PAS ten einde?!

Deze column verscheen in november 2018 in de regiobladen van Agrio.

Al voordat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) op 1 juli 2015 in werking trad, had ik mijn vraagtekens bij de juridische houdbaarheid ervan. Die vraagtekens waren naar mijn mening evident: op grond van het PAS wordt namelijk ruimte gegeven voor meer stikstofdepositie, terwijl onzeker is hoeveel de stikstofdepositie afneemt. De stikstofdepositie zou moeten afnemen door bestaand beleid en de bronmaatregelen in het kader van het PAS (aangescherpte eisen in het Besluit emissiearme huisvesting en in het kader van bemesting en vrijwillige voer- en managementmaatregelen), maar door het ‘ammoniakgat’ is onzeker óf de stikstofdepositie wel afneemt en van de bronmaatregelen is het effect onzeker. En meer stikstofdepositie toestaan dan dat die afneemt, is niet verenigbaar met de Europese Habitatrichtlijn. Iedere boer die mij vóór 1 juli 2015 belde met de vraag wat hij/zij moest doen – extern salderen of wachten op het PAS – heb ik dan ook geadviseerd om extern te salderen toen het nog kon. Dat kostte weliswaar het nodige geld, maar daar had ik meer vertrouwen in dan in het PAS. En die kosten waren naar mijn mening een goede natuurvergunning waard, zeker omdat het de vraag was of het alternatief (het PAS) juridisch stand zou houden.

Al die tijd heb ik gehoopt dat ik ongelijk zou hebben over het PAS, maar die hoop is inmiddels zo goed als weg. Op 7 november 2018 heeft de Europese rechter namelijk een kritische uitspraak gedaan over het PAS. Een van de conclusies van de Europese rechter is dat in het PAS geen maatregelen mogen worden meegenomen waarvan het effect onzeker is. En precies op dat punt gaat het mis: de Raad van State heeft op 17 mei 2017 namelijk al vastgesteld dat het effect van sommige maatregelen niet vaststaat. Volgens de Raad van State is de omvang van de depositiedaling én de omvang van de depositieruimte (ontwikkelingsruimte) onvoldoende onderbouwd. De overheid heeft inmiddels weliswaar een nadere onderbouwing van het PAS gegeven, maar die is niet openbaar…

Verder is de Europese rechter ook kritisch over beweiden en bemesten: voor deze activiteiten lijkt een natuurvergunning nodig en een uitzondering daarop zal niet snel aan de orde zijn. Dat de agrarische praktijk hierdoor niet werkbaar is, lijkt de Europese rechter zich niet te realiseren. Het PAS bevat dus veelbelovende oplossingen (voor natuur én vergunningverlening), maar op dit moment moet er voor het PAS een pas op de plaats worden gemaakt en is het wachten op een passende oplossing van de overheid.

mw. mr. Franca Damen

Aanpassing Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft in de Beleidsregel natuurbescherming de voorwaarden voor bedrijven om in aanmerking te komen voor een natuurbeschermingswetvergunning aangepast. Op deze manier wil de provincie nog meer het belang van duurzame bedrijfsvoering onderstrepen.

Achtergrond aanpassing

De Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant bepaalt hoe de provincie ontwikkelingsruimte uit het Programma Aanpak Stikstof (PAS) aan activiteiten toedeelt. Er is een bepaalde hoeveelheid ontwikkelingsruimte beschikbaar. Omdat de ontwikkelingsruimte op raakt, wil de provincie ervoor zorgen dat bij voorkeur bedrijven die het meest duurzaam werken voor ontwikkelingsruimte in aanmerking kunnen komen.

De aanpassing van de Beleidsregel natuurbescherming is er daarom op gericht om initiatiefnemers te stimuleren om te verduurzamen door minder stikstof uit te stoten. Dit geldt ook voor zogeheten prioritaire projecten (projecten die van groot maatschappelijk belang zijn).

Op deze manier geeft de provincie minder ontwikkelingsruimte uit en blijft er ruimte beschikbaar om (duurzame) economische ontwikkelingen in Brabant mogelijk te maken.

Inhoud aanpassing

Samenvattend is de Beleidsregel natuurbescherming als volgt aangepast:

  1. De Beleidsregel natuurbescherming is nu ook van toepassing op prioritaire projecten (dat was voorheen niet het geval). Aan prioritaire projecten kan maximaal 2,00 mol/ha/jaar ontwikkelingsruimte worden toegedeeld.
  2. Aan andere projecten (niet zijnde prioritaire projecten) kan maximaal 2,00 mol/ha/jaar ontwikkelingsruimte worden toegedeeld (voorheen was dit 3,00 mol/ha/jaar).
  3. Veehouderijen kunnen alleen ontwikkelingsruimte krijgen als wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting zoals dat geldt op het moment van de aanvraag voor een toestemmingsbesluit (dat is bijvoorbeeld een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming).
  4. Andere bedrijven kunnen alleen ontwikkelingsruimte krijgen als voor de wijziging of uitbreiding van het bedrijf alle energiebesparende maatregelen zijn genomen die een terugverdientijd van 6 jaar of korter hebben.
  5. De maximale uitgifte van 16% ontwikkelingsruimte per jaar komt te vervallen, gelet op de afspraak met de provincies om ontwikkelingsruimte meer verspreid uit te geven.

De nieuwe Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant is hier te raadplegen.

Inwerkingtreding aanpassing

De aangepaste Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant is op 6 september 2018 in werking getreden. Voor aanvragen om een natuurbeschermingswetvergunning die zijn ingediend vóór 6 september 2018 geldt nog de oude Beleidsregel natuurbescherming.

mw. mr. Franca Damen

PASsende eigen verantwoordelijkheid

 

Deze column verscheen in augustus 2018 in de regiobladen van Agrio.

Het is inmiddels alweer ruim drie jaar geleden dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking is getreden. Het PAS moest ervoor zorgen dat er weer natuurvergunningen verleend zouden kunnen worden én dat de natuur zou verbeteren. Om die doelen te realiseren, moet de veehouderij extra maatregelen treffen om de ammoniakemissie te verlagen en neemt de overheid maatregelen om Natura 2000 weerbaarder te maken voor stikstof. Dat is op zich een goede aanpak, mits de doelen ook daadwerkelijk worden gehaald.

De Europese regels over de bescherming van Natura 2000 zijn streng. De Nederlandse regels moeten daaraan voldoen, dus ook het PAS. Vanaf het wetsvoorstel voor het PAS heb ik mijn bedenkingen of het PAS in overeenstemming is met de Europese regels (Habitatrichtlijn). Voor de sector hoop ik dat ik in dit geval ongelijk heb. Als het PAS namelijk onderuit zou gaan, ligt er geen (direct) passende oplossing klaar om op een andere manier natuurvergunningen te verlenen. Een stop op de vergunningverlening is natuurlijk een onwenselijke situatie.

Op 17 mei 2017 heeft de Raad van State (RvS) al vastgesteld dat het PAS een aantal gebreken kent. De overheid moet die gebreken herstellen. Onlangs heeft de overheid daarvoor een brief gestuurd naar de RvS, maar die brief is helaas niet openbaar. Hopelijk heeft de overheid passende verantwoordelijkheid genomen om de gebreken te herstellen. Het is afwachten hoe de RvS daarover oordeelt. Daarnaast is het afwachten hoe de Europese rechter over het PAS zal oordelen. De RvS heeft aan de Europese rechter namelijk vragen gesteld over de verenigbaarheid van het PAS met de Habitatrichtlijn. Het advies dat de Advocaat-Generaal (A-G) daarover onlangs heeft gegeven (ook wel een conclusie genoemd), was nogal vernietigend. Volgens de A-G lijkt het PAS veelbelovende oplossingen te bevatten, maar bestaat er aanmerkelijke twijfel of het PAS in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het is nu aan de Europese rechter om, mede aan de hand van de conclusie van de A-G, de vragen van de RvS over het PAS te beantwoorden. Het is dus nog een spannende tijd.

Ook natuurverenigingen zijn kritisch over het PAS. Onlangs las ik daarover nog een bericht van Werkgroep Behoud de Peel. Dat bericht sloot af met de opmerking dat het de werkgroep verstandig lijkt om het stikstofprobleem per sector aan te pakken, omdat zo wordt voorkomen dat de ene sector in de problemen komt als bij een andere sector de aanpak niet vlot. Dat lijkt mij een passende eigen verantwoordelijkheid, aangezien nu bijvoorbeeld de Brabantse veehouderij de problemen van een andere sector op lijkt te moeten lossen.

mw. mr. Franca Damen

Programma Aanpak Stikstof omzeilen met ADC-toets?

Het Programma Aanpak Stikstof kan worden omzeild met de zogeheten ADC-toets. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft daarvoor gekozen in het kader van de Blankenburgverbinding, om op die manier niet de uitspraken over het Programma Aanpak Stikstof af te hoeven wachten. De Minister heeft het Programma Aanpak Stikstof met succes omzeild. Dat oordeelde de Raad van State in een uitspraak van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2454).

Wat was er aan de hand?

De Blankenburgverbinding vormt een nieuwe autosnelweg (A24) ten westen van Rotterdam die de A15 met de A20 verbindt. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft hiervoor een tracébesluit vastgesteld. In dat besluit zijn ook de effecten van de Blankenburgverbinding op Natura 2000-gebieden beoordeeld.

Die beoordeling heeft aanvankelijk plaatsgevonden met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Op 17 mei 2017 heeft de Raad van State aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over het PAS (zie mijn blogserie hierover alsook mijn blogserie over de conclusie van de Advocaat-Generaal). Om die reden heeft de Raad van State zaken waarin het PAS aan de orde is, voorlopig aangehouden. Een van die zaken betrof het tracébesluit voor de Blankenburgverbinding.

De Minister heeft ervoor gekozen om de aanhouding van het tracébesluit niet af te wachten. In plaats daarvan heeft de Minister geprobeerd om het PAS te omzeilen door de zogeheten ADC-toets uit te voeren. Daarvoor heeft de Minister een wijzigingsbesluit vastgesteld. Op 18 juli 2018 heeft de Raad van State hierover een uitspraak gedaan.

Juridisch kader

De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Vooral de stikstofdepositie die een activiteit kan veroorzaken, is daarbij van belang. De manier waarop de effecten van een activiteit, zoals de stikstofdepositie, op een Natura 2000-gebied moeten worden beoordeeld, is geregeld in de artikelen 2.7 en 2.8 Wnb.

Omdat veel Natura 2000-gebieden overbelast zijn met stikstofdepositie, is hiervoor een programmatische aanpak vastgesteld: het PAS. Het PAS mag worden gebruikt bij het verlenen van toestemmingen voor activiteiten die een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen veroorzaken. De gedachte is dat aan de hand van het PAS kan worden aangetoond dat de zekerheid is verkregen dat (de stikstofdepositie ten gevolge van) een activiteit niet tot een verslechtering van Natura 2000-gebieden leidt (artikel 2.8, derde lid, Wnb).

De Raad van State heeft op 17 mei 2017 prejudiciële vragen gesteld over, kort gezegd, de juridische houdbaarheid van het PAS. In de kern komen de vragen erop neer of het PAS in overeenstemming is met artikel 6, tweede en derde lid, Habitatrichtlijn.

Naast het PAS is er echter ook een andere mogelijkheid om een toestemming ingevolge de Wnb te verkrijgen, namelijk aan de hand van de zogeheten ADC-toets. Deze toets staat in artikel 2.8, vierde en vijfde lid, Wnb en sluit aan bij artikel 6, vierde lid, Habitatrichtlijn. Op grond hiervan kan alleen een toestemming worden verkregen als:

  • alternatieven ontbreken (A);
  • sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang (D);
  • compenserende maatregelen worden getroffen (C).

Voor een nadere toelichting verwijs ik graag naar mijn artikel ‘Habitatrichtlijn als basis voor vergunningplicht Natuurbeschermingswet’. In mijn artikel ‘Blogserie conclusie A-G over PAS (deel 6): streep door PAS?’ kunt u meer lezen over de conclusie van de Advocaat-Generaal over het PAS in relatie tot de ADC-toets.

Oordeel van de rechter

De Raad van State heeft over de door de Minister uitgevoerde ADC-toets het volgende geoordeeld.

Alternatieven

Volgens de Minister zijn er gelet op het plan-MER geen alternatieven voor het tracé die een beperkter effect op Natura 2000-gebieden hebben. Dit is toegelicht in het wijzigingsbesluit.

De Raad van State heeft geen redenen om hieraan te twijfelen.

Dwingende reden

Volgens de Minister is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang, omdat de Blankenburgverbinding nodig is vanuit een oogpunt van menselijke gezondheid en openbare veiligheid. Meer concreet moet de gebiedsveiligheid in het Haven Industrieel Complex (HIC) worden verbeterd. Daar bevindt zich een uitzonderlijk hoge concentratie industriële inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, bewerkt of vervoerd. Hiervoor moeten een extra evacuatieroute (bewoners en werknemers) en een alternatieve aanrijroute (hulpdiensten) beschikbaar zijn, omdat de ontsluiting van het HIC nu plaatsvindt via de incidentgevoelige A15 en het wegennet rond Rotterdam structurele capaciteitsproblemen heeft (die in de toekomst verder zullen toenemen).

Volgens de Raad van State is het verbeteren van de veiligheid van het HIC-gebied een argument dat verband houdt met de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid. Het is van belang dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de evacuatiemogelijkheden voor bewoners en werknemers zo goed mogelijk zijn. Er is daarom sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang.

De Minister mocht naar het oordeel van de Raad van State in redelijkheid meer gewicht toekennen aan de gebiedsveiligheid van het HIC dan aan het belang van het voorkomen van aantastingen van de betrokken Natura 2000-gebieden.

Compenserende maatregelen

In de beroepschriften tegen het wijzigingsbesluit is gewezen op de arresten Briels (ECLI:EU:C:2014:330) en Orléans (ECLI:EU:C:2016:583) van het Hof van Justitie. De Raad van State leest in deze arresten niet dat de gebieden die als compensatie worden aangelegd zich in een gunstige staat van instandhouding moeten bevinden voordat het tracé in gebruik wordt genomen.

“Het Hof heeft in punt 32 van het arrest Briels er weliswaar op gewezen dat “de eventuele positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling brengen van een nieuwe habitat waarmee het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van ditzelfde type habitat in een beschermd gebied dient te worden gecompenseerd […] in de regel onzeker zijn, en dat deze gevolgen hoe dan ook slechts binnen enkele jaren zichtbaar zullen worden” maar dit is in verband met de beoordeling of een plan of project de natuurlijke kenmerken van een gebied aantast. In die beoordeling mogen alleen beschermingsmaatregelen worden betrokken waarmee “wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit dit project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen” (punt 28).

In het arrest Orléans heeft het Hof op vergelijkbare wijze overwogen. In punt 64 van dat arrest is overwogen dat maatregelen die zijn opgenomen in een plan of project “die erin voorzien dat, voordat zich negatieve gevolgen voordoen voor een [in het aangetaste gebied] voorkomend type natuurlijke habitat, er een toekomstig areaal van dat type wordt ontwikkeld, waarvan de ontwikkeling evenwel zal worden voltooid na de beoordeling van de significantie van de mogelijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit gebied, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij die beoordeling. Dergelijke maatregelen kunnen in voorkomend geval slechts als „compenserende maatregelen” in de zin van artikel 6, lid 4, [van de Habitatrichtlijn] worden aangemerkt wanneer is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.”

In het onderhavige geval gaat het echter niet om maatregelen die zijn betrokken bij de beoordeling of het tracé de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden aantast. Dat het tracé tot een dergelijke aantasting kan leiden, staat immers vast. De maatregelen waar het hier om gaat, zijn bedoeld als compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Het Hof heeft zich in de voornoemde arresten niet uitgelaten over de vraag wanneer deze maatregelen precies hun effect moeten sorteren.”

De Raad van State wijst vervolgens op de ‘Richtsnoeren voor de toepassing van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn’ van de Europese Commissie en overweegt daarover het volgende:

“Volgens de Commissie is het dus niet onder alle omstandigheden vereist dat het resultaat van de voorgenomen compenserende maatregelen is bereikt voordat de schade ontstaat, maar moeten dan aanvullende maatregelen worden getroffen om geleden verliezen extra te compenseren.”

De gebieden die dienen als compensatie zijn volgens de Minister al aangelegd, maar hebben tot ongeveer 2028 nodig voordat deze volledig als habitattypen kunnen kwalificeren. Het tracé wordt naar verwachting uiterlijk in 2024 volledig in gebruik genomen. De grootste effecten worden in 2030 verwacht.

Gelet hierop heeft de Minister zich naar het oordeel van de Raad van State terecht op het standpunt gesteld dat in zoverre is gewaarborgd dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.

Slot

De Raad van State komt gelet op deze overwegingen tot de conclusie dat de Blankenburgverbinding de ADC-toets doorstaat. Op deze manier heeft de Minister het PAS kunnen omzeilen.

De ADC-toets kan mogelijk ook in andere situaties een oplossing bieden. Wel zal aan de strenge criteria van de ADC-toets voldaan moeten worden.

Meer lezen over de conclusie van de Advocaat-Generaal over de ADC-toets in relatie tot het PAS? Lees dan mijn blog ‘Blogserie conclusie A-G over PAS (deel 6): streep door PAS?’.

mw. mr. Franca Damen

Blogserie conclusie A-G over PAS (deel 6): streep door PAS?

De Advocaat-Generaal heeft op 25 juli 2018 een conclusie genomen over de prejudiciële vragen van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) (zaken C-293/17 en C-294/17). De A-G is kritisch: er bestaat aanmerkelijke twijfel over de juridische houdbaarheid van het PAS. Heeft de A-G daarmee een streep door het PAS gezet of zijn er wellicht nog mogelijkheden?

Samenvatting conclusie A-G

In de vorige delen van mijn blogserie over de conclusie van de A-G over het PAS ben ik ingegaan op de verschillende onderdelen van deze conclusie. Samenvattend komt de conclusie van de A-G neer op het volgende:

  • Het lijkt mogelijk om één algemene passende beoordeling, waarin een totale hoeveelheid stikstofdepositie wordt beoordeeld, te gebruiken voor het verlenen van vergunningen ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb) voor individuele projecten (zie deel 3 van mijn blogserie).
  • De passende beoordeling voor het PAS lijkt echter niet te voldoen aan de eisen van artikel 6 Habitatrichtlijn. Een belangrijke reden daarvoor is dat het PAS nieuwe stikstofdeposities toestaat, terwijl de kritische depositiewaarden van Natura 2000-gebieden worden overschreden (zie deel 3 van mijn blogserie).
  • In de passende beoordeling voor het PAS is bovendien waarschijnlijk ten onrechte rekening gehouden met de positieve gevolgen van de brongerichte maatregelen en herstelmaatregelen, zoals die in het PAS zijn opgenomen. Prognoses over toekomstige gevolgen en de verwachte daling van stikstofemissies mogen namelijk niet worden meegenomen (zie deel 4 van mijn blogserie).
  • De drempelwaarde en grenswaarde in het PAS, die een uitzondering maken op de Wnb-vergunningplicht, lijken in beginsel wel mogelijk (zie deel 5 van mijn blogserie).

De A-G twijfelt dus duidelijk over de vraag of het PAS voldoet aan artikel 6 Habitatrichtlijn.

Slotbeschouwingen A-G

In het slot van de conclusie merkt de A-G op dat dit nog niet betekent dat de Habitatrichtlijn in alle opzichten in de weg staat aan het PAS. Het PAS is een compromis tussen de belangen van natuurbescherming en de belangen van de maatschappij. Zo´n compromis is de functie van artikel 6, vierde lid, Habitatrichtlijn, maar geen onderdeel van artikel 6, tweede en derde lid, Habitatrichtlijn (waarop het PAS is gebaseerd).

Dit is een wezenlijk verschil. Terwijl op basis van artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn in beginsel voor alle soorten activiteiten een Wnb-vergunning kan worden verleend – mits de activiteit uiteraard, onder andere voor wat betreft stikstofdepositie, geen verslechtering voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt – kan dit niet op basis van artikel 6, vierde lid, Habitatrichtlijn. Op basis van artikel 6, vierde lid, Habitatrichtlijn kan een Wnb-vergunning namelijk alleen worden verleend voor een activiteit als:

  • alternatieven ontbreken (A);
  • sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang (D);
  • compenserende maatregelen worden getroffen (C).

Dit wordt ook wel de ADC-toets genoemd. Voor een nadere toelichting verwijs ik graag naar mijn artikel ´Habitatrichtlijn als basis voor vergunningplicht Natuurbeschermingswet´.

Als het PAS alleen gebruikt zou kunnen worden in het kader van artikel 6, vierde lid, Habitatrichtlijn betekent dat dus dat er alleen een Wnb-vergunning voor een activiteit kan worden verleend als (onder andere) sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang. En dat zal voor veel activiteiten een probleem vormen.

De A-G gaat daar ook op in in de conclusie:

¨160. Houdt men het totaalbeeld voor ogen, dan is het duidelijk dat een lidstaat als Nederland niet onderworpen kan zijn aan een onvoorwaardelijke verplichting om zijn landbouw plotseling op grote schaal in te perken en ook fors in te grijpen in andere economische ontwikkelingen teneinde de belasting van Natura 2000-gebieden met stikstof tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Dwingende redenen van groot openbaar belang dienen naar behoren in aanmerking te worden genomen.

161. Deze redenen bestaan enerzijds uit het algemene maatschappelijke belang bij economische ontwikkeling en anderzijds, met name wanneer reeds goedgekeurde activiteiten mogen worden voortgezet, uit het rechtsstatelijke doel, de grondrechten van de betrokken ondernemingen te eerbiedigen. Hoewel het in de regel lastig zal zijn, de belangen van individuele agrarische bedrijven als dwingende redenen van groot openbaar belang te aanvaarden, biedt een integrale beoordeling als het PAS de mogelijkheid, deze particuliere belangen in te passen in het algemene belang bij agrarische ontwikkeling en bij de eerbiediging van verworven rechten.

162. Alles bij elkaar genomen is het ook duidelijk dat er geen alternatief is voor het toestaan van bepaalde extra activiteiten en voor het tolereren van andere bestaande activiteiten. Een instrument als het PAS is echter uitstekend geschikt om in kaart te brengen, welke alternatieven er de facto zijn. Aan de ene kant dient het PAS productiemethoden te stimuleren die stikstofdepositie tot een minimum beperken zonder onevenredige andere schade te veroorzaken (best practices). Aan de andere kant moet het activiteiten voorkomen die leiden tot schade die niet in verhouding staat tot de voordelen ervan.¨

De A-G lijkt dus een streep door het PAS te zetten, maar de spreekwoordelijke deur nog op een kier te houden. Wellicht zijn er op grond van de Habitatrichtlijn nog wel mogelijkheden voor het PAS, maar dan op een andere grondslag (artikel 6, vierde lid, in plaats van artikel 6, derde lid).

Hoe nu verder?

Het is nu aan het Hof van Justitie om aan de hand van de conclusie van de A-G de prejudiciële vragen van de Raad van State over het PAS te beantwoorden. En vervolgens is het aan de Raad van State om aan de hand van het arrest van het Hof van Justitie een uitspraak te doen.

Juridische procedures waarin het PAS aan de orde is, zullen tot de uitspraak van de Raad van State worden aangehouden. Het kan daarom raadzaam zijn om in het kader van een besluit de mogelijkheden te onderzoeken waarbij geen, of minimaal, gebruik van het PAS wordt gemaakt. Het besluit voor de Blankenburgverbinding is daar een voorbeeld van.

Andere delen blogserie

Over de andere onderdelen van de conclusie van de A-G kunt u meer lezen in de andere delen van mijn blogserie:

  1. algemeen
  2. beweiden en bemesten
  3. passende beoordeling
  4. maatregelen
  5. drempel- en grenswaarde
  6. streep door PAS? [betreft dit deel van de blogserie]

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 6