Regeling gerichte opkoop veehouderijen

De Regeling gerichte opkoop veehouderijen gaat van start. Deze regeling treedt op 4 november 2020 in werking en is bedoeld om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten dalen.

Achtergrond

De stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in Nederland moet omlaag. Mede met het oog daarop heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) de structurele aanpak stikstof en het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering voorgesteld.

Een manier om de stikstofuitstoot te verminderen, is het aankopen en definitief beëindigen van veehouderijen nabij stikstofgevoelige, overbelaste Natura 2000-gebieden. Het gaat daarbij om een gerichte opkoop van veehouderijen, namelijk ‘piekbelasters’. Om dit mogelijk te maken, heeft de minister de ‘Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden’ vastgesteld. Deze is op 3 november 2020 in de Staatscourant gepubliceerd en treedt op 4 november 2020 in werking.

Het gaat dus om een regeling die het voor provincies mogelijk maakt om veehouderijen met een piekbelasting op stikstofgevoelige, overbelaste Natura 2000-gebieden op te kopen. Daarvoor verstrekt de minister een uitkering aan de provincie.

Wie komt in aanmerking?

Veehouderijen die in aanmerking kunnen komen voor de Regeling gerichte opkoop veehouderijen, zijn veehouderijen:

  • waar (1) melkvee, pluimvee (incl. kalkoenen) en/of varkens worden gehouden of waar (2) vleeskalveren, ander vleesvee en/of melkgeiten worden gehouden;
  • die binnen een straal van 10 km vanaf (de maatgevende hectares binnen) een stikstofgevoelig, overbelast Natura 2000-gebied liggen en
  • die in het afgelopen jaar meer dan 2 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied heeft veroorzaakt en
  • waar, voor zover het veehouderijen met productierecht betreft (melkvee, pluimvee (incl. kalkoenen), varkens), het benodigde productierecht voor minstens 80% zonder beperking ter beschikking staat aan de veehouderij.

Is deelname vrijwillig?

Deelname aan de Regeling gerichte opkoop veehouderijen is vrijwillig. In de toelichting op de regeling staat namelijk vermeld dat het aankopen van veehouderijen op vrijwillige basis plaatsvindt. De provincies zullen hierbij in het algemeen het initiatief nemen. Het aankopen van veehouderijen is namelijk onderdeel van een gebiedsproces.

Waarvoor geldt de uitkering?

De uitkering voor de provincie is bedoeld voor het financieren van kosten in verband met de aankoop van een veehouderij die betrekking hebben op:

  • het laten vervallen van productierecht;
  • het verkrijgen van bedrijfsmiddelen en bedrijfsgebouwen;
  • het verkrijgen van landbouwgrond;
  • de sloop van bedrijfsgebouwen.

De koopsom wordt gebaseerd op de marktwaarde van de hiervoor genoemde vermogensbestanddelen (bedrijfsgebouwen, bedrijfsmiddelen en landbouwgrond).

Blijvende stikstofreductie en afspraken

Als een provincie een veehouderij op grond van de Regeling gerichte opkoop veehouderijen aankoopt, moet de provincie waarborgen dat de aankoop zorgt voor een blijvende vermindering van de stikstofemissie. Daarvoor moet de provincie in ieder geval het volgende regelen.

Voorafgaand aan de levering van de bedrijfsmiddelen, bedrijfsgebouwen en landbouwgrond en binnen 1 jaar na het sluiten van de koopovereenkomst (of binnen de gangbare termijn voor een productieronden van de betreffende diersoort indien die termijn langer is dan 1 jaar):

  1. moeten de activiteiten van de veehouderij op de vestiging zijn beëindigd en de meststoffen zijn verwijderd;
  2. moet het productierecht dat nodig is voor het houden van vee op de betreffende vestiging komen te vervallen;
  3. moeten de milieutoestemming en/of natuurvergunning voor de veehouderij worden ingetrokken of zodanig worden aangepast dat er niet langer een veehouderij is toegestaan.

In de koopovereenkomst moet de provincie met de veehouderij afspreken dat:

  1. de veehouder niet elders in Nederland een veehouderij zal vestigen of overnemen;
  2. de veehouderij anderszins medewerking zal verlenen aan het realiseren van een blijvende vermindering van de stikstofemissie vanaf de vestiging.

De provincie moet verder regelen dat:

  1. de planologische bestemming van de vestiging van de veehouderij zodanig wordt gewijzigd dat er niet langer een veehouderij is toegestaan;
  2. bij aankoop van landbouwgrond waarbij de restwaarde lager is dan de subsidiabele kosten, op tijd contractueel wordt vastgelegd onder welke voorwaarden die grond gebruikt kan worden en de planologische bestemming van die grond hiermee in overeenstemming wordt gebracht.

Wat gebeurt er met de stikstofreductie?

Het doel van de Regeling gerichte opkoop veehouderijen is om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige, overbelaste Natura 2000-gebieden te verminderen. Maar voor zover het hoofddoel in voldoende mate is bereikt – “dat wil zeggen voor zover de afname van de stikstofdepositie niet op grond van de Habitatrichtlijn moet worden ingezet voor natuurbehoud” – komt stikstofruimte vrij “die in beginsel voor andere activiteiten kan worden gebruikt”, zo is te lezen in de toelichting op de regeling.

Die stikstofruimte zou dan kunnen worden gebruikt “voor het legaliseren van de meldingen, en voor het resterende deel voor alle ontwikkelingen die in dat gebied noodzakelijk respectievelijk gewenst zijn, inclusief rijksprojecten. (…) Daarnaast kan de ruimte worden betrokken bij eventuele problematiek die volgt uit de uitzonderingen op het niet-vergunningsplichtig zijn van bemesten.”

Deadlines

De Regeling gerichte opkoop veehouderijen vervalt op 1 november 2021. Deze blijft wel van toepassing op aanvragen op grond van deze regeling die vóór 1 november 2021 zijn gedaan.

Een koopovereenkomst moet uiterlijk 4 mei 2022 zijn gesloten.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Stikstof: verkeer in de referentie- en beoogde situatie

Bij het beoordelen van de stikstofdepositie van een plan of project moet ook de stikstofdepositie veroorzaakt door verkeersbewegingen worden betrokken. In de praktijk is er discussie over de vraag hoe deze beoordeling moet plaatsvinden als de referentiesituatie bestaat uit een toestemming waarin verkeersbewegingen niet (expliciet) zijn beoordeeld. Een uitspraak van de Raad van State van 9 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2170) schept hierover duidelijkheid.

Wat is er aan de hand?

Als er de afgelopen jaren een natuurvergunning werd verleend, dan werd daarin over het algemeen niet (expliciet) de stikstofdepositie veroorzaakt door verkeersbewegingen betrokken. Dat is de laatste periode anders geworden; nu moet de stikstofdepositie veroorzaakt door verkeersbewegingen wél expliciet worden betrokken.

Maar hoe ga je daarmee dan om als de referentiesituatie bestaat uit een natuurvergunning waarin de stikstofdepositie veroorzaakt door verkeersbewegingen niet (expliciet) is betrokken? Moet je die verkeersbewegingen dan als nieuwe bron in de beoogde situatie opnemen? Of mag je die verkeersbewegingen ook al in de referentiesituatie meenemen als duidelijk is dat deze inherent zijn aan het project waarvoor de natuurvergunning is verleend? Denk bijvoorbeeld aan een natuurvergunning die is verleend voor een veehouderij. Daarin is over het algemeen alleen de stikstofdepositie veroorzaakt door het houden van dieren in stallen beoordeeld. Maar het is een feit dat daaraan bepaalde verkeersbewegingen inherent zijn; denk bijvoorbeeld aan het aan- en afvoeren van dieren en het aanvoeren van veevoeders.

Vergelijkbare vragen spelen bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan.

Oordeel van de rechter

Over deze vragen heeft de Raad van State op 9 september 2020 een uitspraak gedaan. De uitspraak gaat over het vaststellen van een bestemmingsplan. In de uitspraak heeft de Raad van State het volgende geoordeeld.

De Afdeling overweegt als volgt over de vraag of de in het plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen waarvan de negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden hadden moeten worden beoordeeld.

De Afdeling overweegt dat in de referentiesituatie sprake is van verkeersbewegingen van en naar de veehouderijen in het plangebied. Deze verkeersbewegingen fluctueren binnen een bandbreedte door bijvoorbeeld de inzet van kleinere (meer) of grotere (minder) vrachtwagens van en naar deze veehouderijen. Zoals de raad heeft toegelicht, kan daarom in redelijkheid ervan worden uitgegaan dat tussen een toename van het aantal dieren en een toename van het aantal transportbewegingen niet steeds een direct verband bestaat. Gelet hierop, mag de raad bij de vaststelling van de aantallen verkeersbewegingen in de referentiesituatie uitgaan van een representatieve invulling.

De Afdeling overweegt dat de verkeersgevolgen die zijn toe te rekenen aan de maximale planologische mogelijkheden van het plan eveneens mogen worden beoordeeld aan de hand van een representatieve invulling van het aantal verkeersbewegingen. De raad kon daarom, bij dit conserverende plan met beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, op voorhand ervan uitgaan dat geen significante gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden zullen ontstaan. De raad had immers geen aanleiding om aan te nemen dat de bandbreedte van het aantal verkeersbewegingen in de referentiesituatie door het plan zou worden overschreden. Dit betekent dat pas in het geval dat aannemelijk wordt gemaakt dat ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan de verkeersgevolgen wezenlijk zullen verschillen van de referentiesituatie, de raad een onderzoek dient te verrichten naar de significante gevolgen van de toename van het aantal verkeersbewegingen voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in hetgeen BMF heeft gesteld geen aanleiding hoeven zien voor de verwachting dat het aantal verkeersbewegingen in de referentiesituatie en de maximale planologische mogelijkheden wezenlijk van elkaar zullen verschillen, zodat de raad in redelijkheid geen onderzoek hoefde te doen naar de significante gevolgen van een mogelijke toename van het aantal verkeersbewegingen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Uit deze uitspraak volgt dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan voor het beoordelen van de stikstofdepositie veroorzaakt door verkeersbewegingen mag worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden.

Daarnaast kan uit deze uitspraak worden afgeleid dat verkeersbewegingen die inherent zijn aan de activiteiten die zijn toegestaan in de referentiesituatie, in de referentiesituatie mogen worden betrokken. Naar mijn mening valt niet in te zien waarom dit voor natuurvergunningen anders zou zijn.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Overzicht stikstofbrieven 13 oktober 2020

Op 13 oktober 2020 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een groot aantal Kamerbrieven over stikstof gestuurd. In dit artikel wordt hiervan een kort overzicht gegeven.

Wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) heeft het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering naar de Tweede Kamer gestuurd. In dit wetsvoorstel wordt de structurele aanpak stikstof geborgd. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een stikstofreductiewaarde die in 2030 moet worden bereikt (resultaatsverplichting) en in een vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector voor zover het de aanleg-/bouwfase betreft.

Onderzoek Natura 2000

In een Kamerbrief van 13 november 2019 heeft de minister aangegeven onderzoek te zullen laten uitvoeren naar de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de (on)mogelijkheden tot wijziging, samenvoeging en/of herindeling van deze gebieden. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd. In de Kamerbrief van 13 oktober 2020 van de minister is te lezen dat de conclusie van het onderzoek naar Natura 2000 feitelijk is dat er geen (noemenswaardige) mogelijkheden zijn om te komen tot een wijziging van (de status van) Natura 2000-gebieden.

De besluiten waarin de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen en/of gewijzigd, bevatten volgens het onderzoek Natura 2000 niet meer instandhoudingsdoelstellingen dan voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Er zijn geen Natura 2000-gebieden gevonden die definitief niet meer kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van die doelstellingen. Het samenvoegen of herindelen van Natura 2000-gebieden is onder strikte voorwaarden wel mogelijk.

Reactie op advies ‘Niet alles kan overal’

Op 8 juni 2020 heeft het Adviescollege stikstofproblematiek Remkes het advies ‘Niet alles kan overal’ uitgebracht. Hierin adviseert het Adviescollege Remkes het Programma Nationale Natuurdoelstellingen. Dit programma brengt twee hoofdopgaven met zich mee: een natuuraanpak en een stikstofaanpak, met een wezenlijke reductie van de NH3-emissie en de NOx-emissie.

In een Kamerbrief van 13 oktober 2020 heeft de minister een reactie gegeven op dit advies. Deze reactie komt er in de kern op neer dat veel van de aanbevelingen uit het advies een plek hebben gekregen in de structurele aanpak stikstof. Dat is opmerkelijk te noemen, aangezien de structurele aanpak eerder bekend is gemaakt (namelijk op 24 april 2020) dan het advies (8 juni 2020). Overigens komt de strekking van de structurele aanpak stikstof en het advies ‘Niet alles kan overal’ wel overeen, namelijk inzetten op natuur(herstel)maatregelen en een forse reductie van de stikstofemissie/-depositie.

Daarnaast heeft het kabinet een aantal kernadviezen van het Adviescollege Remkes overgenomen, namelijk het wettelijk vastleggen van de stikstofdoelstelling (stikstofreductiewaarde) in een resultaatsverplichting en het verkennen van de mogelijkheden voor een drempelwaarde voor de bouw (hetgeen in het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering heeft geresulteerd in een vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor activiteiten in de aanleg-/bouwfase in de bouwsector).

In de Kamerbrief is verder onder andere het volgende te lezen:

  • Het kabinet is nog steeds voornemens om een natuurbank in te stellen met daarin een voorraad ‘compensatienatuur’. Om die natuur ook daadwerkelijk voor het beoogde doel te kunnen gebruiken, wordt een wetsvoorstel voorbereid. De minister streeft ernaar het wetsvoorstel in het najaar van 2020 in consultatie te brengen.
  • Het kabinet maakt ondanks het advies van het Adviescollege Remkes geen onderscheid tussen NOx- en NH3 emissies. Een van de redenen hiervoor is dat een dergelijk onderscheid op de korte termijn de vergunningverlening onnodig ingewikkeld zou maken.
  • Het kabinet is nog steeds voornemens om een beëindigingsregeling in te voeren die gericht is op het opkopen van veehouderijen met een hoge stikstofdepositie op Natura 2000-gebied (de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties). Het is de bedoeling dat deelname aan de beëindigingsregeling vrijwillig is. Op dit moment worden de contouren en hoofdlijnen van de regeling ontworpen.
  • Er komt geen apart ‘stikstofprogramma’ voor duurzame energieprojecten, zoals de minister eerder had aangekondigd. Hiervoor blijkt geen juridische basis te zijn.

Reactie op advies ‘Meer meten, robuuster rekenen’

Op 15 juni 2020 heeft het Adviescollege Hordijk (het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof) het advies ‘Meer meten, robuuster rekenen’ uitgebracht. In dit advies heeft het Adviescollege Hordijk onder andere geconcludeerd dat het rekenmodel AERIUS Calculator niet doelgeschikt is, omdat er sprake is van:

  • een onbalans tussen het detail dat het stikstofbeleid vraagt en de mate van wetenschappelijke onzekerheid in het berekenen van stikstofdepositie op een klein oppervlak en
  • een ongelijke behandeling van verschillende sectoren door het gebruik van verschillende modellen bij vergunningverlening. Bovendien geldt er voor wegen een afkapgrens van 5 km, terwijl die voor bijvoorbeeld stallen niet bestaat.

In een Kamerbrief van 13 oktober 2020 heeft de minister een reactie gegeven op dit advies. De conclusie hiervan is dat de overheid AERIUS Calculator zal blijven gebruiken en voorschrijven, omdat dit model op dit moment volgens het kabinet het best beschikbare model is. Wel zal nog naar de aanbevelingen van het Adviescollege Hordijk worden gekeken. Ook zal het meetnet worden uitgebreid. Maar net zoals AERIUS Calculator (ondanks de kritiek daarop) blijft, blijft ook het (op de ‘achtergrond’ gebruikte) aparte rekenmodel voor wegen met een afkapgrens van 5 km (ondanks de kritiek daarop). Volgens het kabinet bestaan daarvoor goede argumenten. Het rekenmodel dat op de achtergrond voor wegen wordt gebruikt, is namelijk specifiek voor wegverkeer ontwikkeld en wordt al lange tijd gebruikt.

Dit heeft de minister ook aangegeven in de beantwoording van verschillende Kamervragen over NEMA en AERIUS Calculator. In de betreffende Kamerbrief van 13 oktober 2020 daarover, is verder onder andere het volgende te lezen:

  • Er komt een structurele voermaatregel. Er is alleen nog niet voorzien hoe die wordt vormgegeven. Ook is nog niet duidelijk of deze op hexagoonniveau doorgerekend zal moeten worden.
  • Tot 13 oktober 2020 waren er nog geen natuurvergunningen verleend op basis van de stikstofruimte die is gecreëerd door de snelheidsverlaging op snelwegen. Wel worden daarvoor in de komende weken de eerste ontwerpbesluiten voor woningen verwacht.

Subsidieregeling sanering varkenshouderij

Volgens de Regeling spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur was het de bedoeling om het stikstofregistratiesysteem voor de woningbouw en infrastructuur onder andere te vullen met een voermaatregel die nog in 2020 zou gelden. De minister heeft uiteindelijk van deze voermaatregel afgezien. Maar om het stikstofregistratiesysteem toch genoeg te vullen, zou een deel van de stikstofreductie die wordt bereikt met de Subsidieregeling sanering varkenshouderij, worden ingezet voor dat systeem. Daar bestonden meteen de nodige vraagtekens bij, onder andere omdat de definitieve deelname aan de subsidieregeling nog niet bekend was.

In een Kamerbrief van 13 oktober 2020 heeft de minister verschillende Kamervragen hierover beantwoord. Daarin heeft de minister onder andere aangegeven dat er (inderdaad) nog geen definitieve cijfers over deelname aan de regeling zijn. Pas op basis van daadwerkelijk gesaneerde varkenshouderijen is een doorrekening van de stikstofreductie te maken, die – aldus de minister – de basis biedt voor vergunningverlening voor woningbouw en infrastructuur.

Extern salderen

Op 13 oktober 2020 heeft de minister ook nog twee Kamerbrieven gestuurd met daarin een antwoord op verschillende Kamervragen over extern salderen (zie hier en hier). In een Kamerbrief van 7 februari 2020 heeft de minister aangegeven dat zij en de provincies maatregelen willen treffen om te voorkomen dat er bij het openstellen van extern salderen een ongerichte en ongecontroleerde opkoop van veehouderijen plaatsvindt. Om die reden hebben provincies lange tijd extern salderen met veehouderijen niet mogelijk gemaakt. Sinds kort staan sommige provincies dat alsnog toe, maar veel provincies nog steeds niet.

In de Kamerbrieven van 13 oktober 2020 heeft de minister aangegeven dat zij met de provincies beheersmaatregelen heeft getroffen om grip te houden op extern salderen met veehouderijen. Wat die maatregelen zijn, is onduidelijk. Mogelijk doelt de minister hiermee op de maandelijkse monitoring die zal plaatsvinden. Die monitoring is mogelijk doordat de provincies die extern salderen met veehouderijen hebben opengesteld, daaraan de voorwaarde hebben verbonden dat hiervan vooraf een melding bij de provincie moet worden gedaan. Extern salderen wordt ook maar voor één jaar opengesteld. Als zich eventuele ongewenste effecten zullen voordoen, zal de minister samen met de provincies ingrijpen, zo is in de Kamerbrieven van 13 oktober 2020 te lezen.

Verder is in de Kamerbrieven onder andere te lezen dat de provincies werken aan een regionaal stikstofregistratiesysteem en bevestigt de minister nogmaals dat PAS-meldingen legaal zullen worden gehouden.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering

Op 13 oktober 2020 stuurde de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het wetsvoorstel stikstofreductie en natuurverbetering naar de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel voorziet in een wijziging van de Wet natuurbescherming en Omgevingswet om de structurele aanpak stikstof te borgen.

Structurele aanpak stikstof

Het kabinet heeft de structurele aanpak stikstof op 24 april 2020 bekend gemaakt. De structurele aanpak bestaat, kort gezegd, uit de volgende onderdelen:

  • natuurherstelmaatregelen;
  • bronmaatregelen;
  • een waarde voor stikstofdepositie in 2030;
  • een systematiek van periodieke monitoring en bijsturing.

Daarnaast wordt een ontwikkelreserve ingesteld om PAS-meldingen te legaliseren en projecten van nationaal belang door te kunnen laten gaan.

Om de structurele aanpak stikstof te borgen, is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorgesteld.

Wet stikstofreductie en natuurverbetering

Voor het wetsvoorstel (waarvan de Memorie van Toelichting hier te lezen is) heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) eerder een concept ter inzage gelegd. Het huidige wetsvoorstel wijkt op een aantal punten af van het eerdere concept.

 

Resultaatsverplichting

In de Wet natuurbescherming en Omgevingswet zal een ‘stikstofreductiewaarde’ worden vastgelegd. Deze houdt in dat in 2030 de stikstofdepositie op ten minste 50% van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden tot onder de kritische depositiewaarde moet worden gebracht.

Deze stikstofreductiewaarde (in de Omgevingswet een omgevingswaarde genoemd) is een resultaatsverplichting. Dat betekent dat de waarde moet worden bereikt. Op dit punt wijkt het wetsvoorstel af van het concept. In het concept voor het wetsvoorstel was de stikstofreductiewaarde namelijk ‘slechts’ een inspanningsverplichting.

 

Programma stikstofreductie en natuurverbetering

De minister moet een programma stikstofreductie en natuurverbetering vaststellen:

  • voor het verminderen van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden om te voldoen aan de stikstofreductiewaarde, en
  • voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats.

Met het oog hierop moet het programma stikstofreductie en natuurverbetering ook tussentijdse doelstellingen bevatten. Die tussentijdse doelstellingen zijn – anders dan de stikstofreductiewaarde – inspanningsverplichtingen.

Over de inhoud van het programma stikstofreductie en natuurverbetering worden bij algemene maatregel van bestuur (dat is het Besluit natuurbescherming zo lang de Wet natuurbescherming geldt en het Besluit kwaliteit leefomgeving zodra de Omgevingswet geldt) nadere regels gesteld.

Dat geldt ook voor de monitoring en bijsturing. Er moet namelijk worden gemonitord of wordt voldaan aan de stikstofreductiewaarde. Ook moeten (1) de voortgang en de gevolgen van de maatregelen, die zijn opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering, en (2) de ontwikkeling van de staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden worden gemonitord.

Als uit de monitoring blijkt dat met het programma stikstofreductie en natuurverbetering niet aan de stikstofreductiewaarde kan worden voldaan, moet de minister het programma wijzigen. Daarnaast moet het programma sowieso minimaal iedere zes jaar worden geactualiseerd.

 

Vrijstelling voor de bouwsector

Het wetsvoorstel voorziet (anders dan het concept voor het wetsvoorstel) in een vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector. Die vrijstelling zal echter alleen gelden voor de aanleg-/bouwfase in de bouwsector en dus niet voor de gebruiksfase. Dit betekent dat de vrijstelling alleen zal gelden voor tijdelijke stikstofdepositie en niet voor permanente stikstofdepositie. Dit zal nog verder worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

De stikstoflessen uit de Moerdijk-uitspraak

Op 30 september 2020 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over het inpassingsplan voor Logistiek Park Moerdijk (ECLI:NL:RVS:2020:2318). Uit deze uitspraak zijn verschillende interessante stikstoflessen te trekken.

Het inpassingsplan

Provinciale staten van Noord-Brabant hebben voor Logistiek Park Moerdijk een inpassingsplan vastgesteld. Omdat het plan kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, moest een plantoets voor stikstofdepositie worden uitgevoerd.

Aanvankelijk heeft de provincie daarvoor verwezen naar de passende beoordeling van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Gelet op de PAS-uitspraak van 29 mei 2019 kon het inpassingsplan niet ongewijzigd in stand blijven.

Daarom heeft de provincie de passende beoordeling laten aanvullen. In deze passende beoordeling heeft de provincie extern salderen toegepast. Op 30 september 2020 heeft de Raad van State hierover een uitspraak gedaan. Uit deze uitspraak zijn de volgende stikstoflessen te trekken.

Niet aangesloten op aardgasnet

Als een plan verzekert dat gebouwen niet worden aangesloten op het aardgasnet, hoeft bij het berekenen van de stikstofdepositie geen rekening te worden gehouden met emissies door de verwarming van die gebouwen.

Dat in het plan niet is voorgeschreven dat een verwarmingswijze moet worden gekozen die geen stikstofemissie veroorzaakt, is niet relevant. Het gaat erom of de uitgangspunten van de stikstofberekening reëel en aannemelijk zijn. Dat is op het punt van de emissies uit gebouwen het geval als is verzekerd dat de gebouwen niet worden aangesloten op het aardgasnet.

De opgave om de stikstofdepositie te verlagen

Er is een algemene opgave om de te hoge stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden te verlagen. Deze hangt samen met de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn die strekken tot behoud, herstel en het voorkomen van verslechtering van Natura 2000-gebieden (artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn).

Deze algemene opgave moet worden onderscheiden van de besluitvorming over individuele plannen en projecten die tot stikstofdepositie leiden. Hiervoor geldt dat deze alleen kunnen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In een passende beoordeling mogen de verwachte voordelen van mitigerende maatregelen (zoals extern salderen) worden betrokken, mits die voordelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan.

Hieruit kan niet worden afgeleid dat mitigerende maatregelen alleen in een passende beoordeling kunnen worden betrokken als die leiden tot of bijdragen aan de verbetering of het herstel van een Natura 2000-gebied. Het verlagen van de stikstofdepositie na toepassing van extern salderen is geen voorwaarde om extern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling te betrekken.

Kortom: het is niet vereist dat er bij c.q. bovenop extern salderen (of het toepassen van een andere mitigerende maatregel) een daling van stikstofdepositie plaatsvindt. Extern salderen (of een andere mitigerende maatregel) hoeft er ‘slechts’ voor te zorgen dat een plan of project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet aantast. Dat betekent over het algemeen dat extern salderen (of een andere mitigerende maatregel) ervoor moet zorgen dat het plan of project per saldo niet tot een toename van stikstofdepositie leidt. Meer stikstofreductie is bij een mitigerende maatregel niet vereist.

Afroming 30% bij extern salderen

Een afroming van 30% bij extern salderen kan bijdragen aan een afname van stikstofdepositie en daarmee aan de algemene opgave om de stikstofdepositie te verlagen. Maar de vraag of de provincie niet meer had moeten afromen, beantwoordt de Raad van State niet. Dat staat gelet op het toetsingskader voor toestemmingverlening voor individuele plannen en projecten namelijk niet ter beoordeling in deze zaak.

Extern salderen als mitigerende maatregel

Extern salderen mag als mitigerende maatregel worden gebruikt. Dat het beëindigen van een bedrijf door aankoop en intrekking van de vergunning een maatregel is die naar zijn aard ook geschikt is om ingezet te worden als instandhoudingsmaatregel of passende maatregel, maakt dat niet anders. Voorwaarde daarvoor is wel dat het behoud van natuurwaarden is geborgd of in geval een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op een andere manier kan worden gerealiseerd.

De plantoets versus de vergunningplicht

Bij het vaststellen van een plan waarvoor een plantoets voor stikstofdepositie moet worden uitgevoerd, hoeft niet óók te worden beoordeeld of een natuurvergunning kan worden verleend. In het inpassingsplan voor Logistiek Park Moerdijk moest de provincie dus wel een plantoets voor stikstofdepositie uitvoeren, maar niet te beoordelen of voor Logistiek Park Moerdijk ook een natuurvergunning kan worden verleend.

De reden daarvoor is dat voor het beoordelen van stikstofdepositie een afzonderlijk toetsingskader bestaat voor plannen en vergunningen. Daarom hoeft bij een plan niet te worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot een mogelijk vereiste natuurvergunning.

Dit is anders bij de beoordeling van flora en fauna. Daarvoor moet in een bestemmingsplan wel worden beoordeeld of er een ontheffing voor flora en fauna zal kunnen worden verkregen. Maar voor flora en fauna is er – anders dan bij de bescherming van Natura 2000-gebieden – geen apart toetsingskader voor plannen.

Het feitelijk gebruik bij de saldogevende activiteit

Extern salderen in de vorm van intrekking van een milieutoestemming kan onder voorwaarden als mitigerende maatregel worden betrokken in een passende beoordeling. De voorwaarden daarvoor volgen uit de rechtspraak van vóór de inwerkingtreding van het PAS.

Uit de rechtspraak volgt dat het niet relevant is of tot het moment van intrekking van de milieutoestemming of tot het moment waarop de overeenkomst over de overname van ammoniakemissie wordt gesloten, nog vee aanwezig was op het bedrijf. De vergunninghouder kan tot het moment dat de milieuvergunning wordt ingetrokken namelijk zijn bedrijf overeenkomstig de vergunning hervatten. Wel is van belang of het bedrijf op dat moment nog feitelijk aanwezig was. Dat is het geval als hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een natuurvergunning is vereist.

Kortom: bij extern salderen is niet relevant of er nog vee in de stallen werd gehouden.

Extern salderen kan ook plaatsvinden in de vorm van intrekking van een natuurvergunning (zie bijv. ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:166). Daarbij geldt niet de voorwaarde dat het bedrijf feitelijk aanwezig is op het moment van intrekking van de natuurvergunning of het sluiten van de overeenkomst over de overname van ammoniakemissie. Relevant is of de stikstofdepositie door de vergunde activiteit aanwezig was of kon zijn op die momenten. Dat is ook het geval als het project op de hiervoor genoemde momenten alsnog kan worden gerealiseerd en in gebruik kan worden genomen op basis van de natuurvergunning.

Kortom: bij extern salderen met een natuurvergunning is ook niet relevant of het bedrijf feitelijk gerealiseerd is.

Opmerking hierbij verdient wel dat de uitspraak van de Raad van State gaat over de voorwaarden voor extern salderen zónder te toetsen aan provinciale beleidsregels over (intern en) extern salderen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

1 2 3 14