Het geurbeheersplan voor veehouderijen

Het geurbeheersplan voor veehouderijen is iets van de afgelopen jaren. Maar in de rechtspraak is het nog een nieuw onderwerp. Op 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant hier een eerste inhoudelijke uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RBOBR:2019:7440).

Het geurbeheersplan

Veehouderijen moeten voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Hiervoor zijn BBT-documenten vastgesteld. Deze zijn opgenomen in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht.

Als er sprake is van een veehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens of meer dan 750 plaatsen voor zeugen, dan moet ook aan Europese BBT-documenten worden getoetst. Die documenten worden ook wel BREF’s of BBT-conclusies genoemd.

Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie nieuwe BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen gepubliceerd. BBT 12 gaat over het geurbeheersplan en bepaalt het volgende.

BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. In BBT 26 zijn enkele standaarden voor het monitoren van geuremissies voorgeschreven.

Uitspraak rechtbank

In de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 30 december 2019 komt het geurbeheersplan ter sprake. De vraag is waar BBT 12 (het geurbeheersplan) wel of niet toe verplicht.

De rechtbank stelt allereerst vast dat BBT 12 en BBT 26 op de veehouderij van toepassing zijn. Er zijn namelijk meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens. Ook is sprake van een geval waar geurhinder kan worden verwacht, omdat de geldende geurnorm wordt overschreden. Daarom moest het bevoegd gezag deze BBT in acht nemen bij het verlenen van een nieuwe omgevingsvergunning voor de veehouderij.

Volgens de rechtbank verplicht BBT 12, in combinatie met BBT 26, niet tot periodieke geurmetingen van de feitelijke geurimmissies van een intensieve veehouderij. Want als de BBT (te) letterlijk zou worden gelezen, zou BBT 12 namelijk verplichten tot het volledig elimineren van elke geuremissie van een intensieve veehouderij. Dit is feitelijk onmogelijk en kan niet in redelijkheid van een veehouderij worden gevraagd.

Verder is van belang dat BBT 26 de mogelijkheid openlaat voor alternatieve vormen van monitoring. Monitoring kan dus ook anders dan door middel van geurmetingen (dynamische olfactometrie).

Volgens de rechtbank verplichten BBT 12 en BBT 26 een veehouderij in een overbelaste situatie wel om wat meer te doen. Het bevoegd gezag kan verlangen dat er periodieke geurrendementsmetingen worden uitgevoerd. Zo kan nog beter worden gecontroleerd of het stalsysteem de geur reduceert zoals het zou moeten doen. De rechtbank wijst er hierbij op dat zo’n metingen soms ook al in de stalbeschrijving worden genoemd en vervolgens kunnen worden opgelegd. Ook de Raad van State heeft een verplichting voor periodieke rendementsmetingen om die reden in het verleden geaccepteerd (ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1828).

Verder merkt de rechtbank op dat BBT 28 alle intensieve veehouderijen met luchtwassers verplicht tot elektronische monitoring van de luchtwassers in combinatie met een eenmalige geurrendementsmeting. Omdat het Activiteitenbesluit al verplicht tot elektronische monitoring, hoeft dit niet meer in een geurbeheersplan verplicht te worden gesteld.

Tot slot merkt de rechtbank op dat een geurbeheersplan niet ter inzage hoeft te worden gelegd met de omgevingsvergunning zelf. Het bevoegd gezag hoeft een geurbeheersplan ook niet goed te keuren. Het geurbeheersplan moet voldoen aan de parameters in BBT 12. Het bevoegd gezag kan toezien op de naleving van een vergunningvoorschrift dat hiertoe verplicht.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

‘Geurperikelen’ bij gecombineerde luchtwassers

De verhoging van de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers per 20 juli 2018 leidt tot de nodige ‘geurperikelen’. Deze verhoging kan bijvoorbeeld leiden tot een verzoek om een omgevingsvergunning voor een varkenshouderij in te trekken of de daaraan verbonden voorschriften te wijzigen. Op 15 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:108) deed de Raad van State hier een interessante uitspraak over.

Achtergrond

In maart 2018 is het onderzoeksrapport ‘Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen’ van WUR gepubliceerd. In dit rapport concludeert WUR dat gecombineerde luchtwassers veel minder geur blijken te reduceren dan waarvan wordt uitgegaan. Naar aanleiding hiervan zijn de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers in de bijlage bij de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) verhoogd. Deze wijziging van de Rgv is op 20 juli 2018 in werking getreden en wordt hierna ook wel ‘Rgv 2018’ genoemd.

Wat was er aan de hand?

De provincie Limburg heeft op 21 januari 2014 een omgevingsvergunning milieu verleend aan een varkenshouderij. Deze vergunning is onherroepelijk.

In de varkenshouderij worden gecombineerde luchtwassers toegepast. In de vergunning is hiervoor uitgegaan van een geurreductie van 85%. Dit volgde namelijk uit de op dat moment geldende geuremissiefactoren in de Rgv.

Op grond van de Rgv 2018 wordt voor de vergunde luchtwassers niet meer uitgegaan van 85% ammoniakemissiereductie, maar van slechts 45%. Dit was voor een aantal omwonenden aanleiding om de provincie te verzoeken om de omgevingsvergunning voor de varkenshouderij in te trekken of zodanig te wijzigen dat de vergunde bedrijfsvoering ten minste voldoet aan de wettelijke eisen van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gebaseerd op de meest actuele milieuinzichten.

De provincie heeft geweigerd om de omgevingsvergunning in te trekken. Wel heeft de provincie een aantal vergunningvoorschriften gewijzigd. Dit heeft de provincie gedaan op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De provincie heeft in de vergunning een meetverplichting, streefnormen en grenswaarden voor geuremissie opgenomen. De streefnormen zijn gebaseerd op een geurverwijderingsrendement van de luchtwasser van 85% en de grenswaarden op een rendement van 45%.

De omwonenden vinden dit niet genoeg en hebben daarom beroep en vervolgens hoger beroep ingediend.

Juridisch kader

Artikel 2.31, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning moet wijzigen als blijkt dat de nadelige gevolgen die een inrichting voor het milieu veroorzaakt

  • gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen of
  • gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moeten

worden beperkt.

Artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning milieu kan wijzigen als dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.33, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning milieu intrekt als de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en artikel 2.31 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt.

Oordeel van de rechter

Weigering intrekking vergunning

De Raad van State is eerst ingegaan op de vraag of de provincie terecht heeft geweigerd om de vergunning in te trekken. Hiervoor is van belang dat een omgevingsvergunning milieu pas mag worden ingetrokken als:

  • de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en
  • de nadelige gevolgen niet voldoende kunnen worden beperkt met een wijziging van de vergunningvoorschriften.

Volgens de Raad van State staat niet vast dat de varkenshouderij ontoelaatbare geurhinder zal veroorzaken. Daarvoor zijn verschillende redenen.

  • Het is nog niet duidelijk of de varkenshouderij het streefpercentage van 85% geurreductie bij een optimale instelling van de luchtwassers niet kan halen.
  • De varkenshouderij heeft andere mogelijkheden in onderzoek om de geuremissie te verminderen.
  • In de praktijk moet na geurmetingen blijken welke geurreductie voor de varkenshouderij feitelijk haalbaar is.
  • Het geurreductiepercentage van 45% in de Rgv 2018 is een niveau dat minimaal kan worden gehaald. Gecombineerde luchtwassers kunnen in de praktijk mogelijk een hoger reductiepercentage halen.
  • Het geurreductiepercentage van 45% in de Rgv 2018 is geen algemeen aanvaard milieutechnisch inzicht dat geldt voor alle stallen met vergunde gecombineerde luchtwassers.
  • De gewijzigde inzichten over geurreductiepercentages van gecombineerde luchtwassers geven geen duidelijkheid over de geurreductie die in dit geval kan worden gehaald.

De provincie heeft de omgevingsvergunning voor de varkenshouderij daarom terecht niet geheel of gedeeltelijk ingetrokken naar aanleiding van de Rgv 2018.

Wijziging vergunningvoorschriften

Vervolgens heeft de Raad van State de gewijzigde vergunningvoorschriften beoordeeld. In dat kader heeft de Raad van State allereerst opgemerkt dat een nieuw inzicht over de effectiviteit van een bepaalde techniek geen technische ontwikkeling in de zin van artikel 2.31, eerste lid, sub b, van de Wabo is. Met het gewijzigde inzicht verandert de techniek immers niet.

De nieuwe inzichten over de geurreductie van luchtwassers hebben ook niet geleid tot de ontwikkeling van nieuwe technieken om geur vanuit dierenverblijven te reduceren. Gecombineerde luchtwassers worden nog steeds beschouwd als de beste beschikbare techniek om de geurhinder te beperken.

In de oude vergunningvoorschriften stond dat de gecombineerde luchtwassers een geurverwijderingsrendement van 85% halen. De provincie heeft dit percentage uit de voorschriften geschrapt. Dat mocht de provincie ook doen, omdat het percentage geen zelfstandige betekenis heeft. Het percentage is alleen bedoeld als een extra omschrijving van het vergunde type luchtwasser. Dat type werd in de oude Rgv beschreven als een systeem met 85% geurreductie.

Het schrappen van het percentage uit de vergunningvoorschriften heeft dan ook geen gevolgen voor het milieu. De geurbelasting die de varkenshouderij mag veroorzaken, verandert hierdoor niet.

De provincie hoefde ook niet alsnog een geurverwijderingsrendement van 85% voor te schrijven. Want als de varkenshouderij dat rendement niet kan halen, dan kan het bedrijf niet overeenkomstig de vergunning in werking zijn.

Het was voldoende om de streefnormen en meetverplichtingen op te leggen. Dit is volgens de Raad van State vooralsnog namelijk toereikend om het milieu te beschermen.

Als de varkenshouderij de streefnormen zou overschrijden en niet aan de inspanningsverplichting zou voldoen, dan kan dat voor de provincie aanleiding zijn om anders te beslissen. Dan zou de provincie de omgevingsvergunning alsnog geheel of gedeeltelijk in kunnen trekken of de vergunningvoorschriften opnieuw kunnen wijzigen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

De aanvaardbaarheid van geurhinder: maatwerkvoorschriften

In dit deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ga ik in op maatwerkvoorschriften die kunnen worden opgelegd om een aanvaardbaar geurhinderniveau te borgen. Hierover deed rechtbank Oost-Brabant een uitspraak op 5 april 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1896).T

Artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit

In het eerste deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ben ik ingegaan op de vraag in welke gevallen artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing is en wat dit artikel inhoudt. Ook kwam aan de orde dat handhaving vanwege een overtreding van artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit alleen mogelijk als het handelen of nalaten van een bedrijf hiermee onmiskenbaar in strijd is.

In het tweede deel van mijn blogreeks ben ik ingegaan op mestopslag in relatie tot artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. In het derde deel van mijn blogreeks ben ik ingegaan op artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit in relatie tot vergunde bedrijfsactiviteiten.

Maatwerkvoorschriften

Als blijkt dat een bedrijf onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt, kan het bevoegd gezag hiervoor op grond van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften vaststellen. Voorwaarde is dan uiteraard wel dat dit artikel op het bedrijf van toepassing is.

Een voorbeeld van een situatie waarin het bevoegd gezag aan een bedrijf maatwerkvoorschriften heeft opgelegd vanwege onaanvaardbare geurhinder, is aan de orde in de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 5 april 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1896). Deze uitspraak gaat over een overslag- / mestverwerkingsbedrijf in Helmond.

Het bedrijf is het niet eens met de maatwerkvoorschriften en heeft hiertegen daarom beroep ingediend bij de rechtbank.

Stappen voor aanvaardbaar geurhinderniveau

De rechtbank stelt eerst vast dat artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit in een aantal stappen voorziet om in knelgevallen een aanvaardbaar geurhinderniveau te bereiken.

  1. Eerst moet het bevoegd gezag bepalen wat het aanvaardbaar geurhinderniveau is. Hierbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de aspecten die zijn genoemd in artikel 2.7a, derde lid, van het Activiteitenbesluit (zie het eerste deel van mijn blogreeks).
  2. Als het bevoegd gezag het vermoeden heeft dat het geurhinderniveau niet tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, kan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.7a, tweede lid, van het Activiteitenbesluit bepalen dat het bedrijf een geuronderzoek overeenkomstig NTA 9065 laat uitvoeren. Hieruit volgt dat het bevoegd gezag niet over een geuronderzoek overeenkomstig NTA 9065 hoeft te beschikken voor een vermoeden van overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau.
  3. Pas als sprake is van een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau is het bevoegd gezag bevoegd om maatwerkvoorschriften vast te stellen. Volgens de rechtbank moet de overschrijding wel mede blijken uit een geuronderzoek overeenkomstig NTA 9065.
  4. Bij de maatwerkvoorschriften kan het bevoegd gezag op grond van artikel 2.7a, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit een geuronderzoek verlangen.

In artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit staan verschillende soorten maatwerkvoorschriften. Het bevoegd gezag mag deze voorschriften naast elkaar vaststellen. Het woordje ‘of’ sluit namelijk niet uit dat voorschriften naast elkaar worden vastgesteld.

Wat is een aanvaardbaar geurhinderniveau?

In de uitspraak komt de vraag aan de orde wat een aanvaardbaar geurhinderniveau is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het bevoegd gezag daarvoor kunnen aansluiten bij de vigerende vergunning en de Beleidsregel industriële geur Noord-Brabant (Beleidsregel).

Is er een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau?

Vervolgens komt de vraag aan de orde of het aanvaardbaar geurhinderniveau is overschreden. Het bevoegd gezag stelt van wel en baseert dat op ingediende klachten (hindersignalen en toezicht), een geurbelevingsonderzoek en 18 uitgevoerde geurmetingen bij het bedrijf. Een evaluatie eNose meetcampagne zou de drie omstandigheden bevestigen.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht het bevoegd gezag niet op basis van de hindersignalen, het geurbelevingsonderzoek of de evaluatie eNose aannemen dat sprake was van een overschrijding van het aanvaardbaar geurhinderniveau. Het bevoegd gezag mocht deze overschrijding wel aannemen op basis van de geurmetingen, die kwalificeren als onderzoeken overeenkomstig NTA 9065.

Uit de geurmetingen blijkt namelijk dat de vergunde geuremissie in meerdere gevallen werd overschreden. Dit betekent op zichzelf nog niet dat ook het aanvaardbaar geurhinderniveau werd overschreden. Maar er is meer aan de hand geweest. In tien gevallen leidde de gemeten geuremissie namelijk tot een hogere immissie dan is toegelaten in de Beleidsregel. Daarnaast heeft het bedrijf erkend dat de geuremissie van het productieproces meer fluctueert dan vooraf werd gedacht en dat bepaalde technieken niet het verwachte rendement leveren.

Gelet hierop mocht het bevoegd gezag naar het oordeel van de rechtbank aannemen dat het bedrijf het aanvaardbaar geurhinderniveau overschrijdt. Daarom was het bevoegd gezag op grond van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen. 

Welke maatwerkvoorschriften zijn toegestaan?

Nadat de rechtbank heeft vastgesteld dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften aan het bedrijf mocht opleggen, komt de vraag aan de orde of de maatwerkvoorschriften inhoudelijk stand kunnen houden.

Een deel van de maatwerkvoorschriften bepaalt dat het bedrijf periodiek (iedere vier jaar) een geuronderzoek moet uitvoeren. In het onderzoek moeten voor de korte en de lange termijn technisch haalbare maatregelen en voorzieningen met betrekking tot de reductie van geuremissie en geurimmissie worden geïdentificeerd.

Het bevoegd gezag mocht zo’n geuronderzoek voorschrijven, maar niet voor iedere vier jaar. Daarvoor bevat artikel 2.7a, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit namelijk geen grondslag. Als het bevoegd gezag een herhaald onderzoek wil, dan moet het eerst (opnieuw) het vermoeden hebben dat de geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Een deel van de maatwerkvoorschriften verplicht het bedrijf om nadere maatregelen en verdere onderzoeken te realiseren op basis van de resultaten van het geuronderzoek. Deze maatwerkvoorschriften doorkruisen het stappenplan van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit op ontoelaatbare wijze. Het bedrijf wordt hiermee namelijk zonder meer verplicht om nieuwe, nog onbekende technieken toe te passen.

Dit kan het bevoegd gezag alleen doen met toepassing van artikel 2.7, vierde lid, onder c, van het Activiteitenbesluit. Dat artikelonderdeel strekt echter niet zo ver dat een bedrijf kan worden verplicht om technieken toe te passen die ten tijde van het besluit nog niet bekend zijn en waarvan dus evenmin bekend is hoeveel ze kosten. Dat zou bovendien ook in strijd zijn met de veronderstelling dat het aanvaardbaar geurhinderniveau wordt bepaald door mede rekening te houden met de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in het bedrijf.

De rechtbank heeft daarom een deel van de maatwerkvoorschriften vernietigd.

mw. mr. Franca Damen

De aanvaardbaarheid van geurhinder: vergunde bedrijfsactiviteiten

In dit deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ga ik in op vergunde bedrijfsactiviteiten. Als bedrijfsactiviteiten zijn vergund, kan er dan alsnog sprake zijn van onaanvaardbare geurhinder? Hierover deed de Raad van State een uitspraak op 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1363).

Artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit

In het eerste deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ben ik ingegaan op de vraag in welke gevallen artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing is en wat dit artikel inhoudt. Ook kwam aan de orde dat handhaving vanwege een overtreding van artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit alleen mogelijk als het handelen of nalaten van een bedrijf hiermee onmiskenbaar in strijd is.

In het tweede deel van mijn blogreeks ben ik ingegaan op mestopslag in relatie tot artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit.

Vergunde bedrijfsactiviteiten

Als de geuremissies van bedrijfsactiviteiten voor het bevoegd gezag geen beletsel vormen om een omgevingsvergunning voor die bedrijfsactiviteiten te verlenen en geen reden vormen om geurvoorschriften aan een omgevingsvergunning te verbinden, dan is dat een aanwijzing dat er geen sprake is van onaanvaardbare geurhinder. Dit kan worden afgeleid uit de uitspraak van de Raad van State van 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1363).

Deze uitspraak gaat over een akkerbouwbedrijf met een mestvergistings- en warmtekrachtinstallatie voor het produceren van digestaat en elektriciteit. Het bevoegd gezag heeft hiervoor verschillende omgevingsvergunningen verleend en meldingen geaccepteerd. In de vergunning is een voorschrift opgenomen dat bepaalt dat het bedrijf, kort gezegd, geurhinder moet voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau moet beperken.

Volgens het bevoegd gezag voldeed het bedrijf hier niet aan. Daarom heeft het bevoegd gezag aan het bedrijf een last onder dwangsom opgelegd. Het bedrijf is hiertegen opgekomen, en met succes.

Oordeel van de rechter

Zoals de Raad van State namelijk heeft geoordeeld, zijn de verschillende bedrijfsactiviteiten vergund. Weliswaar is hiermee geen ‘geurruimte’ vergund, maar een aantal vergunde activiteiten hangt onlosmakelijk samen met zekere geuremissies. Deze geuremissies vormden voor het bevoegd gezag kennelijk geen beletsel om de gevraagde vergunningen te verlenen of meldingen te accepteren. Ook hebben de geuremissies er niet toe geleid dat het bevoegd gezag aanvullende geurvoorschriften aan de vergunningen heeft verbonden.

Het bedrijf mocht er daarom op vertrouwen dat, indien het overeenkomstig de vergunningen en meldingen zou handelen, geurhinder tot een aanvaardbaar niveau zou zijn beperkt en het niet zou handelen in strijd met het genoemde vergunningvoorschrift.

Bij het bepalen van het aanvaardbaar geurhinderniveau heeft het bevoegd gezag hiermee geen of onvoldoende rekening gehouden. Dat klemt te meer nu op grond van artikel 2.7a, derde lid, van het Activiteitenbesluit bij het bepalen van een aanvaardbaar geurhinderniveau ten minste rekening moet worden gehouden met de historie van het betreffende bedrijf en de bestaande en verwachte geurhinder.

Ook heeft het bevoegd gezag in het kader van de handhavingsprocedure – en meer in het bijzonder bij het bepalen van een aanvaardbaar geurhinderniveau – niet inzichtelijk gemaakt of de gestelde geurnormen van het provinciaal geurbeleid bij een normale bedrijfsvoering kunnen worden nageleefd, zonder dat daarvoor maatregelen moeten worden getroffen die van het bedrijf redelijkerwijs niet kunnen worden gevergd.

Het bevoegd gezag heeft het voor het bedrijf geldend aanvaardbaar geurhinderniveau dan ook niet zorgvuldig vastgesteld. Daarom heeft de Raad van State het handhavingsbesluit vernietigd.

mw. mr. Franca Damen

De aanvaardbaarheid van geurhinder: mestopslag

In dit deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ga ik in op mestopslag. Kan op mestopslag artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn? En zo ja, kan dat dan een reden zijn voor handhavend optreden als er geen sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau? De Raad van State deed hierover een uitspraak op 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1234).

Artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit

In het eerste deel van mijn blogreeks over de aanvaardbaarheid van geurhinder ben ik ingegaan op de vraag in welke gevallen artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing is en wat dit artikel inhoudt. Ook kwam aan de orde dat handhaving vanwege een overtreding van artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit alleen mogelijk als het handelen of nalaten van een bedrijf hiermee onmiskenbaar in strijd is.

Mestopslag

Ook op mestopslag kan artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid mest die wordt opgeslagen. Dit blijkt uit artikel 3.45 van het Activiteitenbesluit.

Dit artikel bepaalt in welke gevallen paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit – dat gaat over het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen – al dan niet van toepassing is. Het is wel van toepassing bij een opslag van meer dan 3 m3 agrarische bedrijfsstoffen, maar níet bij een opslag van dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn met een totaal volume van meer dan 600 m3.

Als er 800 m3 vaste mest op een bedrijf wordt opgeslagen, zoals het geval was in de uitspraak van de Raad van State van 17 april 2019, dan is paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit dus niet van toepassing. Uit artikel 2.3a van het Activiteitenbesluit volgt dat in dat geval artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit op de mestopslag van toepassing is. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of de mestopslag geen onaanvaardbare geurhinder veroorzaakt.

Oordeel van de rechter

Bij het beoordelen van de vraag of de mestopslag van 800 m3 onaanvaardbare geurhinder veroorzaakte, heeft de Raad van State onder andere betrokken dat deze mestopslag is vergund in een periode dat artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit nog niet gold. De milieugevolgen van de mestopslag zijn bij de vergunningverlening beoordeeld. Daarna is het bedrijf niet zodanig veranderd dat de door de mestopslag veroorzaakte geurhinder is toegenomen. Daarom mocht de agrariër er in beginsel van uitgaan dat het bevoegd gezag het niveau van geurhinder aanvaardbaar zou achten.

Het bevoegd gezag heeft het geurhinderniveau ook aanvaardbaar geacht. Er is sprake van een reeds lang bestaande en vergunde situatie. Het gaat bovendien om droge mest die is opgeslagen in een gebouw dat aan drie zijden dicht is. Daardoor wordt geuroverlast, gelet op de plaatselijke situatie, voldoende beperkt.

Naar het oordeel van de Raad van State mocht het college er gelet hierop van uitgaan dat er sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Van onmiskenbaar handelen in strijd met artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit is dan ook geen sprake. Voor handhavend optreden vanwege strijd met dit artikel bestond dan ook geen grondslag.

mw. mr. Franca Damen

1 2