Regeling fosfaatreductieplan 2017 bekend gemaakt

Op 17 februari 2017 is de Regeling fosfaatreductieplan 2017 bekend gemaakt. Deze regeling stimuleert (met name) melk-producerende bedrijven om het aantal stuks rundvee terug te brengen. Op deze manier moet in 2017 een reductie van 4 miljoen kilogram fosfaatproductie worden behaald.

Inleiding

De Regeling fosfaatreductieplan 2017 (hierna: de regeling) geeft uitvoering aan een van de drie maatregelen uit het maatregelenpakket fosfaatreductie 2017. De andere maatregelen zien op het voerspoor en het beëindigen van melkveehouderijbedrijven.

Met het maatregelenpakket wordt beoogd om de fosfaatproductie in Nederland voor het einde van 2017 terug te brengen tot het niveau dat als voorwaarde is verbonden aan de derogatiebeschikking Nitraatrichtlijn (fosfaatproductieplafond).

Toepassingsbereik

De regeling is van toepassing op alle melk-producerende bedrijven en op niet melk-producerende bedrijven. Een melk-producerend bedrijf is in het kader van de regeling een bedrijf dat koemelk produceert bestemd voor consumptie en verwerking en deze melk aflevert aan een zuivelbedrijf.

Een niet melk-producerend bedrijf valt alleen onder de regeling als het meer dan 5 stuks vrouwelijk rundvee houdt en wanneer er na 15 december 2016 meer dan twee runderen zijn aangevoerd.

De regeling is niet van toepassing op vleeskalverhouders. Een vleeskalverhouder is in het kader van de regeling een houder die runderen jonger dan een jaar houdt en deze runderen alleen afvoert voor de slacht.

Belangrijke definities

In artikel 1 van de regeling zijn verschillende definities opgenomen. Het gaat daarbij onder andere om de volgende definities.

Onder een ‘rund’ wordt verstaan:

  • vrouwelijk rund van 0 tot 1 jaar (omrekeningsfactor GVE: 0,23 GVE);
  • vrouwelijk rund van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd (omrekeningsfactor GVE: 0,53 GVE);
  • rund dat ten minste eenmaal heeft gekalfd (omrekeningsfactor GVE: 1 GVE).

Onder het ‘referentieaantal’ wordt verstaan:

“aantal runderen van de houder dat op 2 juli 2015 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met 4%, behoudens het bepaalde in artikel 7 en 9, zesde lid”

Onder het ‘doelstellingsaantal’ wordt verstaan:

“aantal runderen dat overeenkomt met het aantal runderen van de houder dat op 1 oktober 2016 in het I&R-systeem is geregistreerd verminderd met het krachtens artikel 3 toe te passen verminderingspercentage, met dien verstande dat het doelstellingsaantal nooit lager is dan het referentieaantal”

Deze verminderingspercentages zijn per periode, zoals bedoeld in de regeling, vastgesteld:

  • 5% voor elke maand in periode 1 (maart en april 2017);
  • 10% voor elke maand in periode 2 (mei en juni 2017);
  • ten hoogste 20% voor elke maand in periode 3 (juli en augustus 2017);
  • ten hoogste 40% voor elke maand in periode 4 (september en oktober 2017) en periode 5 (november en december 2017).

Een bedrijf hoeft (uiteindelijk) alleen te reduceren tot het referentieaantal. Een verdere reductie is op grond van de regeling niet noodzakelijk.

Kern van de regeling: hoge geldsom, solidariteits-geldsom en bonus-geldsom

De kern van de regeling is duidelijk. Als in een maand gemiddeld teveel runderen worden gehouden, moet een houder een hoge geldsom of een solidariteits-geldsom betalen. Als in een maand gemiddeld minder runderen worden gehouden dan dat op grond van de regeling nodig is, krijgt de houder een bonus-geldsom. Samenvattend:

  • hoge geldsom: als het gemiddeld aantal runderen in een maand meer is dan het doelstellingsaantal, dan moet een houder een hoge geldsom betalen;
  • solidariteits-geldsom: als het gemiddeld aantal runderen in een maand minder is dan het doelstellingsaantal, maar meer dan het referentieaantal, dan moet een houder van melkvee een solidariteits-geldsom betalen;
  • bonus-geldsom: als het gemiddeld aantal runderen in een maand lager is dan het referentieaantal, dan ontvangt een houder van melkvee een bonus-geldsom.

Voor de hoge geldsom wordt in de regeling een verschil gemaakt tussen houders van melkvee en houders van overige runderen. Ook geldt een andere regeling voor grondgebonden bedrijven.

Het gemiddeld aantal runderen c.q. het gemiddeld aantal GVE per maand wordt berekend door het aantal GVE aanwezig op het bedrijf op elke dag van de maand op te tellen en de som hiervan te delen door het aantal dagen van de maand.

Hoge geldsom houders melkvee

De hoge geldsom voor houders van melkvee is vastgelegd in artikel 4 van de regeling. Het eerste lid van dit artikel luidt als volgt:

“De minister legt de houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in artikel 1, tweede lid, genoemde maanden, met uitzondering van maart en april, een verplichting tot betaling van een geldsom in euro’s op.”

Uit dit onderdeel en de andere onderdelen van artikel 4 van de regeling volgt dat de minister als volgt over elke maand een geldsom aan een houder van melkvee oplegt:

  • maart 2017: geen geldsom (maart 2017 wordt gezien in samenhang met april 2017);
  • april 2017: (gemiddeld aantal runderen in april 2017 verminderd met het referentieaantal) vermenigvuldigd met 480 euro;
  • mei tot en met december 2017: (gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand verminderd met het referentieaantal) vermenigvuldigd met 240 euro.

Als in de tweede maand van een periode het gemiddeld aantal runderen gelijk is aan of lager is dan het doelstellingsaantal voor die maand, dan hoeft over de eerste maand van die periode geen geldsom betaald te worden. Dit geldt alleen voor periode 2 tot en met periode 5 (dus niet voor periode 1).

Er hoeft geen geldsom betaald te worden als in de desbetreffende maand:

  • het gemiddeld aantal runderen niet hoger is dan het referentieaantal (dan mogelijk een bonus-geldsom), of
  • het gemiddeld aantal runderen gelijk of lager is dan het doelstellingsaantal voor die maand (dan geen hoge geldsom, maar een solidariteits-geldsom).

Hoge geldsom houders overige runderen

De hoge geldsom voor houders van overige runderen is vastgelegd in artikel 5 van de regeling. Het eerste lid van dit artikel luidt als volgt:

“De minister legt de houder die geen producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in artikel 1, tweede lid, genoemde perioden een verplichting tot betaling van een geldsom in euro’s op.”

De hoogte van de geldsom wordt als volgt vastgesteld: (het gemiddeld aantal runderen in de tweede maand van de desbetreffende periode verminderd met het aantal runderen dat op 15 december 2016 werd gehouden) vermenigvuldigd met 480 euro.

Zoals hiervoor is toegelicht, geldt deze regeling alleen als een houder meer dan 5 stuks vrouwelijk rundvee houdt en wanneer er na 15 december 2016 meer dan twee runderen zijn aangevoerd.

Solidariteits-geldsom houders melkvee

De solidariteits-geldsom voor houders van melkvee is vastgelegd in artikel 6 van de regeling. Het eerste lid van dit artikel luidt als volgt:

“De minister legt de houder die producent is van koemelk bestemd voor consumptie of verwerking over elk van de in artikel 1, tweede lid, genoemde maanden, met uitzondering van maart en april, een verplichting tot betaling van een solidariteits-geldsom in euro’s op.”

Uit dit onderdeel en de andere onderdelen van artikel 6 van de regeling volgt dat de minister als volgt over elke maand een geldsom aan een houder van melkvee oplegt:

  • maart 2017: geen solidariteits-geldsom (maart 2017 wordt gezien in samenhang met april 2017);
  • april 2017: (gemiddeld aantal runderen in april 2017 verminderd met het referentieaantal) vermenigvuldigd met 112 euro;
  • mei tot en met december 2017: (gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand verminderd met het referentieaantal) vermenigvuldigd met 56 euro.

Als in de tweede maand van een periode het gemiddeld aantal runderen gelijk is aan of lager is dan het referentieaantal, dan hoeft over de eerste maand van die periode geen solidariteits-geldsom betaald te worden. Dit geldt alleen voor periode 2 tot en met periode 5 (dus niet voor periode 1).

Er hoeft geen solidariteits-geldsom betaald te worden als in de desbetreffende maand de houder:

  • op grond van artikel 4 van de regeling een geldsom is verschuldigd (dan moet de hoge geldsom worden betaald);
  • een gemiddeld aantal runderen houdt dat gelijk is of lager dan zijn referentieaantal (dan mogelijk een bonus-geldsom).

Bonus-geldsom houders melkvee

De bonus-geldsom voor houders van melkvee is vastgelegd in artikel 9 van de regeling. Op grond van dit artikel kent de minister de houder van melkvee over iedere maand van de perioden, zoals bedoeld in de regeling, een bonus-geldsom toe als het gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand lager is dan het referentieaantal.

De hoogte van de bonus-geldsom is als volgt:

  • maart 2017: geen bonus-geldsom (maart 2017 wordt gezien in samenhang met april 2017);
  • april 2017: (het referentieaantal verminderd met het gemiddeld aantal runderen in april 2017) vermenigvuldigd met 120 euro;
  • mei tot en met december 2017: (het referentieaantal verminderd met het gemiddeld aantal runderen in desbetreffende maand) vermenigvuldigd met 60 euro in de perioden 2 en 3 en vermenigvuldigd met 150 euro in de perioden 4 en 5.

Een bonus wordt toegekend voor elke GVE onder het referentieaantal tot een maximum van 10% daling ten opzichte van het referentieaantal.

Het verstrekken van de bonus-geldsom wordt aangemerkt als staatssteun.

Grondgebonden bedrijven

Als op 2 juli 2015 sprake was van een grondgebonden bedrijf als bedoeld in de regeling, dan wordt het referentieaantal voor de toepassing van de artikelen 4, 6 en 9 van de regeling niet verminderd met 4%. Dit is vastgelegd in artikel 7 en artikel 9, zesde lid, van de regeling.

Inwinning en uitkering geldsommen

De manier waarop de hoge geldsom en solidariteits-geldsom worden ingewonnen, is vastgelegd in artikel 8 van de regeling. De inwinning wordt gedaan door of vanwege de minister of – als de houder van melkvee de melk levert aan een zuivelbedrijf dat op grond van een overeenkomst is aangesloten bij ZuivelNL – door het zuivelbedrijf gedaan.

De manier waarop de bonus-geldsom wordt uitgekeerd, is vastgelegd in artikel 10 van de regeling. De bonus-geldsom wordt uitgekeerd door het zuivelbedrijf waaraan de houder melk levert (als dat zuivelbedrijf op grond van een overeenkomst is aangesloten bij ZuivelNL).

Speciale regelingen

In de regeling is een aantal speciale regelingen opgenomen voor:

  • in- en uitscharing;
  • bedrijfsovername;
  • ‘knelgevallen’ 2 juli 2015;
  • ‘knelgevallen’ 15 december 2016.

De regeling voor bedrijfsovername en de regeling voor ‘knelgevallen’ op 2 juli 2015 zijn vergelijkbaar met de regelingen daarvoor in het wetsvoorstel voor fosfaatrechten. Bedrijven die verwachten dat in het kader van het stelsel van fosfaatrechten voor hun bedrijf een te laag fosfaatrecht wordt vastgesteld, worden daar nu dus al mee geconfronteerd.

De regeling voor ‘knelgevallen’ op 15 december 2016 is inhoudelijk hetzelfde als de regeling voor ‘knelgevallen’ op 2 juli 2015, maar ziet (vanzelfsprekend) op een andere datum. Daarnaast ziet de regeling alleen op houders van overige runderen (en dus niet op de houders van melkvee). Als zo’n houder meldt en aantoont dat het aantal runderen dat op 15 december 2016 werd gehouden minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van veestallen, kan de minister op zijn verzoek het aantal runderen bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.

Degenen die een beroep willen doen op de regeling voor bedrijfsovername of op een van de knelgevallenregelingen, moeten daartoe uiterlijk op 1 april 2017 een verzoek hebben ingediend.

Grondslag voor de regeling

De regeling is gebaseerd op artikel 13 van de Landbouwwet. Volgens Staatssecretaris Van Dam is dit een geschikte wettelijke grondslag, omdat met de regeling sprake is van een maatregel die de voortbrenging en afzet moet bevorderen. Het lange termijndoel van het maatregelenpakket fosfaatreductie 2017, waar de regeling een belangrijk onderdeel van uitmaakt, is om de derogatie voor Nederland te behouden en dus te bereiken dat Nederlandse melkveehouders melk mogen (blijven) produceren.

Zie voor mijn kanttekeningen bij de grondslag voor de regeling het artikel dat ik daarover eerder schreef.

Vragen?

Als u graag meer informatie wilt ontvangen over de mogelijkheden van een juridische procedure in het kader van de regeling, stuur dan een e-mail naar fd@kneppelhout.nl.

mw. mr. Franca Damen

Fosfaatreductieplan versus strafbaar feit natuurwetgeving?

Op dit moment wordt het fosfaatreductieplan voor de melkveehouderij voorbereid. Het plan wijzigt nog regelmatig, maar de verwachting is dat het op korte termijn in werking treedt. Naast de juridische kanttekeningen die hierbij zijn te maken, kan het fosfaatreductieplan ook leiden tot een overtreding van de natuurwetgeving.

Landbouwwet

Staatssecretaris Van Dam heeft in zijn brief van 30 december 2016 aangegeven dat hij de mogelijkheid heeft verkend om het fosfaatreductieplan van ZuivelNL te borgen middels een ministeriële regeling op basis van de Landbouwwet. Daarmee kan het fosfaatreductieplan volgens de Staatssecretaris in een algemeen verplichtend voorschrift worden vervat.

De Staatssecretaris heeft niet aangegeven op welk artikel uit de Landbouwwet hij een ministeriële regeling wil baseren. Het meest voor de hand liggend lijkt artikel 13 van de Landbouwwet te zijn. Dit artikel biedt de Minister de bevoegdheid om in een ministeriële regeling een verplichting op te leggen tot het betalen van een geldsom. Dat kan alleen

  • ter bevordering van de voortbrenging, de afzet en een redelijke prijsvorming van voortbrengselen van de landbouw en de visserij en in verband daarmee ten behoeve van de afnemers van producten, of
  • ter uitvoering van verordeningen, richtlijnen, beschikkingen en aanbevelingen van de Europese Unie, voor zover deze betrekking hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Niet valt in te zien dat sprake is van een van de genoemde situaties. Alleen al om die reden lijkt een ministeriële regeling op basis van de Landbouwwet voor de juridische borging van het fosfaatreductieplan niet mogelijk.

In dat kader is ook de toelichting op artikel 13 van de Landbouwwet interessant. Daarin wordt overwogen dat de in het artikel opgenomen bevoegdheid ertoe strekt om de nadelige gevolgen die voortvloeien uit de sterke schommelingen in het prijsverloop van landbouwproducten, te neutraliseren. Hierdoor moet een stabilisatie worden verkregen, die onder andere strekt tot het verschaffen van een redelijke bestaanszekerheid aan agrarische producenten.

Het fosfaatreductieplan kent een andere doelstelling dan de doelstelling die is beoogd met de in artikel 13 van de Landbouwwet gegeven bevoegdheid. Dat maakt de keuze van de Staatssecretaris daarom ook discutabel.

Het treffen van maatregelen voor het verlagen van de fosfaatproductie lijkt onvermijdelijk gelet op de overschrijding van het fosfaatreductieplafond. Het blijft echter wel belangrijk om ervoor te zorgen dat dat – ook vanuit een juridisch oogpunt – zorgvuldig gebeurt.

Natuurwetgeving

Dat het fosfaatreductieplan kan leiden tot een overtreding van de natuurwetgeving, zal niet het eerste zijn waaraan wordt gedacht als het gaat over het fosfaatreductieplan. Maar ook dit is een belangrijk aandachtspunt. Daarvoor is het volgende van belang.

Veel veehouderijen hebben vanwege de ammoniakemissie van de dieren(verblijven) een toestemming nodig op grond van de natuurwetgeving (vanaf 1 januari 2017 is dit de Wet natuurbescherming; daarvoor was dit de Natuurbeschermingswet). De ammoniakemissie – in het kader van de natuurwetgeving uitgedrukt in stikstofdepositie – kan namelijk negatieve gevolgen hebben voor zogenaamde Natura 2000-gebieden.

Sinds de inwerkingtreding van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) per 1 juli 2015 geldt dat:

  • voor activiteiten met een stikstofdepositie die onder de grenswaarde (die is in beginsel 1,0 mol/ha/jaar) blijft, alleen een melding hoeft te worden gedaan, en
  • voor activiteiten met een stikstofdepositie onder de grenswaarde een vergunning nodig is.

Dit toetsingskader is onder de Wet natuurbescherming hetzelfde gebleven.

Als een melding is gedaan voor de wijziging of uitbreiding van een veehouderij, dan moet die wijziging of uitbreiding binnen een bepaalde periode worden gerealiseerd. Wordt dat niet gedaan, dan is sprake van een overtreding die wordt aangemerkt als een strafbaar feit.

Als een vergunning is verleend op basis van de PAS, dan is daarin voor de wijziging of uitbreiding van een veehouderij ontwikkelingsruimte toegekend. Als hiervan geen gebruik wordt gemaakt, kan het bevoegd gezag de vergunning intrekken.

Het fosfaatreductieplan zal ertoe leiden dat op een bedrijf minder dieren worden gehouden. Gelet op voorgaande kan dit dus ook in het kader van de natuurwetgeving gevolgen hebben.

mw. mr. Franca Damen

Wetsvoorstel fosfaatrechten melkveehouderij bekend gemaakt

Op 8 september 2016 is het wetsvoorstel voor de invoering van fosfaatrechten voor de melkveehouderij bekend gemaakt en naar de Tweede Kamer gestuurd. Het wetsvoorstel voorziet niet alleen in de invoering van fosfaatrechten, maar ook in de mogelijkheid tot een generieke afroming van varkensrechten en pluimveerechten alsmede in de mogelijkheid tot het omzetten van productierechten in varkensrechten, pluimveerechten of fosfaatrechten.

Achtergrond

De invoering van fosfaatrechten is op 2 juli 2015 aangekondigd en op 3 maart 2016 nader toegelicht. Het stelsel van fosfaatrechten heeft tot doel om te borgen dat de nationale fosfaatproductie op een zo kort mogelijke termijn weer onder het, in het kader van de derogatie van de Nitraatrichtlijn met de Europese Commissie overeengekomen, fosfaatproductieplafond wordt gebracht.

Op 8 september 2016 heeft Staatssecretaris Van Dam het wetsvoorstel voor de invoering naar de Tweede Kamer gestuurd. De begeleidende brief bij het wetsvoorstel en de toelichting daarop kunt u raadplegen via de links die hier zijn toegevoegd. Het stelsel voor fosfaatrechten wordt, net als het stelsel van varkensrechten en pluimveerechten, opgenomen in de Meststoffenwet.

Fosfaatrechten

Voor het stelsel van fosfaatrechten wordt een nieuw artikel 21b in de Meststoffenwet opgenomen. In dit artikel wordt bepaald dat het is verboden om in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Onder fosfaatrecht wordt verstaan:

“hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ten hoogste met melkvee mag worden geproduceerd”

De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt in beginsel forfaitair vastgesteld. De Minister is echter bevoegd om een regeling vast te stellen en daarin te bepalen dat, onder voorwaarden, de productie met gebruikmaking van een andere methode kan worden vastgesteld. De Minister kan op deze manier een bedrijfsspecifieke verantwoording met behulp van bijvoorbeeld de Kringloopwijzer mogelijk maken.

In het kader van de invoering van het stelsel van fosfaatrechten wordt per bedrijf het aantal fosfaatrechten vastgesteld. Deze hoeveelheid komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden. Dit wordt bepaald in artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet. Het aantal fosfaatrechten wordt vastgesteld in een besluit. Tegen dat besluit kan bezwaar en beroep worden ingediend.

Knelgevallen

Het wetsvoorstel voorziet in een zeer beperkte knelgevallenregeling. Deze regeling wordt opgenomen in artikel 23, vierde en vijfde lid, van de Meststoffenwet.

Als vóór 1 april 2017 wordt gemeld en aangetoond dat tussen 2 juli 2015 en 1 januari 2017 een beëindigd bedrijf is overgenomen, wordt de hoeveelheid fosfaatrechten van een bedrijf verhoogd met de hoeveelheid fosfaatrechten die voor dit beëindigde bedrijf bij continuering zou zijn vastgesteld. Bij een gedeeltelijke overname vindt de verhoging naar rato plaats.

Als vóór 1 april 2017 wordt gemeld en aangetoond dat de toegekende c.q. toe te kennen hoeveelheid fosfaatrechten minimaal 5% lager is door:

  • bouwwerkzaamheden;
  • diergezondheidsproblemen;
  • ziekte;
  • ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad; of
  • vernieling van de melkveestallen,

dan wordt de hoeveelheid fosfaatrechten bepaald aan de hand van het melkvee waarover de landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt.

Afroming

Bij de overdracht van fosfaatrechten zal 10% van deze rechten worden afgeroomd. Zo’n afroming vindt niet plaats bij de overgang van fosfaatrechten 1) door erfopvolging, 2) naar een persoon waarmee bloed- of aanverwantschap in de eerste, tweede of derde graad of 3) naar een bedrijf waarvan dit fosfaatrecht eerder gedurende het kalenderjaar is ontvangen.

Daarnaast kan een generieke afroming worden toegepast. De mogelijkheid die daarvoor in het voorgestelde artikel 33ab van de Meststoffenwet wordt geboden, ziet niet alleen op een generieke afroming van fosfaatrechten, maar ook op een generieke afroming van varkensrechten en pluimveerechten.

Omzetten van productierechten

In het voorgestelde artikel 33aa van de Meststoffenwet wordt de mogelijkheid geboden om bij algemene maatregel van bestuur, die wordt vastgesteld door de regering, regels te stellen over het omzetten van een productierecht in een varkensrecht, pluimveerecht of fosfaatrecht. Deze omzetting is alleen mogelijk als de landbouwer op wiens bedrijf het om te zetten productierecht rust, hiermee instemt. Ook is voor de omzetting vereist dat deze geen toename veroorzaakt van de hoeveelheid geproduceerde stikstofverbindingen, fosfaat en fijn stof.

Inmenging in eigendom

Met de invoering van het stelsel van fosfaatrechten is sprake van een inmenging van eigendom. Deze inmenging kan worden aangemerkt als een regulering van eigendom zoals bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP). Regulering is alleen toegestaan als wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 1 EP. Een van deze voorwaarden is dat sprake moet zijn van een ‘fair balance’.

De Afdeling Advisering van de Raad van State heeft bij de inmenging van eigendom een aantal kritische kanttekeningen geplaatst in haar advies over het wetsvoorstel. Er is sprake van verschillende vormen van inmenging en deze moeten allemaal afzonderlijk worden getoetst aan artikel 1 EP. Dat is in de (concept) toelichting op het wetsvoorstel echter onvoldoende gedaan. Zo is bijvoorbeeld niet altijd voldoende toegelicht dat bij een inmenging sprake is van een fair balance. Als geen sprake is van een fair balance, is een inmenging van eigendom echter niet toegestaan.

De Staatssecretaris lijkt zich ervan bewust te zijn dat het wetsvoorstel in zoverre mogelijk risico’s met zich brengt. Hij geeft zelf namelijk al aan dat een rechter in concrete individuele gevallen kan oordelen dat geen sprake is van een fair balance. Hier moet indringend op worden getoetst. Dit is duidelijk naar voren gekomen in een aantal uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) over de Wet verantwoorde groei melkveehouderij. Het CBb heeft geoordeeld dat in diverse concrete individuele gevallen niet kon worden uitgesloten dat de inmenging in het eigendom niet gerechtvaardigd was. Een vergelijkbaar oordeel in concrete individuele gevallen in het kader van de invoering van fosfaatrechten ligt in de lijn der verwachting.

Advies

Zoals hiervoor toegelicht, heeft de Afdeling Advisering van de Raad van State een advies uitgebracht over het concept wetsvoorstel. In het advies zijn meerdere kritische kanttekeningen gemaakt. De Staatssecretaris heeft in het advies aanleiding gezien om (de toelichting op) het wetsvoorstel op een aantal punten aan te passen, maar heeft het advies ook gedeeltelijk terzijde geschoven.

Dit geeft reden te meer om het besluit waarin het aantal fosfaatrechten zal worden vastgesteld, kritisch te beoordelen en tegen dit besluit zo nodig bezwaar en beroep in te dienen.

mw. mr. Franca Damen

1 2