0

Wijzigingsbevoegdheid in de Wro: voorwaarden

Bij het vaststellen van een bestemmingsplan heeft de gemeenteraad de bevoegdheid om te bepalen dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. Deze wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wet ruimtelijke ordening.

De wijzigingsbevoegdheid mag geen structurele wijzigingen van het bestemmingsplan mogelijk maken. De onderliggende bestemming blijft gelden tot van de wijzigingsmogelijkheid gebruik is gemaakt. De haalbaarheid van een wijzigingsbevoegdheid moet reeds in het bestemmingsplan aangetoond worden. Indien het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van de wijzigingsbevoegdheid – het is immers een bevoegdheid en geen verplichting – dient hiertoe een afzonderlijk wijzigingsplan te worden opgesteld. Tegen dit wijzigingsplan kunnen de gebruikelijke rechtsmiddelen worden aangewend (zienswijzen tegen het ontwerp en beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het vastgesteld plan). Het wijzigingsplan gaat vervolgens deel uitmaken van het ‘oorspronkelijke’ bestemmingsplan. Met de wijziging van de bestemming vervalt de oorspronkelijke bestemming.

Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2011, zaaknr. 200907149/1/R1) is het in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen die bestemmingen mogelijk maakt die pas na afloop van de planperiode van tien jaar zullen worden verwezenlijkt. Dit betekent dat de gemeenteraad reeds bij de beoordeling van het bestemmingsplan moet onderzoeken of, kort gezegd, behoefte bestaat aan de mogelijkheid tot wijziging van de bestemming zoals deze beoogd wordt mogelijk gemaakt te worden in de wijzigingsbevoegdheid.

Voorts is het – mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden – van belang dat in een wijzigingsbepaling in voldoende mate wordt bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wet ruimtelijke ordening berustende wijzigingsbevoegdheid dient daarom in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

In haar uitspraak van 6 maart 2013 (zaaknr. 201205273/1/R2) heeft de Afdeling bepaald dat de vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd, afhangt van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid.

Voorts is van belang dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt geacht. De gemeenteraad dient daarom bij de vaststelling van de wijzigingsbevoegdheid te onderzoeken of toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in beginsel mogelijk is. Daarbij dient onder meer vastgesteld te worden dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden.

Aan de mogelijkheid tot het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan zijn dus diverse voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden komen er kort gezegd op neer dat de wijzigingsbevoegdheid moet worden begrensd en in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet zijn.

mw. mr. Franca Damen

Geef een antwoord

Your email address will not be published. Required fields are marked *

zes + 8 =