Oud bestemmingsplan herleeft niet bij intrekking nieuw onherroepelijk bestemmingsplan

Als voor een bepaalde locatie of een bepaald gebied een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld en onherroepelijk is geworden, kan het oude bestemmingsplan niet herleven. Ook als het nieuwe bestemmingsplan wordt ingetrokken, herleeft het oude bestemmingsplan niet. Dit kwam aan de orde in een uitspraak van de Raad van State van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:421).

Zoals de Raad van State ook in een uitspraak van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1848) heeft overwogen, kan een bevoegd gezag een planologisch regime voor gronden alleen door expliciete vaststelling laten gelden. Als een planologisch regime, zoals een bestemmingsplan, is vastgesteld en onherroepelijk is geworden, komt het oude planologisch regime te vervallen. Het oude planologisch regime bestaat dan niet meer.

Als het nieuwe planologisch regime dan zou worden ingetrokken, kan het oude planologisch regime dan ook niet herleven. De rechtszekerheid verzet zich hier tegen.

Dit is anders als een planologisch regime nog niet onherroepelijk is, omdat hiertegen nog een procedure loopt bij de Raad van State. Betrokkenen moeten er dan rekening mee houden dat het oude planologisch regime nog kan herleven.

mw. mr. Franca Damen

De rol van vogelgriep in een bestemmingsplan

Een uitbraak van vogelgriep kan grote gevolgen hebben voor de pluimveehouderij. Het is dan ook begrijpelijk dat pluimveehouders mogelijke risicobronnen voor vogelgriep bij voorkeur voorkomen. Hoe zit het als een gemeente zo’n mogelijke risicobron wil toestaan in een bestemmingsplan? Moet de gemeente bij het vaststellen van dat bestemmingsplan dan rekening houden met de gevolgen van een mogelijke uitbraak van vogelgriep? Op 20 maart 2019 heeft de Raad van State hier een duidelijke uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:886).

Wat was er aan de hand?

De raad van de gemeente Someren heeft het bestemmingsplan ‘Vogelasiel Someren’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding en vernieuwing van een bestaand vogelasiel mogelijk.

In de omgeving zijn verschillende pluimveehouderijen gevestigd. Twee pluimveehouders hebben beroep ingediend tegen het bestemmingsplan. Zij vrezen onaanvaardbare risico’s voor hun bedrijfsvoering door het vogelasiel.

Juridisch kader

Een bestemmingsplan moet in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De gemeenteraad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen.

Oordeel van de rechter

De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Vogelasiel Someren’ de ruimtelijke aanvaardbaarheid beoordeeld. Daarbij zijn ook de eventuele gevolgen van het vogelasiel voor agrarische bedrijven in de omgeving beoordeeld.

Voor een risico op vogelgriep geldt geen aan te houden afstand. Omdat de gemeenteraad rekening heeft willen houden met de agrarische bedrijven in de omgeving, is het vogelasiel niet binnen 1 km van een agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt.

Verder heeft de gemeenteraad laten onderzoeken óf het mogelijk maken van een vogelasiel ter plaatse een risico inhoudt en op welke afstand zich eventuele gevolgen zouden kunnen voordoen voor agrarische bedrijven in de omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat het gebruik als vogelasiel ter plaatse op zichzelf geen risico inhoudt en dat er geen sprake is van gevolgen door de mogelijkheid van dit gebruik.

Volgens de gemeenteraad is er gelet hierop geen sprake van een onaanvaardbaar risico en een onaanvaardbare aantasting van de belangen van pluimveehouders.

Naar het oordeel van de Raad van State heeft de gemeenteraad zich op dit standpunt kunnen stellen. Hiervoor is van belang dat uit het ‘Beleidsdraaiboek Aviaire Influenza’ van het ministerie van Economische Zaken (september 2013) niet het door de pluimveehouders gevreesde risico blijkt. Het draaiboek gaat namelijk alleen over de wijze waarop door de overheid moet worden gehandeld ná een uitbraak van vogelgriep.

De gemeenteraad hoefde in het bestemmingsplan geen verdergaande maatregelen vanwege de verspreiding van dierziekten op te nemen. Zo’n maatregelen, zoals hygiëne bij de exploitatie en het onderbrengen van vogels in buitenvolières, gaan namelijk over de wijze van uitvoering van het bestemmingsplan en de exploitatie van het vogelasiel. Een bestemmingsplan is niet bedoeld om zo’n maatregelen op te nemen. Een bestemmingsplan staat er echter niet aan in de weg dat zo’n maatregelen bij de uitvoering en exploitatie worden getroffen.

Een risico op vogelgriep en de eventuele gevolgen daarvan voor pluimveehouders zijn naar het oordeel van de Raad van State dus geen belemmering om het vogelasiel toe te staan. De Raad van State laat het bestemmingsplan voor het vogelasiel dan ook in stand.

mw. mr. Franca Damen

MER-beoordelingsbesluit mag bij ontwerpplan door college en raad

Als voor een (ontwerp)bestemmingsplan een MER-beoordelingsbesluit is vereist, dan is zowel het college van burgemeester en wethouders als de gemeenteraad bevoegd om dat MER-beoordelingsbesluit te nemen. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 26 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3131).

Wat was er aan de hand?

De uitspraak gaat over een bestemmingsplan dat een nieuwe woonwijk met 86 woningen mogelijk maakt. Tegen het bestemmingsplan is beroep ingediend. In het beroepschrift is onder andere aangevoerd dat de gemeente in strijd met artikel 7.19 Wet milieubeheer (Wm) heeft gehandeld. Dat artikel gaat over de MER-beoordelingsplicht.

Juridisch kader

Op 1 juli 2017 zijn de regels over de milieueffectrapportage veranderd. Omdat het bestemmingsplan na die datum is vastgesteld, zijn de nieuwe regels van toepassing.

Van belang is artikel 7.19 Wm. Dat artikel bepaalt het volgende:

  • als het bevoegd gezag een activiteit wil ondernemen en
  • voor die activiteit op grond van artikel 7.2, eerste lid, sub b, Wm een MER-beoordeling is vereist,
  • dan moet het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit een MER-beoordelingsbesluit nemen.

Onder ‘een zo vroeg mogelijk stadium’ wordt verstaan het stadium vóór de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. Dit betekent dus dat voordat het ontwerpbesluit (bijvoorbeeld een ontwerpbestemmingsplan) ter inzage wordt gelegd, een MER-beoordelingsbesluit moet zijn genomen.

Het bevoegd gezag mag het MER-beoordelingsbesluit pas nemen na overleg met de bestuursorganen die op grond van de wet moeten worden betrokken bij het voorbereiden van het betrokken besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan). Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden of het vaststellen van een plan of besluit.

In het MER-beoordelingsbesluit moet het bevoegd gezag beslissen of er vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, een MER moet worden gemaakt. Meer informatie over de milieueffectrapportage kunt u hier lezen.

Oordeel van de rechter

Het bestemmingsplan voor de nieuwe woonwijk is een initiatief van de gemeente. Voor dat bestemmingsplan is een vormvrije MER-beoordeling vereist.

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het (ontwerp)bestemmingsplan voor te bereiden en de gemeenteraad is bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen.

Gelet hierop is volgens de Raad van State zowel het college als de gemeenteraad bevoegd om het MER-beoordelingsbesluit te nemen.

Het MER-beoordelingsbesluit is overigens pas tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan genomen, in plaats van vóór de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Omdat belanghebbenden hier niet door zijn benadeeld, heeft de Raad van State dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb hersteld. Dat dit mogelijk is, blijkt ook uit eerdere uitspraken (zie bijvoorbeeld mijn artikel ‘Gebrek van niet uitvoeren MER(-beoordeling) reparabel?’).

mw. mr. Franca Damen

Definitie ‘kwetsbaar object’ in bestemmingsplan in relatie tot Bevi

Het komt regelmatig voor dat in een bestemmingsplan een definitie voor ‘kwetsbaar object’ wordt opgenomen. Maar hoe verhoudt een dergelijke definitie zich ten opzichte van de definitie van ‘kwetsbaar object’ in het Besluit externe veiligheid inrichtingen? Op 1 juni 2017 deed rechtbank Amsterdam hierover een uitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2017:3794).

Wat was er aan de hand?

De uitspraak gaat over een aanvraag voor een exploitatievergunning voor een horecabedrijf. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente waarin het horecabedrijf is gelegen, bepaalt dat een vergunning voor een bedrijf wordt geweigerd als de exploitatie daarvan in strijd is met het bestemmingsplan.

Op grond van het bestemmingsplan zijn binnen de bestemming die geldt voor het horecabedrijf geen kwetsbare objecten toegestaan. In het bestemmingsplan is de volgende definitie opgenomen voor ‘kwetsbare objecten’:

“objecten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), waaronder in ieder geval worden begrepen objecten waarbinnen op elk moment meer dan 50 mensen tegelijkertijd aanwezig zijn (die ieder ten minste 8 uur per etmaal aanwezig zijn) en waarvan het bruto vloeroppervlakte per persoon kleiner of gelijk is aan 30 m2”

Of sprake is van een kwetsbaar object, toetst de gemeente verder aan de hand van het ‘Beslismodel (beperkt) kwetsbaar object’ (Beslismodel). Het Beslismodel bevat twee stappen om te bepalen of sprake is van een kwetsbaar object.

Volgens de gemeente is het horecabedrijf geen kwetsbaar object en daarom niet in strijd met het bestemmingsplan. Om die reden kon de exploitatievergunning volgens de gemeente worden verleend.

Juridisch kader

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is een definitie van ‘kwetsbaar object’ opgenomen. Daaronder vallen onder andere gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn.

Oordeel van de rechter

In de uitspraak is de vraag aan de orde hoe de definitie van ‘kwetsbaar object’ in het bestemmingsplan zich verhoudt tot de definitie hiervan in het Bevi. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente een verkeerde maatstaf gebruikt door alleen te toetsen aan het criterium in het bestemmingsplan, uitgewerkt in het Beslismodel.

In het bestemmingsplan wordt een uitleg gegeven van wat in ieder geval onder het begrip ‘kwetsbaar object’ moet worden begrepen. In die zin is dat begrip dus beperkter dan het begrip ‘kwetsbaar object’ in het Bevi. Hetzelfde geldt voor de beoordelingscriteria in het Beslismodel.

Het uitgangspunt in het Bevi is dat bij aanwezigheid van meer dan 50 personen in een gebouw sprake is van ‘grote aantallen personen’ en daarmee dus van een kwetsbaar object, onafhankelijk van de personendichtheid. De definitie in het bestemmingsplan en de uitwerking in het Beslismodel brengt met zich dat van een kwetsbaar object in ieder geval sprake is als op elk moment meer dan 50 mensen tegelijkertijd in het object aanwezig zijn, en deze ten minste 8 uur per etmaal aanwezig zijn.

Maar dat wil niet zeggen dat als niet aan deze criteria is voldaan, dat er dan geen sprake kan zijn van een kwetsbaar object. Daarvoor zal ook moeten worden getoetst aan de definitie van kwetsbaar object in het Bevi.

Door alleen te toetsen aan het beperkte criterium in het bestemmingsplan, heeft de gemeente naar het oordeel van de rechtbank een verkeerde maatstaf gebruikt.

mw. mr. Franca Damen

Stikstofneutraal bestemmingsplan toch toegestaan?

Het vaststellen van een bestemmingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied is in de praktijk vaak lastig. Uit de rechtspraak volgt namelijk dat de plantoets strikt moet worden uitgevoerd. Zelfs een stikstofneutraal bestemmingsplan volstaat niet. Of toch wel? De Raad van State deed hierover op 26 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1135) een uitspraak.

Deze uitspraak gaat over een bestemmingsplan waarin, zoals gebruikelijk, een aantal wijzigingsbevoegdheden is opgenomen. Aan het toepassen van die wijzingsbevoegdheden is de voorwaarde verbonden dat wordt aangetoond dat een ontwikkeling stikstofneutraal plaatsvindt. In het bestemmingsplan wordt hieronder verstaan:

“stikstofneutraal: geen toename van stikstofemissie”

Dat betekent dat een wijzigingsplan alleen kan worden vastgesteld als is verzekerd dat de daarin voorziene ontwikkeling, inclusief een eventuele toename van verkeersbewegingen en het beweiden van dieren, niet leidt tot een toename van stikstof. Naar het oordeel van de Raad van State is op deze manier uitgesloten dat het plan de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden zal aantasten.

In een eerdere uitspraak overwoog de Raad van State anders. In de desbetreffende uitspraak oordeelde de Raad van State namelijk dat de planregels, waarin het begrip stikstofneutraal als voorwaarde was opgenomen, niet in de weg stonden aan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. De definitief van het begrip ‘stikstofneutraal’ in die planregels was echter anders dan de definitie in het bestemmingsplan dat aan de orde was in de uitspraak van 26 april 2017.

Een stikstofneutraal bestemmingsplan lijkt gelet op laatstgenoemde uitspraak dus wel toegestaan, mits wordt gekozen voor een juiste definitie van het begrip ‘stikstofneutraal’.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 4