Fosfaatreductieplan in strijd met artikel 1 EP!

Op 4 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter van rechtbank Den Haag de eerste vonnissen gewezen over de Regeling fosfaatreductieplan 2017. Naar het oordeel van de rechter is er een wettelijke grondslag voor de Regeling, maar is deze onmiskenbaar onevenredig voor biologische melkveehouders en melkveehouders die vóór 2 juli 2015 financiële verplichtingen zijn aangegaan.

Artikel 13 Landbouwwet

De eisers in het kort geding hebben onder andere aangevoerd dat er geen wettelijke basis is voor de Regeling fosfaatreductieplan 2017 (Regeling). De Regeling is gebaseerd op artikel 13, eerste lid, van de Landbouwwet, maar dit artikel kent een andere doelstelling dan de Regeling. Voor een nadere toelichting daarop verwijs ik graag naar het artikel dat ik daarover eerder schreef.

De rechter wijst erop dat het uiteindelijke doel van de Regeling is om de derogatie te behouden en “te bereiken dat Nederlandse melkveehouders melk mogen (blijven) produceren”. De Regeling is dus bedoeld om te sturen op zuivelproductie. Deze doelstelling van de Regeling past naar het oordeel van de rechter in de tekst van artikel 13 Landbouwwet.

De conclusie van de rechter is dan ook dat artikel 13 Landbouwwet een wettelijke basis vormt voor de Regeling. Het standpunt van eisers slaagt niet.

Artikel 1 EP

De Regeling levert een inmenging in de eigendom van melkveehouders op. Een inmenging is op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM alleen gerechtvaardigd als de inmenging:

  • bij wet is voorzien,
  • een gerechtvaardigd algemeen belang dient en
  • proportioneel is.

De inmenging is via de Regeling en de Landbouwwet bij wet voorzien. Aan het eerste criterium wordt daarom voldaan.

Ook aan het tweede criterium wordt voldaan. De rechter acht het gerechtvaardigd algemeen belang voldoende aanwezig. Het belang bij behoud van derogatie is groot.

“Uit het feit dat de sector van zuivelondernemingen in een eerder stadium zelf een maatregelenpakket heeft opgesteld om tot fosfaatreductie te komen, volgt dat een groot deel van de sector dit belang onderschrijft.

Aan het derde criterium wordt echter niet voldaan. De Regeling is naar het oordeel van de rechter tegenover de eisers in het kort geding disproportioneel. Dat geldt voor:

  • biologische melkveehouders;
  • melkveehouders die vóór 2 juli 2015 onomkeerbare financieringsverplichtingen zijn aangegaan.

Voor biologische melkveehouders is van belang dat de Regeling een oplossing beoogt te bieden (behoud van derogatie) waar zij geen belang bij hebben, voor een probleem waaraan zij feitelijk niet bijdragen.

Voor melkveehouders die vóór 2 juli 2015 onomkeerbare financieringsverplichtingen zijn aangegaan, is van belang dat zij hebben geïnvesteerd in grond en/of stallen om hun bedrijf uit te breiden. Dat hebben zij gedaan op een manier die de Staat zelf voorstond en heeft gestimuleerd door middel van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en de AMvB Grondgebonden groei melkveehouderij.

De bedrijfsvoering van deze bedrijven wordt door de Regeling dusdanig beperkt, dat naar het oordeel van de rechter kan worden aangenomen dat de winstgevendheid van deze bedrijven in vergaande mate wordt aangetast. Ook valt niet uit te sluiten dat deze bedrijven in het kader van het stelsel van fosfaatrechten uiteindelijk wél een beroep zullen kunnen doen op de knelgevallenregeling.

Bovendien kan naar het oordeel van de rechter niet worden geconcludeerd dat de bedrijven redelijkerwijs hadden moeten voorzien dat de Regeling ook hen zou treffen, gelet op het specifieke karakter van hun onderneming en de aard van de door hen gedane investeringen.

Gelet op deze overwegingen is de rechter van oordeel dat de Regeling een onevenredige last op eisers legt. Nu de Regeling in deze vorm voor hen daarnaast niet voorzienbaar was en geen enkele compensatie voor eisers biedt, is sprake van een schending van artikel 1 EP. De rechter heeft de Regeling voor deze bedrijven daarom buiten werking gesteld.

Gevolgen van de vonnissen

De vonnissen gelden voor de eisers in het kort geding en hebben direct werking. De overwegingen in de vonnissen zijn echter op zo’n manier geformuleerd dat deze ook zouden gelden voor andere biologische melkveehouders en melkveehouders die vóór 2 juli 2015 onomkeerbare financiële gevolgen zijn aangegaan.

Het is nu afwachten wat de Staat zal doen. De Staat heeft de mogelijkheid om spoedappel in te dienen. Dan zouden melkveehouders echter nog langer in onzekerheid verkeren. Hopelijk komt er snel duidelijkheid voor de melkveehouderij.

mw. mr. Franca Damen

Regeling fosfaatreductieplan 2017 wederom aangepast

Op 28 april 2017 is de Regeling fosfaatreductieplan 2017 voor een tweede keer sinds de inwerkingtreding ervan op 1 maart jl. aangepast. Niet-melkproducerende bedrijven zijn uit de Regeling gehaald. Voor melkproducerende bedrijven is een jongveeaantal ingevoerd. Daarnaast is de Regeling aangepast voor zeldzame rassen.

Niet-melkproducerende bedrijven uit Regeling

Op 12 april 2017 heeft de Staatssecretaris aangekondigd dat de Regeling zal worden beperkt tot melkproducerende bedrijven. De Regeling heeft namelijk onbedoelde negatieve gevolgen voor niet-melkproducerende bedrijven. Voor een toelichting daarop verwijs ik u graag naar het artikel dat ik daarover eerder schreef.

De Regeling is hierop nu aangepast. Niet-melkproducerende bedrijven zijn met terugwerkende kracht tot 1 maart 2017 – de datum van inwerkingtreding van de Regeling – uit de Regeling gehaald. Aan deze bedrijven wordt geen geldsom opgelegd.

Jongveeaantal

De Staatssecretaris wil blijvend borgen dat het onderbrengen van runderen door melkproducerende bedrijven op niet-melkproducerende bedrijven – om daarmee niet over te hoeven gaan tot reductie in 2017 – wordt tegengegaan. Daarom is voor melkproducerende bedrijven een jongveeaantal ingevoerd:

“getal dat wordt berekend door het aantal runderen van de houder op 28 april 2017 van 0 tot 1 jaar en van 1 jaar of ouder dat niet heeft gekalfd te delen door het aantal runderen van de houder op die datum dat ten minste eenmaal heeft gekalfd”

Melkproducerende bedrijven kunnen het jongvee afvoeren naar elke gewenste bestemming, maar moeten voor het bereiken of behouden van hun GVE-reductie zorg dragen voor het in stand houden van het aandeel jongvee binnen de totale melkveestapel op hun bedrijf.

Afvoer runderen

Voor runderen die tenminste één keer hebben gekalfd, geldt dat alle afvoer telt als reductie. Als runderen worden afgevoerd naar een niet-melkproducerend bedrijf geldt de voorwaarde dat deze runderen niet binnen vier maanden terug mogen keren op het oorspronkelijke melkproducerende bedrijf.

Zeldzame rassen

Daarnaast is besloten om runderen van bepaalde zeldzame rassen die na 1 oktober 2016 zijn of worden geboren, niet onder de werking van de Regeling te laten vallen. Het gaat daarbij om de volgende rassen: Brandrood rund, Fries Hollands vee, Roodbont Fries vee, Groninger Blaarkop en de Lakenvelder.

mw. mr. Franca Damen

Meer mestverwerkingsmogelijkheden in Brabant?

De provincie Noord-Brabant wil weer meer mogelijkheden gaan bieden voor mestverwerking. Daarvoor zal de Verordening Ruimte worden aangepast. Hiervoor heeft in het voorjaar van 2017 een ontwerp wijziging van de Verordening Ruimte 2014 ter inzage gelegen.

Bewerken of verwerken van mest?

In de toelichting op het ontwerp voor de wijziging van de Verordening Ruimte 2014 (VR2014) heeft de provincie overwogen dat vanuit landelijke regelgeving de verplichting bestaat om te voorzien in voldoende capaciteit om het mestoverschot te verwerken. Veehouders moeten op grond van de Meststoffenwet namelijk hun mestoverschot verwerken. De provincie spreekt in (de wijzing van) de VR2014 echter over het bewerken van de mest.

Mestbewerkingsmogelijkheden

Binnen het toegelaten bouwperceel van een veehouderij zal de bewerking van de eigen ter plaatse geproduceerde mest rechtstreeks worden toegestaan. De bewerking van eigen mest maakt namelijk deel uit van de agrarische bedrijfsvoering, zo overweegt de provincie in de toelichting op het ontwerp voor de wijziging van de VR2014.

Op het perceel van veehouderijen kan geen mestbewerking ten behoeve van elders geproduceerde mest plaatsvinden. Dat zal moeten plaatsvinden op een daartoe geschikt middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein. Hierop zijn twee uitzonderingen:

  • voor de mestvergisting van samenwerkende melkrundveehouders tot een maximale capaciteit van 25.000 ton per jaar;
  • als nevenfunctie op een veehouderij.

Voor veehouders is het positief dat de provincie meer mogelijkheden wil bieden voor het bewerken van de mest op het eigen bedrijf.

Kanttekeningen

Bij de voorgestelde wijziging van de VR2014 is echter ook een aantal kanttekeningen te plaatsen. Een van deze kanttekeningen is bijvoorbeeld dat varkenshouders en pluimveehouders niet mogen samenwerken bij het bewerken van de mest. Ook is het een veehouderij met meerdere bedrijfslocaties niet toegestaan om de mest van de verschillende locaties op één locatie te bewerken. Verder is en blijft het de vraag of er voldoende mestbe-/verwerkingscapaciteit mogelijk gemaakt zal worden, nu hierop in de voorgestelde wijziging van de VR2014 kort gezegd geen sturing plaatsvindt.

Vervolg

Tegen het ontwerp voor de wijziging van de VR2014 zijn veel bezwaren ingediend. Op dit moment moet nog worden afgewacht of deze bezwaren leiden tot een aanpassing van de voorgestelde wijziging. Dit zal duidelijk worden als de wijziging van de VR2014 wordt vastgesteld.

mw. mr. Franca Damen

Vleesveehouders uit Regeling fosfaatreductieplan 2017

Op 17 februari 2017 is de Regeling fosfaatreductieplan 2017 in de Staatscourant bekend gemaakt. Geheel onverwacht werden ook vleesveehouders met het fosfaatreductieplan geconfronteerd. De gevolgen daarvan zijn voor hen erg groot. Dat was voor veel vleesveehouders aanleiding om op te komen tegen het fosfaatreductieplan. En met succes, want op 12 april 2017 – de dag voor het kort geding van de vleesveehouders – maakte de Staatssecretaris van Economische Zaken bekend dat vleesveehouders uit het fosfaatreductieplan gehaald worden.

Regeling fosfaatreductieplan 2017

De Regeling fosfaatreductieplan 2017 (Regeling) geldt voor melkproducerende bedrijven (melkveehouders) én voor niet-melkproducerende bedrijven. Voor een toelichting daarop verwijs ik graag naar het artikel dat ik daarover eerder schreef.

Onder niet-melkproducerende bedrijven vallen kort gezegd vleesvee en jongvee-opfok. Kortheidshalve spreek ik hierna van vleesveehouders. De Regeling is op een vleesveehouder van toepassing als hij meer dan vijf vrouwelijke runderen houdt en na 15 december 2016 meer dan twee vrouwelijke runderen heeft aangevoerd. Een vleesveehouder mag niet uitbreiden ten opzichte van de referentiesituatie. Doet hij dat toch, dan moet hij een geldsom betalen van € 480,- per teveel gehouden rund per periode van twee maanden. Om een geldsom te voorkomen, moet de vleesveehouder runderen voortijdig afvoeren.

In de Regeling zoals die op 17 februari 2017 is gepubliceerd, gold alleen 15 december 2016 als referentiesituatie. Die datum geeft voor veel vleesveehouders echter geen reëel beeld van het aantal dieren dat gedurende het jaar wordt gehouden. Op dat moment zijn namelijk veel dieren afgevoerd in verband met de kerst.

Voor de Staatssecretaris was dat aanleiding om de Regeling aan te passen. Dat maakte hij bekend in zijn brief van 17 maart 2017. De aangepaste Regeling werd uiteindelijk op 30 maart 2017 in de Staatscourant gepubliceerd. Daarin is een alternatieve referentiesituatie toegevoegd, namelijk de maandreferentie 2016.

Dat betekent dat vleesveehouders een geldsom opgelegd kunnen krijgen in de maanden april, juni, augustus, oktober en december 2017 als het gemiddeld aantal runderen in die maand hoger is dan:

  • op 15 december 2016;
  • in diezelfde maand in 2016.

Voor veel vleesveehouders heeft dit de negatieve gevolgen van de Regeling verminderd.

Gevolgen voor vleesveehouders

Ondanks het toevoegen van de maandreferentie heeft de Regeling echter nog steeds veel negatieve gevolgen voor vleesveehouders.

Vleesveehouders wisten niet en konden redelijkerwijs niet weten dat het fosfaatreductieplan ook voor hen zou gaan gelden. De Regeling was voor hen niet voorzienbaar. Door de aanvoer van meer dan twee runderen na 15 december 2016 is de Regeling op hen van toepassing. Dat kan niet ongedaan worden gemaakt. Zelfs als de runderen weer worden afgevoerd – of zelfs vóór 1 april 2017 al zijn afgevoerd – blijft de Regeling van toepassing, met alle gevolgen van dien.

Los van de problemen die dit vanzelfsprekend met zich brengt voor bedrijven die recent zijn gestart of hebben uitgebreid, brengt dit ook problemen met zich voor bedrijven die hun bedrijfsvoering op een normale wijze hebben voortgezet, zonder dat zij hebben uitgebreid.

De volgende verschillen kunnen zich voordoen tussen bijvoorbeeld enerzijds april 2017 en anderzijds april 2016 (dit kan ook gelden voor de maanden juni, augustus, oktober en december 2017):

  • In april 2017 worden meer kalveren geboren dan in april 2016. Gevolg: toename van 0,23 GVE per vrouwelijk kalf.
  • In april 2017 worden evenveel kalveren geboren als in april 2016, maar het percentage vrouwelijke kalveren is in april 2017 hoger dan in april 2016. Gevolg: toename van 0,23 GVE per vrouwelijk kalf.
  • In april 2017 zijn er meer runderen die voor de eerste keer afkalven dan in april 2016. Gevolg: toename van 0,47 GVE per rund dat voor de eerste keer afkalft.
  • In april 2017 zijn er meer runderen die 1 jaar worden dan in april 2016. Gevolg: toename van 0,30 GVE per rund dat 1 jaar wordt.

Met andere woorden: de eigen aanwas en de ‘groei’ van de reeds aanwezige runderen kunnen leiden tot een toename van het aantal GVE. Vleesveehouders moeten dus geldsommen betalen voor kalveren die worden geboren en voor hun groeiende runderen.

Dit betreft slechts een aantal voorbeelden van de gevolgen die de Regeling voor vleesveehouders veroorzaakt. Dit terwijl de vleesveehouderij niet heeft bijgedragen aan de overschrijding van het fosfaatproductieplafond. De niet-melkproducerende bedrijven produceren de afgelopen jaren namelijk ruimschoots onder het voor hen geldende sectorale fosfaatproductieplafond (12,5 miljoen kg, gebaseerd op de fosfaatproductie in 2002). Dit in tegenstelling tot de melkveehouderij die in 2015 en 2016 meer fosfaat heeft geproduceerd dan het voor haar geldende sectorale fosfaatproductieplafond (84,9 miljoen kg). Dit blijkt duidelijk uit de cijfers van het CBS.

Onbedoelde gevolgen

Deze gevolgen zijn niet door de Staatssecretaris bedoeld. Dat blijkt duidelijk uit onder andere de toelichting op de Regeling. Daarin is namelijk aangegeven dat vleesveehouders alleen in de Regeling zijn opgenomen om te voorkomen dat melkveehouders aan hun reductiedoestelling voldoen door runderen te verplaatsen naar andere bedrijven zonder dat feitelijk sprake is van een reductie.

De dagvaarding van de vleesveehouders voor een kort geding tegen de Regeling fosfaatreductieplan 2017 lijkt de ogen van de Staatssecretaris te hebben geopend. De dag voor de zitting van de vleesveehouders heeft de Staatssecretaris in zijn brief van 12 april 2017 namelijk aangegeven dat vleesveehouders uit de Regeling gehaald zullen worden.

“Na invoering van de regeling bleek dat er bij niet-melkproducerende bedrijven toch onbedoelde negatieve effecten optraden. Om onder andere deze bedrijven tegemoet te komen is de regeling gewijzigd (Kamerstuk 21501-32, nr. 992). Die wijziging blijkt echter ontoereikend om alle onbedoelde negatieve effecten in voldoende mate weg te nemen. Ik heb daarom, in overleg met de sector, besloten de regeling te beperken tot melkproducerende bedrijven. Aan niet-melkproducerende bedrijven zal dan ook geen geldsom worden opgelegd. De verantwoordelijkheid voor de te realiseren reductie ligt volledig bij melkproducerende bedrijven. De regeling zal op korte termijn hierop worden aangepast en daarbij, door de afvoer van dieren van melkproducerende bedrijven te monitoren, blijvend borgen dat het onderbrengen van dieren op niet-melkproducerende bedrijven wordt tegengegaan.”

Voor vleesveehouders is dit een positief bericht. De definitieve tekst van de Regeling moet nog worden afgewacht. Het is belangrijk dat er voor vleesveehouders snel duidelijkheid en zekerheid komt, omdat de Regeling vanaf deze maand gevolgen heeft. Nadat de Regeling is aangepast, beslissen de vleesveehouders of het nodig is om het kort geding nog door te zetten.

mw. mr. Franca Damen

POR-regeling beëindigd op oneigenlijke gronden?

In zijn brief van 3 februari 2017 heeft Staatssecretaris Van Dam aangegeven dat hij heeft besloten de ontheffingen die in het verleden zijn verstrekt in het kader van de Regeling ontheffing productierechten Meststoffenwet (POR-regeling) en die geldig zijn tot en met 31 december 2017, niet te verlengen na die datum. De reden daarvoor houdt verband met een overschrijding van het fosfaatreductieplafond. Heeft de Staatssecretaris de POR-regeling daarmee op oneigenlijke gronden beëindigd?

POR-regeling

Als reden voor het niet verlengen van ontheffingen die zijn verstrekt in het kader van de POR-regeling, heeft de Staatssecretaris aangegeven dat deze tijdelijke ontheffingen aan varkens- en pluimveehouders zijn verstrekt in de situatie dat de fosfaatproductie ruim onder het fosfaatproductieplafond en de daarvan afgeleide sectorale deelplafonds lag. Nu dat niet langer het geval is, vindt de Staatssecretaris het niet wenselijk dat individuele ondernemers worden ontzien van de verplichting om over voldoende dierrechten te beschikken.

Het aantal varkenseenheden waarvoor op basis van de POR-regeling ontheffing kon worden verleend, bedraagt in totaal 121.622; het aantal pluimvee-eenheden 1.200.000. Voor een individueel bedrijf kon een ontheffing voor 50% van de uitbreiding met een maximum van 2.500 varkenseenheden respectievelijk 20.000 pluimvee-eenheden worden verleend. De houder van een ontheffing moet 100% van de hoeveelheid dierlijke meststoffen van zijn bedrijfsoverschot laten verwerken. De ontheffing werd verleend tot en met 31 december 2017.

Achtergrond en toelichting POR-regeling

Relevant zijn de achtergrond van en de toelichting op de POR-regeling. Met de wijziging van de Meststoffenwet per 1 januari 2006 was in de Meststoffenwet bepaald dat het stelsel van varkens- en pluimveerechten van rechtswege zou komen te vervallen per 1 januari 2015. Nadien is de Meststoffenwet met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd en is het stelsel van verplichte mestverwerking ingevoerd. Op deze wijze wordt – beter dan bij een stelsel van productierechten – geborgd dat geproduceerde dierlijke meststoffen ook daadwerkelijk kunnen worden geplaatst. Met de introductie van het stelsel van verplichte mestverwerking zou op termijn het stelsel van dierproductierechten kunnen komen te vervallen, aldus de toelichting op de POR-regeling.

In een brief van 18 januari 2013 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken aangekondigd dat, mocht de mestverwerking onvoldoende van de grond komen, sturing door dierrechten voor varkens en pluimvee vanaf 2015 noodzakelijk blijft.

In een brief van 12 december 2013 heeft het kabinet ervoor gekozen om, naast de invoering van een mestverwerkingsplicht per 1 januari 2014, de dierrechten voor de varkens- en pluimveehouderij te handhaven voor de periode van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014-2017).

Zoals hiervoor al is toegelicht, is het totaal aantal varkenseenheden en pluimvee-eenheden waarvoor maximaal ontheffing kon worden verleend, gemaximeerd. De toelichting op de POR-regeling vermeldt hierover het volgende:

Een dergelijk plafond is noodzakelijk om te voorkomen dat de nationale fosfaatproductie het met de Europese Commissie overeengekomen nationale fosfaatproductieplafond overschrijdt. Dit plafond is sinds 2006 als voorwaarde verbonden aan de door de Commissie aan Nederland toegekende derogatiebeschikkingen, en laatstelijk opgenomen in de beschikking die verbonden is aan het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn voor de periode 2014-2017.”

Verder staat in de toelichting op de POR-regeling onder andere het volgende vermeld:

“Voor de vaststelling van het plafond dat aan onderhavige voorziening is verbonden is gekeken naar de relatieve bijdrage van de varkens- respectievelijk pluimveehouderij aan het nationale fosfaatproductieplafond 2002 en is deze relatieve bijdrage vergeleken met de fosfaatproductie van genoemde sectoren in 2013. De fosfaatproductie van de varkenshouderij bedroeg 39,7 miljoen kilogram in 2002 en 38,8 miljoen kilogram in 2013. De fosfaatproductie van de pluimveehouderij bedroeg 27,4 miljoen kilogram in 2002 en 26,8 miljoen kilogram in 2013. Uit deze vergelijking volgt dat in de varkenshouderij het verschil in fosfaatproductie tussen 2002 en 2013 900.000 kilogram bedraagt. Voor de pluimveehouderij bedraagt dit verschil 600.000 kilogram. Deze hoeveelheden vormen de plafonds voor de respectievelijke sectoren voor onderhavige voorziening. De plafonds zijn in artikel 113 opgenomen waarbij de kilogrammen fosfaat zijn uitgedrukt in varkens- en pluimvee-eenheden. Eén varkenseenheid komt overeen met 7,4 kilogram fosfaat, terwijl één pluimvee-eenheid gelijk staat aan 0,5 kilogram fosfaat. Het plafond voor de voorziening bedraagt daarmee voor de varkenshouderij 121.622 varkenseenheden en voor de pluimveehouderij 1.200.000 pluimvee-eenheden.”

Uit de toelichting volgt dat de verwachting is dat met het aantal aanvragen dat wordt ingediend in de periode dat dit kon (januari 2015), de respectievelijke plafonds voor de varkens- en pluimveehouderij zullen worden bereikt.

In de hiervoor genoemde brief van 12 december 2013 is aangekondigd dat het stelsel van productierechten voor varkens en pluimvee voor de duur van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn gehandhaafd blijft. Op basis van de evaluatie van de Meststoffenwet in 2016 zal besloten worden of het stelsel per 1 januari 2018 kan komen te vervallen. Om die reden is voor de duur van de ontheffing gekozen voor de datum van 31 december 2017.

Overschrijding sectorplafond varkenshouderij

In 2015 heeft de varkenshouderij het sectorale fosfaatproductieplafond (39,7 miljoen kg) met 1% overschreden (40,1 miljoen kg) en de pluimveehouderij het sectorale fosfaatproductieplafond (27,4 miljoen kg) met 3,3% (28,3 miljoen kg). In zijn brief van 8 september 2016 heeft Staatssecretaris Van Dam aangegeven dat de varkens- en pluimveehouderij de noodzakelijke maatregelen moeten nemen om de nationale fosfaatproductie weer onder het plafond te brengen en te houden. Verder heeft hij in deze brief aangegeven dat op 1 juli 2017 zal worden bepaald of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de fosfaatproductie in de varkenshouderij en/of pluimveehouderij onder de sectorale plafonds te krijgen. Een alternatieve maatregel zou eruit kunnen bestaan om de ontheffingen in het kader van de POR-regeling niet te verlengen.

Conclusie

Met de introductie van het stelsel van verplichte mestverwerking zou op termijn het stelsel van dierproductierechten kunnen komen te vervallen. De dierrechten worden (in ieder geval) voor de periode van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn (2014-2017) gehandhaafd. Op basis van de evaluatie van de Meststoffenwet in 2016 zou besloten worden of het stelsel per 1 januari 2018 kan komen te vervallen. Hieruit volgt dus duidelijk dat het al dan niet handhaven van dierrechten ná 2017 wordt gebaseerd op de evaluatie van de Meststoffenwet in 2016. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is deze evaluatie nog niet afgerond (op het moment van het schrijven van dit artikel, 13 februari 2017).

De POR-regeling is gekoppeld aan het stelsel van dierrechten. Voor de duur van de ontheffing op grond van de POR-regeling is daarom – in aansluiting op het stelsel van dierrechten en het vijfde actieprogramma (tot 1 januari 2018) – gekozen voor de datum 31 december 2017.

Het totale aantal varkenseenheden en pluimvee-eenheden waarvoor op grond van de POR-regeling ontheffing kon worden verleend, is gemaximeerd. Deze maxima moeten voorkomen dat het nationale fosfaatproductieplafond wordt overschreden. Uit de toelichting op de POR-regeling volgt duidelijk dat het maximum aantal varkenseenheden en pluimvee-eenheden waarvoor ontheffing kon worden verleend, is gebaseerd op het verschil tussen enerzijds de relatieve bijdrage van de varkenshouderij respectievelijk pluimveehouderij aan het nationale fosfaatproductieplafond in 2002 (varkens: 39,7 miljoen kg, pluimvee: 27,4 miljoen kg) en anderzijds de fosfaatproductie van de varkenshouderij en pluimveehouderij in 2013 (varkens: 38,8 miljoen kg, pluimvee: 26,8 miljoen kg). Dit verschil bedraagt 900.000 kg (hetgeen gelijk staat aan 121.622 varkenseenheden) respectievelijk 600.000 kg (hetgeen gelijk staat aan 1.200.000 pluimvee-eenheden). Dit zijn ook meteen de plafonds voor de maximum aantallen varkenseenheden respectievelijk pluimvee-eenheden waarvoor ontheffing kon worden verleend.

Met andere woorden: door het verlenen van ontheffing c.q. het gebruik maken van de POR-regeling produceren de varkenshouderij en pluimveehouderij niet meer fosfaat dan de sectorale fosfaatproductieplafonds. De maximum aantallen varkenseenheden en pluimvee-eenheden waarvoor ontheffing kon worden verleend, zijn zodanig vastgesteld dat de sectorale plafonds niet overschreden zouden worden.

Bij het opnieuw openstellen van de POR-regeling in 2015 is de overheid er reeds van uitgegaan dat de ontheffingsmogelijkheid volledig zou worden benut en dat (dus) de plafonds zouden worden bereikt.

Gelet op het voorgaande kan het standpunt worden ingenomen dat de POR-regeling op oneigenlijk gronden wordt beëindigd, en wel om de navolgende redenen:

  • Met het vaststellen van het maximum aantal varkenseenheden en pluimvee-eenheden waarvoor op basis van de POR-regeling ontheffing kon worden verleend, is al rekening gehouden met de sectorale fosfaatproductieplafonds.
  • De fosfaatproductie van de varkenshouderij is in 2016 gedaald naar 39,1 miljoen kg, waardoor de productie onder het sectorale fosfaatproductieplafond (39,7 miljoen kg) blijft. Aanvullende maatregelen om de fosfaatproductie van de varkenshouderij onder het plafond te brengen en te houden – zoals vermeld in de brief van 8 september 2016 – zijn daarom niet nodig. Ook de fosfaatproductie van de pluimveehouderij is in 2016 gedaald ten opzichte van 2015.
  • Bovendien is in deze brief aangegeven dat op 1 juli 2017 beoordeeld zou worden of aanvullende maatregelen – waarbij als alternatief het niet verlengen van ontheffingen in het kader van de POR-regeling is genoemd – nodig zijn. Het op 3 februari 2017 besluiten tot beëindiging van de POR-regeling is daarom niet alleen onnodig, maar ook voorbarig. Dat geldt te meer omdat de evaluatie van de Meststoffenwet 2016 – voor zover mij bekend – nog niet is afgerond.
  • De (duur van de ontheffing op grond van de) POR-regeling is gekoppeld aan het stelsel van dierrechten dat tot 1 januari 2018 wordt gehandhaafd. Het al dan niet voortzetten van het stelsel wordt gebaseerd op de evaluatie van de Meststoffenwet 2016. Deze is dus – voor zover mij bekend – nog niet afgerond.

De Staatssecretaris heeft in zijn brief van 3 februari 2017 aangegeven dat ontheffingen die op basis van de POR-regeling zijn verstrekt, na 31 december 2017 niet worden verlengd, omdat deze ontheffingen zijn verstrekt in de situatie dat de fosfaatproductie ruim onder het fosfaatproductieplafond en de daarvan afgeleide sectorale deelplafonds lag.

Deze redenering treft naar mijn mening dus geen doel, omdat het maximum aantal varkenseenheden en pluimvee-eenheden waarvoor ontheffing kon worden verleend zodanig is vastgesteld dat de sectorale fosfaatproductieplafonds niet overschreden zouden worden.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3