De aanvaardbaarheid van geurhinder: maatwerkvoorschriften

In dit deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ga ik in op maatwerkvoorschriften die kunnen worden opgelegd om een aanvaardbaar geurhinderniveau te borgen. Hierover deed rechtbank Oost-Brabant een uitspraak op 5 april 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1896).T

Artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit

In het eerste deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ben ik ingegaan op de vraag in welke gevallen artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing is en wat dit artikel inhoudt. Ook kwam aan de orde dat handhaving vanwege een overtreding van artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit alleen mogelijk als het handelen of nalaten van een bedrijf hiermee onmiskenbaar in strijd is.

In het tweede deel van mijn blogreeks ben ik ingegaan op mestopslag in relatie tot artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. In het derde deel van mijn blogreeks ben ik ingegaan op artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit in relatie tot vergunde bedrijfsactiviteiten.

Maatwerkvoorschriften

Als blijkt dat een bedrijf onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt, kan het bevoegd gezag hiervoor op grond van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften vaststellen. Voorwaarde is dan uiteraard wel dat dit artikel op het bedrijf van toepassing is.

Een voorbeeld van een situatie waarin het bevoegd gezag aan een bedrijf maatwerkvoorschriften heeft opgelegd vanwege onaanvaardbare geurhinder, is aan de orde in de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 5 april 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1896). Deze uitspraak gaat over een overslag- / mestverwerkingsbedrijf in Helmond.

Het bedrijf is het niet eens met de maatwerkvoorschriften en heeft hiertegen daarom beroep ingediend bij de rechtbank.

Stappen voor aanvaardbaar geurhinderniveau

De rechtbank stelt eerst vast dat artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit in een aantal stappen voorziet om in knelgevallen een aanvaardbaar geurhinderniveau te bereiken.

  1. Eerst moet het bevoegd gezag bepalen wat het aanvaardbaar geurhinderniveau is. Hierbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de aspecten die zijn genoemd in artikel 2.7a, derde lid, van het Activiteitenbesluit (zie het eerste deel van mijn blogreeks).
  2. Als het bevoegd gezag het vermoeden heeft dat het geurhinderniveau niet tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, kan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.7a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit bepalen dat het bedrijf een geuronderzoek overeenkomstig NTA 9065 laat uitvoeren. Hieruit volgt dat het bevoegd gezag niet over een geuronderzoek overeenkomstig NTA 9065 hoeft te beschikken voor een vermoeden van overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau.
  3. Pas als sprake is van een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau is het bevoegd gezag bevoegd om maatwerkvoorschriften vast te stellen. Volgens de rechtbank moet de overschrijding wel mede blijken uit een geuronderzoek overeenkomstig NTA 9065.
  4. Bij de maatwerkvoorschriften kan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.7a, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit een geuronderzoek verlangen.

In artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit staan verschillende soorten maatwerkvoorschriften. Het bevoegd gezag mag deze voorschriften naast elkaar vaststellen. Het woordje ‘of’ sluit namelijk niet uit dat voorschriften naast elkaar worden vastgesteld.

Wat is een aanvaardbaar geurhinderniveau?

In de uitspraak komt de vraag aan de orde wat een aanvaardbaar geurhinderniveau is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het bevoegd gezag daarvoor kunnen aansluiten bij de vigerende vergunning en de Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant (Beleidsregel).

Is er een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau?

Vervolgens komt de vraag aan de orde of het aanvaardbaar geurhinderniveau is overschreden. Het bevoegd gezag stelt van wel en baseert dat op ingediende klachten (hindersignalen en toezicht), een geurbelevingsonderzoek en 18 uitgevoerde geurmetingen bij het bedrijf. Een evaluatie eNose meetcampagne zou de drie omstandigheden bevestigen.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht het bevoegd gezag niet op basis van de hindersignalen, het geurbelevingsonderzoek of de evaluatie eNose aannemen dat sprake was van een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau. Het bevoegd gezag mocht deze overschrijding wel aannemen op basis van de geurmetingen, die kwalificeren als onderzoeken overeenkomstig NTA 9065.

Uit de geurmetingen blijkt namelijk dat de vergunde geuremissie in meerdere gevallen werd overschreden. Dit betekent op zichzelf nog niet dat ook het aanvaardbaar geurhinderniveau werd overschreden. Maar er is meer aan de hand geweest. In tien gevallen leidde de gemeten geuremissie namelijk tot een hogere immissie dan is toegelaten in de Beleidsregel. Daarnaast heeft het bedrijf erkend dat de geuremissie van het productieproces meer fluctueert dan vooraf werd gedacht en dat bepaalde technieken niet het verwachte rendement leveren.

Gelet hierop mocht het bevoegd gezag naar het oordeel van de rechtbank aannemen dat het bedrijf het aanvaardbaar geurhinderniveau overschrijdt. Daarom was het bevoegd gezag op grond van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen. 

Welke maatwerkvoorschriften zijn toegestaan?

Nadat de rechtbank heeft vastgesteld dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften aan het bedrijf mocht opleggen, komt de vraag aan de orde of de maatwerkvoorschriften inhoudelijk stand kunnen houden.

Een deel van de maatwerkvoorschriften bepaalt dat het bedrijf periodiek (iedere vier jaar) een geuronderzoek moet uitvoeren. In het onderzoek moeten voor de korte en de lange termijn technisch haalbare maatregelen en voorzieningen met betrekking tot de reductie van geuremissie en geurimmissie worden geïdentificeerd.

Het bevoegd gezag mocht zo’n geuronderzoek voorschrijven, maar niet voor iedere vier jaar. Daarvoor bevat artikel 2.7a, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit namelijk geen grondslag. Als het bevoegd gezag een herhaald onderzoek wil, dan moet het eerst (opnieuw) het vermoeden hebben dat de geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Een deel van de maatwerkvoorschriften verplicht het bedrijf om nadere maatregelen en verdere onderzoeken te realiseren op basis van de resultaten van het geuronderzoek. Deze maatwerkvoorschriften doorkruisen het stappenplan van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit op ontoelaatbare wijze. Het bedrijf wordt hiermee namelijk zonder meer verplicht om nieuwe, nog onbekende technieken toe te passen.

Dit kan het bevoegd gezag alleen doen met toepassing van artikel 2.7, vierde lid, onder c, van het Activiteitenbesluit. Dat artikelonderdeel strekt echter niet zo ver dat een bedrijf kan worden verplicht om technieken toe te passen die ten tijde van het besluit nog niet bekend zijn en waarvan dus evenmin bekend is hoeveel ze kosten. Dat zou bovendien ook in strijd zijn met de veronderstelling dat het aanvaardbaar geurhinderniveau wordt bepaald door mede rekening te houden met de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in het bedrijf.

De rechtbank heeft daarom een deel van de maatwerkvoorschriften vernietigd.

mw. mr. Franca Damen

De aanvaardbaarheid van geurhinder: mestopslag

In dit deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ga ik in op mestopslag. Kan op mestopslag artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn? En zo ja, kan dat dan een reden zijn voor handhavend optreden als er geen sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau? De Raad van State deed hierover een uitspraak op 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1234).

Artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit

In het eerste deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ben ik ingegaan op de vraag in welke gevallen artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing is en wat dit artikel inhoudt. Ook kwam aan de orde dat handhaving vanwege een overtreding van artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit alleen mogelijk als het handelen of nalaten van een bedrijf hiermee onmiskenbaar in strijd is.

Mestopslag

Ook op mestopslag kan artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid mest die wordt opgeslagen. Dit blijkt uit artikel 3.45 van het Activiteitenbesluit.

Dit artikel bepaalt in welke gevallen paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit – dat gaat over het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen – al dan niet van toepassing is. Het is wel van toepassing bij een opslag van meer dan 3 m3 agrarische bedrijfsstoffen, maar níet bij een opslag van dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn met een totaal volume van meer dan 600 m3.

Als er 800 m3 vaste mest op een bedrijf wordt opgeslagen, zoals het geval was in de uitspraak van de Raad van State van 17 april 2019, dan is paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit dus niet van toepassing. Uit artikel 2.3a van het Activiteitenbesluit volgt dat in dat geval artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit op de mestopslag van toepassing is. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of de mestopslag geen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt.

Oordeel van de rechter

Bij het beoordelen van de vraag of de mestopslag van 800 m3 onaanvaardbare geurhinder veroorzaakte, heeft de Raad van State onder andere betrokken dat deze mestopslag is vergund in een periode dat artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit nog niet gold. De milieugevolgen van de mestopslag zijn bij de vergunningverlening beoordeeld. Daarna is het bedrijf niet zodanig veranderd dat de door de mestopslag veroorzaakte geurhinder is toegenomen. Daarom mocht de agrariër er in beginsel van uitgaan dat het bevoegd gezag het niveau van geurhinder aanvaardbaar zou achten.

Het bevoegd gezag heeft het geurhinderniveau ook aanvaardbaar geacht. Er is sprake van een reeds lang bestaande en vergunde situatie. Het gaat bovendien om droge mest die is opgeslagen in een gebouw dat aan drie zijden dicht is. Daardoor wordt geuroverlast, gelet op de plaatselijke situatie, voldoende beperkt.

Naar het oordeel van de Raad van State mocht het college er gelet hierop van uitgaan dat er sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Van onmiskenbaar handelen in strijd met artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit is dan ook geen sprake. Voor handhavend optreden vanwege strijd met dit artikel bestond dan ook geen grondslag.

mw. mr. Franca Damen

Rechtbank verlaat ex nunc toetsing t.a.v. geuremissiefactoren combiwassers

Na rechtbank Gelderland heeft ook rechtbank Oost-Brabant een opmerkelijke uitspraak gedaan over de verhoogde geuremissiefactoren voor combiwassers, zoals deze vanaf 20 juli 2018 zijn opgenomen in de gewijzigde Regeling geurhinder en veehouderij. Het gaat om een uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 14 maart 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1343). Beide rechtbanken verlaten met hun uitspraak feitelijk de ex nunc toetsing zoals die geldt bij het nemen van besluiten.

Wat was er aan de hand in de uitspraken?

Een vleeskalverhouder heeft voor zijn bedrijf een omgevingsvergunning milieu aangevraagd om 3.534 vleeskalveren te mogen houden. Op 16 december 2017 is een ontwerpvergunning ter inzage gelegd.

In maart 2018 verscheen het rapport ‘Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen’ van WUR. In dit rapport komt WUR tot de conclusie dat combiwassers een geurreductiepercentage hebben dat vergelijkbaar is met het geurreductiepercentage van enkelvoudige luchtwassers.

Dit leidde in mei 2018 tot een voorstel voor het verhogen van de geuremissiefactoren voor combiwassers (en één biologische wasser) in de bijlage bij de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De wijziging van de Rgv met daarin de verhoogde geuremissiefactoren is op 20 juli 2018 in werking getreden (Rgv 2018).

Vanwege deze ontwikkelingen heeft de gemeente de vergunning niet voor de aangevraagde 3.534 vleeskalveren willen verlenen. Dan zou namelijk met de nieuwe – op dat moment nog te verhogen – geuremissiefactoren niet aan de geldende geurnorm worden voldaan. De gemeente heeft de vergunning bij besluit van 10 juli 2018 daarom slechts voor 2.945 (in plaats van 3.534) vleeskalveren verleend en dus voor 589 vleeskalveren geweigerd.

Tegen dit besluit heeft de vleeskalverhouder beroep ingediend.

Juridisch kader

In een omgevingsvergunning milieu voor een veehouderij moet onder andere worden getoetst of de veehouderij voldoet aan de geldende geurnormen. De geurbelasting moet worden beoordeeld aan de hand van de geuremissiefactoren zoals die zijn opgenomen in de bijlage bij de Rgv.

Op 20 juli 2018 is de Rgv 2018 in werking getreden. In de Rgv 2018 zijn de geuremissiefactoren voor combiwassers verhoogd. Dit heeft geen gevolgen voor bestaande situaties.

Als een veehouderij wil wijzigen en/of uitbreiden, dan moet echter de gehele veehouderij worden getoetst aan de nieuwe emissiefactoren. Dus ook het bestaande deel van het bedrijf krijgt dan te maken met de hogere emissiefactoren. Dit leidt (op papier) tot een hogere geurbelasting.

In de Rgv 2018 is geen overgangsrecht opgenomen. Dit betekent dat in beslissingen op vergunningaanvragen die op of na 20 juli 2018 worden genomen, aan de nieuwe geuremissiefactoren moet worden getoetst.

Oordeel van de rechter

Omdat de gemeente vóór 20 juli 2018 een beslissing op de vergunningaanvraag heeft genomen, zou de gemeente eigenlijk moeten toetsen aan de oude geuremissiefactoren. Op dat moment gold de Rgv 2018 namelijk nog niet en kon daaraan dus ook niet worden getoetst.

De gemeente is echter wél van de nieuwe geuremissiefactoren uitgegaan en daarmee vooruitgelopen op de Rgv 2018. Hiervoor heeft de gemeente het voorzorgsbeginsel toegepast.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente dit mogen doen, ondanks dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) voor het aspect geurhinder het exclusieve toetsingskader biedt en het de gemeente in beginsel niet vrijstaat om van dit toetsingskader af te wijken. Daarbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Raad van State van 23 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1607).

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu moet ook het aspect volksgezondheid worden meegewogen. Ook geurhinder kan een volksgezondheidsrisico met zich meebrengen. Maar juist om dit risico te beperken is het wettelijk toetsingskader van de Wgv vastgesteld, en wel op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Als een partij – in dit geval: de gemeente – van mening is dat het geldende toetsingskader ontoereikend is om onaanvaardbare volksgezondheidsrisico’s te voorkomen, moet die partij dit aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk maken.

In dit licht bezien kon de gemeente bij het nemen van een beslissing op de vergunningaanvraag naar het oordeel van de rechtbank de ogen niet sluiten voor de discussie over de juistheid van de geuremissiefactoren voor combiwassers. De gemeente mocht daarom aannemen dat het wettelijk toetsingskader van de Wgv in deze zaak niet toereikend is om onaanvaardbare risico’s te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente dus vooruit mogen lopen op de Rgv 2018 en mogen toetsen aan de nieuwe geuremissiefactoren.

De rechtbank verwijst daarvoor, net als rechtbank Gelderland in de uitspraak van 19 februari 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:639), naar een uitspraak van de Raad van State van 28 november 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3885). Deze uitspraak gaat echter over het toepassen van een luchtwasser in een mestverwerkingsinstallatie en is alleen al om die reden niet vergelijkbaar.

Bovendien heeft de Raad van State in een uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2395) al duidelijk geoordeeld dat de nieuwe geuremissiefactoren géén invloed hebben op omgevingsvergunningen die al zijn verleend. Een beslissing moet namelijk worden beoordeeld aan de hand van de regelgeving zoals die gold op het tijdstip van het nemen van die beslissing. De rechtbank is daar naar mijn mening dan ook ten onrechte aan voorbij gegaan en laat hiermee feitelijk de ex nunc toetsing ten tijde van het nemen van beslissingen los.

mw. mr. Franca Damen

Voorstel verhoging geuremissiefactoren Rgv

Op 1 mei 2018 is een ontwerp voor een wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) ter consultatie gelegd. In deze wijziging wordt voorgesteld om de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers en één biologische luchtwasser te verhogen. De aanleiding hiervoor is een recent onderzoeksrapport van WUR over de reductiepercentages van luchtwassers in de praktijk.

Onderzoeksrapport WUR

In het onderzoeksrapport ‘Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen’ (maart 2018) komt WUR tot de conclusie dat gecombineerde luchtwassers (combi-luchtwassers) een geurreductiepercentage hebben dat vergelijkbaar is met het geurreductiepercentage van enkelvoudige luchtwassers. Het onderzoek is uitgevoerd bij een beperkt aantal stallen, en bij het merendeel van de stallen was de combi-luchtwasser niet juist in werking. Van een representatief onderzoek kan dan niet worden gesproken.

Daarnaast zijn er nog verschillende andere kanttekeningen bij het onderzoeksrapport te plaatsen. Zo blijkt bijvoorbeeld dat WUR het onderzoek in afwijking van het eigen protocol voor het meten van de geuremissie uit stallen (‘Protocol voor meting van geuremissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2010’) heeft uitgevoerd. Over het onderzoeksrapport zijn dan ook Kamervragen gesteld.

Wijziging Rgv

Ondanks dat bij het onderzoeksrapport de nodige kanttekeningen kunnen worden geplaatst, heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat dit rapport ten grondslag gelegd aan haar voorstel om de emissiefactoren in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) te verhogen. Dit terwijl de gevolgen van deze verhoging zeer ingrijpende gevolgen hebben voor de veehouderij (met name de varkenshouderij).

Als luchtwassers niet de emissiefactoren kunnen halen zoals deze wettelijk zijn vastgesteld, dan moet daarvoor vanzelfsprekend een oplossing komen. Maar daaraan moet dan wel een representatief, zorgvuldig en gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Dat is op dit moment niet het geval, terwijl aan de vaststelling van de emissiefactoren en de opname hiervan in de Rgv wél een zorgvuldig en gedegen onderzoek ten grondslag ligt en daaruit blijkt dat de emissiefactoren wél gehaald kunnen worden (anders waren deze immers niet opgenomen in de Rgv).

Gevolgen wijziging Rgv

De verhoging van de emissiefactoren in de Rgv heeft geen gevolgen voor bestaande situaties. Veehouderijen mogen hun bedrijf voortzetten overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning milieu of de melding Activiteitenbesluit.

Maar als een veehouderij wil wijzigen en/of uitbreiden, dan moet de gehele veehouderij worden getoetst aan de nieuwe emissiefactoren. Dus ook het bestaande deel van het bedrijf krijgt dan te maken met de hogere emissiefactoren. Wanneer hierdoor de geurnorm (bijna) wordt overschreden, zullen meer maatregelen moeten worden genomen om de geurbelasting naar beneden te brengen, wil uitbreiden nog mogelijk zijn. Tegelijkertijd is het lastiger om de geurbelasting te verlagen, omdat de technieken met de hoogste reductie (combi-luchtwassers) nu een lager reductiepercentage c.q. een hogere emissiefactor krijgen.

In het voorstel tot wijziging van de Rgv is geen overgangsrecht opgenomen. Dat betekent dat op het moment dat de wijziging van de Rgv wordt vastgesteld en in werking treedt, alle aanvragen om een omgevingsvergunning en alle meldingen Activiteitenbesluit aan de hogere emissiefactoren moeten worden getoetst. In de praktijk worden op dit moment echter al veel vergunningaanvragen aangehouden in afwachting van de wijziging van de Rgv.

Slot

Het is belangrijk dat luchtwassers de emissiefactoren halen zoals deze wettelijk zijn vastgesteld. Als dat niet zo zou zijn, moet daarvoor een oplossing komen. Maar daaraan moet dan wel een representatief, zorgvuldig en gedegen onderzoek ten grondslag liggen. Het onderzoeksrapport van WUR over de reductiepercentages van luchtwassers in de praktijk voldoet hier niet aan. De Staatssecretaris zou dan er dan ook van moeten afzien om de geuremissiefactoren in de Rgv te wijzigen op basis van dit onderzoeksrapport.

mw. mr. Franca Damen

Bedrijven, wees gewaarschuwd voor onrechtmatige hinder

In de praktijk zie ik het steeds vaker voorkomen: omwonenden die tijdens een vergunningentraject voor een bedrijf dat bedrijf op voorhand al aansprakelijk stellen voor schade vanwege onrechtmatige hinder. Uiteraard gelden er milieuregels om hinder te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Maar desondanks kan sprake zijn van onrechtmatige hinder. Op 16 juni 2017 deed de Hoge Raad hierover een heldere uitspraak (ECLI:NL:HR:2017:1106).

Regels over onrechtmatige hinder

De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen, zoals door het verspreiden van stank. Dat bepaalt artikel 5:37 BW.

Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van:

  • de aard, de ernst en de duur van de hinder;
  • de door de hinder veroorzaakte schade;
  • de verdere omstandigheden van het geval, zoals de plaatselijke omstandigheden.

Er is pas sprake van onrechtmatige hinder als de hinder voldoende ernstig is. Anders moet de hinder worden geduld. Om de ernst van de hinder te bepalen, heeft het de voorkeur om aan te sluiten bij objectieve criteria zoals wettelijk vastgestelde normen.

Of een bedrijf over een toereikende vergunning voor de bedrijfsvoering beschikt, is niet zonder meer bepalend voor het antwoord op de vraag of jegens een derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder.

Arrest van 16 juni 2017

Voor het antwoord op de vraag of in een bepaalde periode sprake is geweest van onrechtmatige hinder, is ook niet zonder meer bepalend of is voldaan aan de destijds geldende publiekrechtelijke regelgeving. Dit oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 16 juni 2017.

In die zaak stond de vraag centraal of een pluimveehouderij onrechtmatige geurhinder had veroorzaakt jegens in de omgeving gelegen recreatiewoningen. In de periode waarin die hinder zou zijn veroorzaakt, gold nog de geurregelgeving van vóór de inwerkingtreding van de Wet geurhinder en veehouderij. Desondanks mocht voor de beoordeling of sprake was van onrechtmatige geurhinder naar het oordeel van de Hoge Raad ‘inspiratie worden geput’ uit de Wet geurhinder en veehouderij.

Reden daarvoor is dat de oude geurregelgeving geen bruikbare milieutechnische inzichten bood voor de vaststelling van het feitelijke geurhinderniveau. Dit vindt ook steun in de memorie van toelichting bij de Wet geurhinder en veehouderij, omdat daarin wordt opgemerkt dat het beoordelingskader in die oude geurregelgeving (minimumafstanden) als onvoldoende werd ervaren.

Naar het oordeel van de Hoge Raad was in het geval van de pluimveehouderij sprake van onrechtmatige geurhinder jegens de eigenaren van de recreatiewoningen. Uit een door de eigenaren overgelegd rapport blijkt namelijk dat de geurbelasting naar de maatstaven van de Wet geurhinder en veehouderij zou worden aangemerkt als ‘onaangenaam’ tot ‘zeer onaangenaam’ en de geurhinder zou overeenkomen met een ‘tamelijk slecht’ tot ‘slecht’ leefklimaat.

Echter is het van belang om hierbij op te merken dat de pluimveehouderij in de desbetreffende periode zonder geldende milieuvergunning in werking was. De verschillende aan het bedrijf verleende vergunningen zijn namelijk door de Raad van State vernietigd. Daarna is het bedrijf gedurende enkele jaren buiten werking gesteld, totdat het weer over een geldende vergunning beschikte.

Onrechtmatige hinder in geval van legale bedrijfsvoering wordt in de rechtspraak over het algemeen niet snel aangenomen, maar dit arrest van de Hoge Raad maakt duidelijk dat het goed is om hier wel alert op te blijven.

mw. mr. Franca Damen