Opslagtermijn afvalstoffen Europeesrechtelijk toegestaan?

Het Activiteitenbesluit bepaalt dat het is verboden om afvalstoffen voorafgaand aan nuttige toepassing langer dan drie jaar op te slaan. Dit verbod geldt voor niet vergunningplichtige inrichtingen. In een uitspraak van de Raad van State van 15 februari 2017 (201508889, ECLI:NL:RVS:2017:386) was de vraag aan de orde of het Activiteitenbesluit op dit punt wel in overeenstemming is met de Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen. Deze richtlijn kent een dergelijk verbod namelijk niet.

De Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen (Richtlijn 1999/31/EG) bepaalt slechts dat in beginsel na drie jaar sprake is van een stortplaats. Het langer dan drie jaar opslaan van afvalstoffen is ingevolge de Richtlijn niet verboden.

Dit betekent naar het oordeel van de Raad van State niet dat artikel 2.14a, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit – op grond waarvan het is verboden om afvalstoffen voorafgaand aan nuttige toepassing langer dan drie jaar op te slaan – in strijd is met de Richtlijn. De Richtlijn bevat namelijk geen bepaling die in de weg staat aan het verbod in artikel 2.14a, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit. Bovendien mogen lidstaten ingevolge artikel 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verdergaande beschermingsmaatregelen handhaven en treffen ter behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu.

Het Activiteitenbesluit is op dit punt dan ook in overeenstemming met de Richtlijn.

mw. mr. Franca Damen

Relevante omstandigheden voor maatwerkvoorschrift geluid

De geluidnormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin een andere geluidnorm is aangewezen. Het bevoegd gezag kan daarvoor dan een maatwerkvoorschrift vaststellen. Maar welke omstandigheden kunnen nou vormen voor maatwerk? De Raad van State deed hierover op 7 december 2016 een duidelijke uitspraak (201508487, ECLI:NL:RVS:2016:3248).

De bevoegdheid om in een maatwerkvoorschrift andere geluidnormen vast te stellen, is vastgelegd in artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit. Er kunnen verschillende redenen of argumenten zijn voor de wens, behoefte of noodzaak om af te wijken van de standaard geluidnormen. Reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn gelegen in maatschappelijke ontwikkelingen en veranderende regelgeving.

In beginsel zal het omgevingsgeluid bepalend kunnen zijn voor de mate van afwijking van de standaard geluidnorm. Er kunnen echter ook geluidgrenswaarden boven het omgevingsgeluid worden vastgesteld. Daarvoor kan bijvoorbeeld aanleiding bestaan vanwege individuele bedrijfseconomische redenen. In dat geval kan wel worden verlangd dat wordt aangetoond dat maatregelen onvoldoende soelaas bieden. Op die manier kan het bevoegd gezag de belangen van het bedrijf en de belangen van de woonomgeving afwegen.

Volgens de Raad van State kan deze problematiek zich met name voordoen bij laad- en losactiviteiten. Dan is soms een hogere geluidnorm nodig om de bedrijfsvoering niet geheel onmogelijk te maken. Geluidbeperkende maatregelen zijn bij zo’n activiteiten vaak onvoldoende (doeltreffend) mogelijk.

In de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Raad van State van 7 december 2016 ging het eveneens om laad- en losactiviteiten. Het stond vast dat het bedrijf een groot economisch belang had bij deze activiteiten. De activiteiten zouden echter tot een aanzienlijke geluidbelasting leiden. Deze hoge geluidbelasting kon niet met maatregelen worden beperkt. Daardoor zou het woon- en leefklimaat voor omwonenden verslechteren. Naar het oordeel van de Raad van State kon het woon- en leefklimaat in redelijkheid alleen aanvaardbaar worden geacht als niet op korte termijn een geschiktere locatie voor de activiteiten voorhanden was. Omdat het bevoegd gezag dit niet (voldoende) had beoordeeld, was het besluit naar het oordeel van de Raad van State niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

mw. mr. Franca Damen

Lichthinder door glastuinbouw op afstand 2 km?

De gloed die boven kassen met assimilatiebelichting ontstaat, kan op grote afstand, ook op een afstand van 2 km, worden waargenomen. Daarom kunnen personen die op een dusdanig grote afstand wonen onder omstandigheden belanghebbend zijn bij een besluit over de lichtuitstraling vanuit die kassen. Dit oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 23 november 2016 (201600570, ECLI:NL:RVS:2016:3100).

Situatie

In de uitspraak gaat het over een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waddinxveen (hierna: college) waarbij aan een rozenkwekerij maatwerkvoorschriften zijn opgelegd. Deze maatwerkvoorschriften houden in dat de lichtuitstraling aan de bovenzijde van de kassen van de kwekerij minder hoeft te worden beperkt dan volgens de algemene regels uit het Activiteitenbesluit verplicht is.

Tegen dit besluit heeft appellant, woonachtig op ongeveer 2 km van de kwekerij, bezwaar en beroep ingediend. Zowel het college als de rechtbank heeft geoordeeld dat de appellant niet belanghebbend is bij het besluit, omdat zijn belang niet rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Omdat de appellant zich hier niet mee kon verenigen, heeft hij hoger beroep ingediend bij de Raad van State.

Juridisch kader

Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, moet iemand een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

In het Activiteitenbesluit zijn algemene regels gesteld om lichthinder als gevolg van het via de bovenzijde van de kassen uitstralende licht te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Op grond van artikel 3.57 van het Activiteitenbesluit moet daarom de bovenzijde van kassen vanaf zonsondergang tot zonsopgang zodanig worden afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd. Als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, kan bij maatwerkvoorschrift buiten de donkerteperiode een ander percentage worden vastgesteld.

Uitspraak

In het besluit dat in de uitspraak aan de orde is, heeft het college een afscherming van 74%, 50% of 20% verplicht gesteld. Door de lichtuitstraling via de bovenzijde van de kassen ontstaat een lichtweerkaatsing in de lucht door verstrooiing van het licht. Bij niet of minder goed afgeschermde kassen met assimilatieverlichting kan de lichtweerkaatsing op een grote afstand worden waargenomen, volgens de Richtlijn lichthinder van de Nederlandse Stichting voor verlichtingskunde ook op een afstand van 2 km. Ook kan deze lichtweerkaatsing volgens de Richtlijn lichthinder op grote afstand hinder veroorzaken.

Doordat het besluit minder afscherming van de lichtuitstraling verplicht stelt, maakt het besluit een toename van de lichtweerkaatsing mogelijk. Naar het oordeel van de Raad van State kan niet worden uitgesloten dat appellant ter plaatse van zijn woning door het besluit gevolgen van enige betekenis kan ondervinden. Daarom had appellant als belanghebbende bij het besluit aangemerkt moeten worden. Het college en de rechtbank hebben dat ten onrechte niet onderkend. De Raad van State heeft het college daarom opgedragen opnieuw een beslissing te nemen op de bezwaren van de appellant.

mw. mr. Franca Damen

Zorgplicht Activiteitenbesluit geldt niet voor onversterkte muziek

De zorgplicht in het Activiteitenbesluit is alleen aan de orde in gevallen waarvoor het Activiteitenbesluit geen uitputtende regeling bevat. Dat is het geval als er ten aanzien van een omschreven situatie of activiteit geen limitatieve opsomming is opgenomen met eisen of voorschriften. Als het gaat om geluid dat wordt veroorzaakt door het ten gehore brengen van onversterkte muziek is sprake van een uitputtende regeling. Dit overwoog de Raad van State in een uitspraak van 2 november 2016 (201601926, ECLI:NL:RVS:2016:2881).

In het Activiteitenbesluit is een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat de drijver van een inrichting moet voorkomen dat door het in werking zijn of (tijdelijk) buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de regels die zijn gesteld bij of krachtens het Activiteitenbesluit. Voor zover de gevolgen niet kunnen worden voorkomen, moeten deze worden beperkt voor zover dit redelijkerwijs van de drijver van de inrichting kan worden verlangd.

Met de zinsnede “die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving” van de regels die zijn gesteld bij of krachtens het Activiteitenbesluit heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat overtreding van de zorgplicht alleen aan de orde is in gevallen waarvoor het Activiteitenbesluit geen uitputtende regeling bevat. Dat is het geval als er ten aanzien van een omschreven situatie of activiteit geen limitatieve opsomming is opgenomen met eisen of voorschriften.

Als het gaat om geluid dat wordt veroorzaakt door het ten gehore brengen van onversterkte muziek is van belang dat dit geluid volledig is uitgezonderd van de geluidgrenswaarden in het Activiteitenbesluit. Dit is slechts anders als bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld met betrekking tot het ten gehore brengen van onversterkte muziek.

Gelet hierop bevat het Activiteitenbesluit een uitputtende regeling voor het ten gehore brengen van onversterkte muziek. Dat betekent dat overtreding van de zorgplicht niet aan de orde kan zijn.

mw. mr. Franca Damen

Het begrip ‘overtreding’ in relatie tot een handhavingsbesluit

Wat onder een overtreding moet worden verstaan, is gedefinieerd in de Algemene wet bestuursrecht. Maar hoe verhoudt dit begrip zich nu in relatie tot een overtreding in een handhavingsbesluit? Rechtbank Oost-Brabant deed hierover een duidelijke uitspraak op 22 september 2016, gepubliceerd op 18 oktober 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:5633).

Onder een overtreding wordt verstaan een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enige wettelijk voorschrift. Wanneer sprake is van een overtreding, is het bevoegd gezag in beginsel verplicht tot handhavend optreden. Daartoe kan een bestuurlijke sanctie worden opgelegd, zoals een last onder dwangsom.

In een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie moeten de overtreding en het overtreden voorschrift worden vermeld. Ook moeten specifiek de gedragingen worden genoemd, die een overtreding vormen van de in dat besluit genoemde overtreden voorschriften. Als het besluit (na bezwaar) wordt heroverwogen en op dat moment andere gedragingen worden geconstateerd, dan kunnen deze niet als een voortzetting van de overtreding worden gezien, ook niet als deze gedragingen in strijd zijn met een in het sanctiebesluit genoemd voorschrift.

In de zaak die aan de orde was in de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 22 september 2016 had het bevoegd gezag dat toch gedaan. Wat was er aan de hand?

Het bevoegd gezag had een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 3.133 van het Activiteitenbesluit en de artikelen 3.100 en 3.101 van de Activiteitenregeling, omdat:

  • de zuurgraad van het waswater van de luchtwasser te laag was, waardoor er niet werd gehandeld in overeenstemming met de systeembeschrijving van deze luchtwasser;
  • in het logboek geen gedragsvoorschriften ten aanzien van het gebruik en onderhoud van het luchtwassysteem aanwezig waren;
  • de EC-elektrode niet aantoonbaar was gekalibreerd.

Als de overtredingen niet binnen de gestelde begunstigingstermijn zouden zijn beëindigd, zou de ondernemer een dwangsom zijn verbeurd. De ondernemer heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Voordat een beslissing op dit bezwaarschrift is genomen, heeft een hercontrole plaatsgevonden. Tijdens deze controle is geconstateerd dat de hiervoor genoemde overtredingen zijn beëindigd. Desondanks was de ondernemer volgens het bevoegd gezag een dwangsom verbeurd. Volgens het bevoegd gezag was namelijk nog steeds sprake van een overtreding van artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit. Omdat de gemeten waarde van de geleidbaarheid van het waswater niet voldeed aan de daarvoor geldende eisen, werd nog steeds niet in overeenstemming met de systeembeschrijving van de luchtwasser gehandeld, zodat volgens het bevoegd gezag nog steeds sprake was van een overtreding van artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit.

Volgens het bevoegd gezag levert dus, los van de geconstateerde overtreding, het niet voldoen aan wettelijke voorschriften een overtreding op. De rechtbank zet hier een streep doorheen. De tijdens de hercontrole geconstateerde andere gedragingen kunnen niet als een voortzetting van de overtreding worden gezien. Het gaat om een nieuwe overtreding. Deze nieuwe overtreding leidt niet tot verbeurte van een dwangsom vanwege het niet beëindigen van de eerder geconstateerde overtreding waarvoor een last onder dwangsom was opgelegd.

Blijf dus altijd alert bij handhavingsbesluiten en besluiten waarbij – volgens het bevoegd gezag verbeurde – dwangsommen worden ingevorderd.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3