0

Vergunning van rechtswege II

In een eerder artikel heb ik reeds geschreven over de vergunning van rechtswege. De van rechtswege verleende vergunning wordt ook wel de lex silencio positivo genoemd. De grondslag van de van rechtswege verleende vergunning is gelegen in de Algemene wet bestuursrecht. Ook in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (in het vervolg: de Wabo) kan sprake zijn van een vergunning van rechtswege. Dit blijkt uit artikel 3.9 lid 3 Wabo. Dit artikel verklaart namelijk paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de vergunning van rechtswege is bepaald, van overeenkomstige toepassing.

In onderhavig artikel zal ik in aanvulling op mijn voorgaande artikel nader ingaan op twee situaties die in de praktijk regelmatig aan de orde zijn. Een van deze situaties sluit aan op mijn vorige artikel over de vergunning van rechtswege. Zoals ik daar reeds heb aangegeven, rijst een interessante discussie in de situatie dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Indien een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangevraagd die in strijd is met het bestemmingsplan, wordt deze conform artikel 2.10 lid 2 Wabo mede aangemerkt als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik. De vraag is of er dan sprake kan zijn van vergunningverlening van rechtswege. Van vergunningverlening van rechtswege kan (in beginsel) slechts sprake zijn indien de reguliere procedure van toepassing is, en niet wanneer de uitgebreide procedure van toepassing is zoals bij een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 Wabo. Voor een nadere toelichting hierop verwijs ik u graag naar mijn vorige artikel.

Strijd met provinciale verordening

Wanneer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangevraagd die in strijd is met een provinciale verordening, wordt deze eveneens conform artikel 2.10 lid 2 Wabo mede aangemerkt als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik. Ook hier rijst de vraag of dan sprake kan zijn van een van rechtswege verleende vergunning. Het antwoord op deze vraag luidt negatief. Wanneer sprake is van strijd met een provinciale verordening kan geen sprake zijn van een vergunning van rechtswege. Dit volgt uit de volgende bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht (in het vervolg: het Bor).

Artikel 3.10 Wabo bepaalt in welke situaties de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. In geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, kan geen sprake zijn van een vergunning van rechtswege. In artikel 3.10 lid 1 sub a Wabo is de uitgebreide procedure van toepassing verklaard op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 of artikel 2.12 lid 2 Wabo. Een provinciale verordening wordt hierin uitdrukkelijk niet genoemd. Waaruit blijkt dan dat de uitgebreide procedure wel van toepassing is in geval van strijd met de provinciale verordening?

Dit volgt uit artikel 3.10 lid 1 sub e Wabo. Dit artikel bepaalt dat de uitgebreide procedure ook van toepassing is in gevallen waarin een verklaring is vereist, zoals bedoeld in artikel 2.27 Wabo. Artikel 2.27 Wabo bepaalt dat bij besluit de gevallen worden aangewezen waarin een omgevingsvergunning niet verleend kan worden zonder verklaring van geen bedenkingen. Artikel 6.6 van het Besluit omgevingsrecht bepaalt dat een verklaring van geen bedenkingen nodig is wanneer de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo en met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub c Wabo wordt afgeweken van de regels gesteld krachtens, onder meer, artikel 4.1 lid 3 van de Wet ruimtelijke ordening. Laatstgenoemd artikel ziet op de provinciale verordening.

Nu in geval van strijd met een provinciale verordening een verklaring van geen bedenkingen is vereist, is in dergelijke gevallen op grond van artikel 3.10 lid 1 sub e Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. In dat geval kan dan ook geen sprake zijn van een vergunning van rechtswege.

Binnenplanse ‘ontheffing’ of ‘kruimelontheffing’

Hiervoor benoemde ik ook reeds kort artikel 3.10 lid 1 sub a Wabo, op grond waarvan de uitgebreide procedure van toepassing is op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c Wabo voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 of artikel 2.12 lid 2 Wabo. Onder deze activiteiten dienen het voormalige projectbesluit en het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan te worden begrepen. Voor ‘kruimelontheffingen’ (artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2 Wabo) en ‘binnenplanse ontheffingen’ (artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 Wabo) geldt de reguliere procedure.

Vergunning OBM

Een andere situatie die in de praktijk regelmatig aan de orde komt, is de situatie waarin een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1 lid 1 sub i Wabo) benodigd is. Bij de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (in het vervolg: vergunning OBM) gaat het om het verrichten van een (andere) activiteit die behoort tot een bij het Besluit omgevingsrecht aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Voor de vraag of in dit geval sprake kan zijn van een vergunning van rechtswege, is wederom van belang om te weten of in dit geval de regulieren danwel uitgebreide procedure van toepassing is. Voor de vergunning OBM geldt de reguliere voorbereidingsprocedure, aangezien deze niet is uitgezonderd in artikel 3.10 Wabo. Overigens zij opgemerkt dat wanneer tevens een omgevingsvergunning is aangevraagd voor een andere activiteit ex artikel 2.1 en/of 2.2 Wabo waarvoor de uitgebreide procedure geldt, ook voor de vergunning OBM de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt. In geval de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is op de vergunning OBM, geldt in beginsel dat indien niet tijdig een beslissing op de vergunningaanvraag is genomen, sprake is van een vergunning van rechtswege.

Een uitzondering op de ‘hoofdregel’ dat in geval van een vergunningaanvraag OBM sprake kan zijn van een vergunning van rechtswege, is opgenomen in artikel 6.19 van het Besluit omgevingsrecht. In artikel 6.19 van het Besluit omgevingsrecht zijn categorieën van activiteiten opgenomen waarvoor de vergunning van rechtswege, ofwel de lex silencio positivo (LSP), niet geldt. Op het moment van schrijven bepaalt artikel 6.19 Bor dat de vergunning van rechtswege niet geldt in geval het gaat om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2 lid 1 sub a tot en met i, lid 2 sub a en b, lid 5 en lid 6 Bor.

Reden dat deze activiteiten zijn uitgezonderd van de lex silencioi positivo is dat de Europese richtlijnen (MER-richtlijn en Kaderrichtlijn afvalstoffen) die van toepassing zijn op die activiteiten een stilzwijgende vergunningverlening niet mogelijk maken (zie onder meer Staatsblad 2010, 781, Staatsblad 2011, 102 en Staatsblad 2012,424).

mw. mr. Franca Damen

Geef een antwoord

Your email address will not be published. Required fields are marked *

14 + elf =