overheid heeft inmiddels weliswaar een nadere onderbouwing van het PAS gegeven, maar die is niet openbaar…

Verder is de Europese rechter ook kritisch over beweiden en bemesten: voor deze activiteiten lijkt een natuurvergunning nodig en een uitzondering daarop zal niet snel aan de orde zijn. Dat de agrarische praktijk hierdoor niet werkbaar is, lijkt de Europese rechter zich niet te realiseren. Het PAS bevat dus veelbelovende oplossingen (voor natuur én vergunningverlening), maar op dit moment moet er voor het PAS een pas op de plaats worden gemaakt en is het wachten op een passende oplossing van de overheid.

mw. mr. Franca Damen

Bekostiging maatregelen

Deze column verscheen in oktober 2018 in de regiobladen van Agrio.

Onlangs volgde ik een juridische opleidingsdag over klimaat en energie. Dat zijn twee onderwerpen die grotendeels hand in hand gaan en in de toekomst voor iedere sector steeds belangrijker worden. Dat volgt onder andere uit het Klimaatverdrag van Parijs (2015). Dit klimaatverdrag gaat vooral over energietransitie.

Op dit moment geldt voor bedrijven de verplichting om binnen het bedrijf alle energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Daarvoor is in de Activiteitenregeling een overzicht van erkende maatregelen energiebesparing per bedrijfstak vastgesteld. Omdat de overheid vaak geen zicht heeft op de manier waarop bedrijven aan de energiebesparingsverplichting voldoen, heeft de overheid voorgesteld om hiervoor een meldplicht in te voeren. Op grond van die meldplicht moeten bedrijven uiterlijk op 1 juli 2019, en vervolgens eenmaal per vier jaar, aan het bevoegd gezag melden welke energiebesparende maatregelen zijn getroffen.

In de toekomst zullen de eisen omtrent klimaat en energie alleen maar toenemen. Met het oog daarop is onder andere een nationaal Klimaatakkoord in ontwikkeling. Het doel van dit akkoord is om 14,3 Mton extra (dus bovenop bestaand beleid) emissiereductie te realiseren voor 2030. Daarvoor zijn per sector de hoofdlijnen voor de emissiereductie besproken.

Tijdens de opleidingsdag over klimaat en energie die ik volgde, werd aangegeven dat er in de sector industrie discussie is over de maatregelen voor de emissiereductie en over wie wat gaat betalen. In mijn eigen woorden vertaald, zou de bereidheid binnen de industrie om steeds verdergaande maatregelen (met bijbehorende investeringen) te treffen, op beginnen te raken, omdat dit onder andere gevolgen heeft voor het level playing field, de concurrentie. Op zich kan ik mij daar wel iets bij voorstellen; het moet immers ook economisch verantwoord zijn om in maatregelen te investeren. Maar het deed mij ook meteen denken aan de agrarische sector – onze voedselproducenten – die keer op keer worden geconfronteerd met een aanscherping van wet- en regelgeving en die steeds opnieuw worden gedwongen om verdergaande maatregelen (met bijbehorende investeringen) te treffen. Het maatregelenpakket zorgvuldige veehouderij (2017) van de provincie Noord-Brabant is daarvan een voorbeeld bij uitstek. Op grond hiervan worden veehouders onder andere gedwongen om (vóór 1 januari 2022) te investeren in ammoniakemissiereducerende technieken, en dat nota bene om (stikstof)ontwikkelingsruimte te creëren voor de industrie. Waar gaat het mis?

mw. mr. Franca Damen

PASsende eigen verantwoordelijkheid

 

Deze column verscheen in augustus 2018 in de regiobladen van Agrio.

Het is inmiddels alweer ruim drie jaar geleden dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking is getreden. Het PAS moest ervoor zorgen dat er weer natuurvergunningen verleend zouden kunnen worden én dat de natuur zou verbeteren. Om die doelen te realiseren, moet de veehouderij extra maatregelen treffen om de ammoniakemissie te verlagen en neemt de overheid maatregelen om Natura 2000 weerbaarder te maken voor stikstof. Dat is op zich een goede aanpak, mits de doelen ook daadwerkelijk worden gehaald.

De Europese regels over de bescherming van Natura 2000 zijn streng. De Nederlandse regels moeten daaraan voldoen, dus ook het PAS. Vanaf het wetsvoorstel voor het PAS heb ik mijn bedenkingen of het PAS in overeenstemming is met de Europese regels (Habitatrichtlijn). Voor de sector hoop ik dat ik in dit geval ongelijk heb. Als het PAS namelijk onderuit zou gaan, ligt er geen (direct) passende oplossing klaar om op een andere manier natuurvergunningen te verlenen. Een stop op de vergunningverlening is natuurlijk een onwenselijke situatie.

Op 17 mei 2017 heeft de Raad van State (RvS) al vastgesteld dat het PAS een aantal gebreken kent. De overheid moet die gebreken herstellen. Onlangs heeft de overheid daarvoor een brief gestuurd naar de RvS, maar die brief is helaas niet openbaar. Hopelijk heeft de overheid passende verantwoordelijkheid genomen om de gebreken te herstellen. Het is afwachten hoe de RvS daarover oordeelt. Daarnaast is het afwachten hoe de Europese rechter over het PAS zal oordelen. De RvS heeft aan de Europese rechter namelijk vragen gesteld over de verenigbaarheid van het PAS met de Habitatrichtlijn. Het advies dat de Advocaat-Generaal (A-G) daarover onlangs heeft gegeven (ook wel een conclusie genoemd), was nogal vernietigend. Volgens de A-G lijkt het PAS veelbelovende oplossingen te bevatten, maar bestaat er aanmerkelijke twijfel of het PAS in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het is nu aan de Europese rechter om, mede aan de hand van de conclusie van de A-G, de vragen van de RvS over het PAS te beantwoorden. Het is dus nog een spannende tijd.

Ook natuurverenigingen zijn kritisch over het PAS. Onlangs las ik daarover nog een bericht van Werkgroep Behoud de Peel. Dat bericht sloot af met de opmerking dat het de werkgroep verstandig lijkt om het stikstofprobleem per sector aan te pakken, omdat zo wordt voorkomen dat de ene sector in de problemen komt als bij een andere sector de aanpak niet vlot. Dat lijkt mij een passende eigen verantwoordelijkheid, aangezien nu bijvoorbeeld de Brabantse veehouderij de problemen van een andere sector op lijkt te moeten lossen.

mw. mr. Franca Damen

Erken probleem

Deze column verscheen in juli 2018 in de regiobladen van Agrio.

De overheid moet eens kritischer naar haar eigen handelen gaan kijken, zo schreef ik in mijn vorige column. Duidelijke voorbeelden daarvan zijn het ammoniakbeleid en de verhoging van de geuremissiefactoren van (met name gecombineerde) luchtwassers. Helaas lijkt hierin nog geen verbetering te zijn gekomen. Zo is de WUR aan het draaien met het toch beschikken over ammoniakdata – al zijn het dan weer niet alle data – en laat de overheid dit in haar Kamerbrief over de “verloren gewaande ammoniakmeetdata” gewoon gebeuren. Een oordeel hierover heeft de overheid niet, althans niet openbaar. Wel laat de overheid zich adviseren over de vraag of er mogelijkheden zijn om een dialoog over de wetenschappelijke onderbouwing van het ammoniakbeleid te starten. Die dialoog heeft naar mijn mening echter pas zin als door alle betrokken partijen wordt erkend dat het ammoniakbeleid niet deugt, de mate waarin en de punten waarop het niet deugt nog daargelaten.

Erkennen dat er een probleem is en wat dat probleem (op hoofdlijnen) is, is immers nodig om een vervolgstap te kunnen zetten en het probleem op te lossen. Door de kop in het zand te blijven steken, zal het probleem op termijn alleen maar groter worden.

Het is hoog tijd dat er in het ammoniakdossier een oplossing komt. Maar daarvoor zal de overheid naar mijn mening dus eerst kritisch naar haar eigen handelen moeten kijken en durven erkennen dat het ammoniakbeleid niet deugt.

Vaak heb ik het idee dat de agrarische sector beter in staat is om kritisch naar het eigen handelen te kijken. Mogelijk wordt de sector daar ook steeds meer toe gedwongen vanwege de politieke en maatschappelijke druk, maar dat maakt het niet minder goed dát het wordt gedaan. Kritisch naar het eigen handelen kijken is hierdoor ook nodig om als agrarische sector toekomstbestendig te zijn. Overigens is zelfreflectie naar mijn mening altijd belangrijk. Ik ben ervan overtuigd dat je dat altijd, in welke vorm dan ook, verder brengt, zowel zakelijk als privé.

Gelukkig zijn er ook ‘dossiers’ waarin het erkennen van problemen en het (daardoor) vervolgens kunnen oplossen van die problemen wel goed lijkt te gaan. Een recent voorbeeld daarvan is het akkoord dat de overheid en de varkenshouderij (de ketenpartijen uit de coalitie Vitale Varkenshouderij) op hoofdlijnen hebben bereikt over een warme sanering van de varkenshouderij. Ook daarvoor was nodig dat alle betrokken partijen erkenden dat er een probleem is en wat dat is. Pas dan kun je immers samen aan een oplossing werken. Het zou fijn zijn als er in de toekomst meer van dergelijke constructieve samenwerkingen kunnen zijn.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 9