Bouwplan soms verplicht ex tunc toetsen

Een bouwplan moet soms verplicht ex tunc worden getoetst. In dat geval moet het bouwplan worden getoetst aan het bestemmingsplan zoals dat gold op het moment van het aanvragen van de omgevingsvergunning bouwen. Dat oordeelde rechtbank Oost-Brabant in een uitspraak van 5 juli 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:3915).

Vaste rechtspraak

Het is vaste rechtspraak dat bij het nemen van een besluit in beginsel het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Daarop is in de rechtspraak echter ook een uitzondering gemaakt.

Het bevoegd gezag mag namelijk het recht toepassen zoals dat nog wel gold op het moment van het indienen van een vergunningaanvraag, maar niet meer op het moment van het besluit daarop, als op het moment van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning bouwen.

Dat is het geval als op het moment van het indienen van de vergunningaanvraag:

  • het bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en de toen geldende regels in een provinciale ruimtelijke verordening,
  • geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan en
  • er nog geen nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd waarmee dat bouwplan in strijd was.

In dat geval mag – zo is de rechtspraak – het bevoegd gezag het recht toepassen zoals dat gold op het moment van het indienen van de vergunningaanvraag.

Geen bevoegdheid, maar een verplichting

Maar rechtbank Oost-Brabant gaat in de uitspraak van 5 juli 2019 een stapje verder. Naar het oordeel van de rechtbank mag de vergunningaanvrager van het bevoegd gezag namelijk eisen dat de vergunningaanvraag ex tunc – dus aan het recht zoals dat gold op het moment van het indienen van de vergunningaanvraag – wordt getoetst.

Als aan de hiervoor genoemde voorwaarden wordt voldaan, moet het bevoegd gezag dus toetsen aan het recht zoals dat gold op het moment van het indienen van de vergunningaanvraag. Dat is geen bevoegdheid, maar een verplichting. De rechtspraak die hierover is ontwikkeld, is namelijk gebaseerd op het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.

Als een vergunningaanvraag voor een bouwplan wordt ingediend die voldoet aan alle geldende regels op dat moment, dan mag de aanvrager er in beginsel op vertrouwen dat die regels niet achteraf worden gewijzigd in zijn of haar nadeel. Het bevoegd gezag heeft namelijk bevoegdheden gekregen om te voorkomen dat tijdens de voorbereiding van een wijziging van het bestemmingsplan of een provinciale verordening personen gebruik maken van mogelijkheden op basis van het oude recht dat het bevoegd gezag niet wenselijk vindt. Hiervoor kan het bevoegd gezag een voorbereidingsbesluit vaststellen. Zo’n bevoegdheid zou overbodig zijn als het bevoegd gezag zomaar een wijziging van het recht na het indienen van een vergunningaanvraag ten nadele van de aanvrager kan toepassen in de gevallen dat de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan of een provinciale regel.

Dit betekent dus dat een bouwplan verplicht ex tunc moet worden getoetst als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden.

mw. mr. Franca Damen

Moet gemeente handhavend optreden tegen burgerbewoning van bedrijfswoning?

Het komt veel voor dat een bedrijfswoning die van oorsprong bij een agrarisch bedrijf behoorde, inmiddels niet meer wordt bewoond door de agrariër maar door iemand die niets met het agrarisch bedrijf van doen heeft. Vaak is dit op grond van het bestemmingsplan echter niet toegestaan. Is een gemeente dan verplicht om tegen de burgerbewoning van een bedrijfswoning handhavend op te treden als er wordt verzocht om handhaving? De Raad van State heeft hierover op 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:894) een uitspraak gedaan.

Wat was er aan de hand?

Op een agrarische bedrijfslocatie bevinden zich een pluimveehouderij en een woning. Deze woning is een voormalige bedrijfswoning bij de pluimveehouderij. In 1995 is de woning afgesplitst van het agrarisch bedrijf door afzonderlijke verkoop van de woning en het agrarisch bedrijf. Sinds 1997 wordt de woning bewoond door een gezin dat geen binding met de pluimveehouderij heeft.

De pluimveehouder vreest dat hij door de burgerbewoning van de voormalige bedrijfswoning in zijn bedrijfsvoering kan worden belemmerd. Daarom heeft hij de gemeente verzocht om handhavend op te treden tegen de burgerbewoning.

De gemeente heeft het handhavingsverzoek afgewezen. Volgens de gemeente wordt de pluimveehouder namelijk niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd door de burgerbewoning van de bedrijfswoning. Daarnaast heeft de gemeente aangegeven dat hij handhavingsverzoeken van de bewoners van de woning niet in behandeling zal nemen.

De pluimveehouder is het niet mee eens met de afwijzing van zijn verzoek en is daartegen daarom een juridische procedure gestart.

Juridisch kader

Als sprake is van een overtreding moet het bevoegd gezag daar in beginsel handhavend tegen optreden. Dit houdt verband met het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden mag het bevoegd gezag afzien van handhavend optreden. Hiervan is sprake als er concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden moet worden afgezien.

Oordeel van de rechter

De Raad van State stelt vast dat de burgerbewoning van de bedrijfswoning in strijd is met het bestemmingsplan. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Ook is handhavend optreden in dit geval naar het oordeel van de Raad van State niet zodanig ovenredig dat de gemeente hiervan af mocht zien.

Hiervoor is van belang dat, anders dan de gemeente heeft overwogen, de pluimveehouder door de burgerbewoning wel degelijk in zijn bedrijfsvoering kan worden belemmerd. De pluimveehouder heeft namelijk onweersproken gesteld dat hij door deze bewoning niet kan voldoen aan de voorschriften van de geldende omgevingsvergunning.

Een mogelijke verklaring hiervoor is het aspect fijnstof. De Raad van State heeft namelijk eerder vastgesteld dat ter plaatse van woningen zoals de onderhavige moet worden getoetst aan de normen voor fijnstof. Voor een toelichting daarop verwijs ik naar mijn blogs ‘Beoordeling plattelandswoning in strijd met Wet luchtkwaliteit’ en ‘Plattelandswoning: het kan!’.

Verder is van belang dat uitbreiding van de bestaande pluimveehouderij niet de enige mogelijke bedrijfsactiviteit is. Het is, zo overweegt de Raad van State, niet uitgesloten dat het bedrijf in de toekomst een omgevingsvergunning aanvraagt voor een bepaalde bedrijfsactiviteit die uitsluitend vanwege de aanwezigheid van een burgerwoning op het perceel niet kan worden verleend. Hierbij is van belang dat de gemeente die aanvraag moet toetsen aan de toepasselijke wettelijke regelingen, op grond waarvan de gemeente mogelijk niet de beoordelingsruimte heeft om de milieugevolgen voor de woning niet in zijn beoordeling te betrekken. Het aspect fijnstof is hiervan een voorbeeld.

Daarnaast kan de gemeente zich niet zonder meer op het standpunt stellen dat hij handhavingsverzoeken van de bewoners van de woning niet in behandeling zal nemen. De gemeente is namelijk gehouden aan de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht over de behandeling van verzoeken van een belanghebbende om een besluit te nemen.

De belangen van de bewoners om in de woning te kunnen blijven wonen, wegen niet op tegen het algemeen belang en het belang van de pluimveehouder bij handhavend optreden. Er is dus geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college kon afzien van handhavend optreden.

Dit betekent dat de gemeente het handhavingsverzoek niet had mogen afwijzen. De gemeente moet nu een nieuw besluit nemen.

mw. mr. Franca Damen

Oud bestemmingsplan herleeft niet bij intrekking nieuw onherroepelijk bestemmingsplan

Als voor een bepaalde locatie of een bepaald gebied een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld en onherroepelijk is geworden, kan het oude bestemmingsplan niet herleven. Ook als het nieuwe bestemmingsplan wordt ingetrokken, herleeft het oude bestemmingsplan niet. Dit kwam aan de orde in een uitspraak van de Raad van State van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:421).

Zoals de Raad van State ook in een uitspraak van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1848) heeft overwogen, kan een bevoegd gezag een planologisch regime voor gronden alleen door expliciete vaststelling laten gelden. Als een planologisch regime, zoals een bestemmingsplan, is vastgesteld en onherroepelijk is geworden, komt het oude planologisch regime te vervallen. Het oude planologisch regime bestaat dan niet meer.

Als het nieuwe planologisch regime dan zou worden ingetrokken, kan het oude planologisch regime dan ook niet herleven. De rechtszekerheid verzet zich hier tegen.

Dit is anders als een planologisch regime nog niet onherroepelijk is, omdat hiertegen nog een procedure loopt bij de Raad van State. Betrokkenen moeten er dan rekening mee houden dat het oude planologisch regime nog kan herleven.

mw. mr. Franca Damen

De rol van vogelgriep in een bestemmingsplan

Een uitbraak van vogelgriep kan grote gevolgen hebben voor de pluimveehouderij. Het is dan ook begrijpelijk dat pluimveehouders mogelijke risicobronnen voor vogelgriep bij voorkeur voorkomen. Hoe zit het als een gemeente zo’n mogelijke risicobron wil toestaan in een bestemmingsplan? Moet de gemeente bij het vaststellen van dat bestemmingsplan dan rekening houden met de gevolgen van een mogelijke uitbraak van vogelgriep? Op 20 maart 2019 heeft de Raad van State hier een duidelijke uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RVS:2019:886).

Wat was er aan de hand?

De raad van de gemeente Someren heeft het bestemmingsplan ‘Vogelasiel Someren’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de uitbreiding en vernieuwing van een bestaand vogelasiel mogelijk.

In de omgeving zijn verschillende pluimveehouderijen gevestigd. Twee pluimveehouders hebben beroep ingediend tegen het bestemmingsplan. Zij vrezen onaanvaardbare risico’s voor hun bedrijfsvoering door het vogelasiel.

Juridisch kader

Een bestemmingsplan moet in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De gemeenteraad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen.

Oordeel van de rechter

De gemeenteraad heeft bij het vaststellen van het bestemmingsplan ‘Vogelasiel Someren’ de ruimtelijke aanvaardbaarheid beoordeeld. Daarbij zijn ook de eventuele gevolgen van het vogelasiel voor agrarische bedrijven in de omgeving beoordeeld.

Voor een risico op vogelgriep geldt geen aan te houden afstand. Omdat de gemeenteraad rekening heeft willen houden met de agrarische bedrijven in de omgeving, is het vogelasiel niet binnen 1 km van een agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt.

Verder heeft de gemeenteraad laten onderzoeken óf het mogelijk maken van een vogelasiel ter plaatse een risico inhoudt en op welke afstand zich eventuele gevolgen zouden kunnen voordoen voor agrarische bedrijven in de omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat het gebruik als vogelasiel ter plaatse op zichzelf geen risico inhoudt en dat er geen sprake is van gevolgen door de mogelijkheid van dit gebruik.

Volgens de gemeenteraad is er gelet hierop geen sprake van een onaanvaardbaar risico en een onaanvaardbare aantasting van de belangen van pluimveehouders.

Naar het oordeel van de Raad van State heeft de gemeenteraad zich op dit standpunt kunnen stellen. Hiervoor is van belang dat uit het ‘Beleidsdraaiboek Aviaire Influenza’ van het ministerie van Economische Zaken (september 2013) niet het door de pluimveehouders gevreesde risico blijkt. Het draaiboek gaat namelijk alleen over de wijze waarop door de overheid moet worden gehandeld ná een uitbraak van vogelgriep.

De gemeenteraad hoefde in het bestemmingsplan geen verdergaande maatregelen vanwege de verspreiding van dierziekten op te nemen. Zo’n maatregelen, zoals hygiëne bij de exploitatie en het onderbrengen van vogels in buitenvolières, gaan namelijk over de wijze van uitvoering van het bestemmingsplan en de exploitatie van het vogelasiel. Een bestemmingsplan is niet bedoeld om zo’n maatregelen op te nemen. Een bestemmingsplan staat er echter niet aan in de weg dat zo’n maatregelen bij de uitvoering en exploitatie worden getroffen.

Een risico op vogelgriep en de eventuele gevolgen daarvan voor pluimveehouders zijn naar het oordeel van de Raad van State dus geen belemmering om het vogelasiel toe te staan. De Raad van State laat het bestemmingsplan voor het vogelasiel dan ook in stand.

mw. mr. Franca Damen

MER-beoordelingsbesluit mag bij ontwerpplan door college en raad

Als voor een (ontwerp)bestemmingsplan een MER-beoordelingsbesluit is vereist, dan is zowel het college van burgemeester en wethouders als de gemeenteraad bevoegd om dat MER-beoordelingsbesluit te nemen. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 26 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3131).

Wat was er aan de hand?

De uitspraak gaat over een bestemmingsplan dat een nieuwe woonwijk met 86 woningen mogelijk maakt. Tegen het bestemmingsplan is beroep ingediend. In het beroepschrift is onder andere aangevoerd dat de gemeente in strijd met artikel 7.19 Wet milieubeheer (Wm) heeft gehandeld. Dat artikel gaat over de MER-beoordelingsplicht.

Juridisch kader

Op 1 juli 2017 zijn de regels over de milieueffectrapportage veranderd. Omdat het bestemmingsplan na die datum is vastgesteld, zijn de nieuwe regels van toepassing.

Van belang is artikel 7.19 Wm. Dat artikel bepaalt het volgende:

  • als het bevoegd gezag een activiteit wil ondernemen en
  • voor die activiteit op grond van artikel 7.2, eerste lid, sub b, Wm een MER-beoordeling is vereist,
  • dan moet het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium voor de voorbereiding van het besluit een MER-beoordelingsbesluit nemen.

Onder ‘een zo vroeg mogelijk stadium’ wordt verstaan het stadium vóór de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. Dit betekent dus dat voordat het ontwerpbesluit (bijvoorbeeld een ontwerpbestemmingsplan) ter inzage wordt gelegd, een MER-beoordelingsbesluit moet zijn genomen.

Het bevoegd gezag mag het MER-beoordelingsbesluit pas nemen na overleg met de bestuursorganen die op grond van de wet moeten worden betrokken bij het voorbereiden van het betrokken besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan). Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden of het vaststellen van een plan of besluit.

In het MER-beoordelingsbesluit moet het bevoegd gezag beslissen of er vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, een MER moet worden gemaakt. Meer informatie over de milieueffectrapportage kunt u hier lezen.

Oordeel van de rechter

Het bestemmingsplan voor de nieuwe woonwijk is een initiatief van de gemeente. Voor dat bestemmingsplan is een vormvrije MER-beoordeling vereist.

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het (ontwerp)bestemmingsplan voor te bereiden en de gemeenteraad is bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen.

Gelet hierop is volgens de Raad van State zowel het college als de gemeenteraad bevoegd om het MER-beoordelingsbesluit te nemen.

Het MER-beoordelingsbesluit is overigens pas tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan genomen, in plaats van vóór de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Omdat belanghebbenden hier niet door zijn benadeeld, heeft de Raad van State dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb hersteld. Dat dit mogelijk is, blijkt ook uit eerdere uitspraken (zie bijvoorbeeld mijn artikel ‘Gebrek van niet uitvoeren MER(-beoordeling) reparabel?’).

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 4