Experimenteerruimte voor innovatie in de veehouderij

In een aantal provincies komt er experimenteerruimte voor innovatie in de veehouderij. Het moet mogelijk worden om innovatieve systemen en technieken toe te passen op basis van meetsensoren of een proefstalbeschikking die door het bevoegd gezag wordt vastgesteld. Dit blijkt uit de voorgestelde 21e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.

Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

In het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (BuChw) zijn onder andere projecten opgenomen om te ‘experimenteren’. In die projecten mag – bij wijze van experiment – worden afgeweken van bestaande wet- en regelgeving. Voorbeelden van zo’n projecten zijn bijvoorbeeld bestemmingsplannen waarin vooruitlopend op de Omgevingswet regels mogen worden gesteld die verder gaan dan de reguliere wettelijke ruimte hiervoor (lees hierover hier meer).

Aan het BuChw worden regelmatig nieuwe projecten toegevoegd. Vorige maand is er een weer een voorstel gedaan om een aantal projecten aan het BuChw toe te voegen. Dit wordt ook wel de 21e tranche van het BuChw genoemd. Een van de voorgestelde projecten ziet op mogelijkheden voor het bevoegd gezag om in te grijpen in overbelaste situaties in de veehouderij. Een ander voorgesteld project ziet juist op experimenteerruimte voor innovatie in de landbouw. Deze experimenteerruimte zal – na inwerkingtreding van de 21e tranche – alleen gelden in de provincies Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Overijssel.

Experiment ammoniakemissie

Het wordt mogelijk om voor innovatieve systemen en technieken af te wijken van de ammoniakemissiefactoren in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Die mogelijkheden gelden voor huisvestingssystemen en additionele technieken die niet in bijlage 1 bij de Rav zijn opgenomen. Er zijn twee mogelijkheden om af te wijken, namelijk:

  • meetsensoren die de feitelijke emissie meten;
  • een bijzondere emissiefactor (proefstalbeschikking) die wordt vastgesteld door het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

In de omgevingsvergunning mag voor de toets aan de Rav, het Besluit emissiearme huisvesting en de regels ten aanzien van zeer kwetsbare gebieden (Wet ammoniak en veehouderij of het Activiteitenbesluit) in plaats van emissiefactoren gebruik worden gemaakt van de meetsensoren of de bijzondere emissiefactor.

Meetsensoren

Bij het toepassen van meetsensoren moet de feitelijke emissie worden gemeten. Die metingen moeten aantonen dat wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting en de Wet ammoniak en veehouderij. In de omgevingsvergunning moeten bovendien twee aanvullende voorschriften worden opgenomen, namelijk:

  • het emissieplafond en de manier waarop wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan (de meetmethode);
  • dat de emissies worden gemeten overeenkomstig het Protocol voor meting met sensoren van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode (dit meetprotocol zou begin 2020 beschikbaar komen).

Het emissieplafond mag niet hoger zijn dan het aantal dieren maal de maximale emissiewaarde in het Besluit emissiearme huisvesting.

Bijzondere emissiefactor

In een omgevingsvergunning waarin een bijzondere emissiefactor wordt gebruikt (een proefstalbeschikking), moet worden opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem moeten worden gemeten. Dit is alleen anders als is aangetoond dat al voldoende metingen op andere locaties worden uitgevoerd. De metingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.

Vergunning wijzigen of intrekken

Als blijkt dat het huisvestingssysteem niet voldoende ammoniakemissie reduceert, dan heeft het bevoegd gezag verschillende mogelijkheden.

Het bevoegd gezag kan de vergunningvoorschriften wijzigen indien:

  • uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie per dierplaats per jaar hoger is dan de vastgestelde bijzondere emissiefactor of het emissiereductiepercentage;
  • aanvullende maatregelen nodig zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem, of
  • aanvullende eisen nodig zijn voor het meten met sensoren.

Als de vergunningvoorschriften worden gewijzigd, kan het gaan om voorschriften voor extra monitoring, metingen, onderhoud of management of het voorschrijven van een gewijzigde of andere techniek.

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

  • uit metingen blijkt dat de ammoniakemissie hoger is dan de vastgestelde bijzondere emissiefactor of het emissiereductiepercentage;
  • niet binnen twee jaar nadat het huisvestingssysteem is opgericht, metingen zijn uitgevoerd.

Fijnstof

Ook voor fijnstof komt er experimenteerruimte voor innovatieve huisvestingssystemen en technieken. Naast de minister zal namelijk ook het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning een bijzondere emissiefactor voor fijnstof mogen vaststellen (proefstalbeschikking). Dit betekent dat het bevoegd gezag goedkeuring mag verlenen aan het gebruik van een andere emissiefactor of een ander emissiereductiepercentage dan vastgesteld.

In de omgevingsvergunning moet worden opgenomen dat de emissies binnen twee jaar vanaf het in gebruik nemen van het huisvestingssysteem of de techniek moeten worden gemeten, tenzij is aangetoond dat al voldoende relevante metingen op andere locaties worden uitgevoerd. De metingen moeten worden uitgevoerd overeenkomstig het Protocol voor meting van fijnstofemissies uit huisvestingssystemen in de veehouderij of een gelijkwaardige methode.

Als blijkt dat het huisvestingssysteem niet voldoende fijnstof reduceert, dan heeft het bevoegd gezag verschillende mogelijkheden. Deze mogelijkheden zijn hetzelfde als die voor ammoniakemissie, zoals hiervoor vermeld (wijzigen van de vergunningvoorschriften of geheel of gedeeltelijk intrekken van de vergunning).

Niet vergunningplichtige veehouderijen

De experimenteerruimte voor innovatieve systemen en technieken zoals hiervoor toegelicht, geldt ook voor niet vergunningplichtige veehouderijen. Dit wordt mogelijk gemaakt door voor deze bedrijven een ‘omgevingsvergunning innovatie’ te verlenen. Dit wordt een nieuwe categorie voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en sub i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In die gevallen kan de omgevingsvergunning overigens worden geweigerd vanwege de aard of locatie van de activiteit.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Het geurbeheersplan voor veehouderijen

Het geurbeheersplan voor veehouderijen is iets van de afgelopen jaren. Maar in de rechtspraak is het nog een nieuw onderwerp. Op 30 december 2019 heeft rechtbank Oost-Brabant hier een eerste inhoudelijke uitspraak over gedaan (ECLI:NL:RBOBR:2019:7440).

Het geurbeheersplan

Veehouderijen moeten voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Hiervoor zijn BBT-documenten vastgesteld. Deze zijn opgenomen in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht.

Als er sprake is van een veehouderij met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens of meer dan 750 plaatsen voor zeugen, dan moet ook aan Europese BBT-documenten worden getoetst. Die documenten worden ook wel BREF’s of BBT-conclusies genoemd.

Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie nieuwe BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen gepubliceerd. BBT 12 gaat over het geurbeheersplan en bepaalt het volgende.

BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd. In BBT 26 zijn enkele standaarden voor het monitoren van geuremissies voorgeschreven.

Uitspraak rechtbank

In de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant van 30 december 2019 komt het geurbeheersplan ter sprake. De vraag is waar BBT 12 (het geurbeheersplan) wel of niet toe verplicht.

De rechtbank stelt allereerst vast dat BBT 12 en BBT 26 op de veehouderij van toepassing zijn. Er zijn namelijk meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens. Ook is sprake van een geval waar geurhinder kan worden verwacht, omdat de geldende geurnorm wordt overschreden. Daarom moest het bevoegd gezag deze BBT in acht nemen bij het verlenen van een nieuwe omgevingsvergunning voor de veehouderij.

Volgens de rechtbank verplicht BBT 12, in combinatie met BBT 26, niet tot periodieke geurmetingen van de feitelijke geurimmissies van een intensieve veehouderij. Want als de BBT (te) letterlijk zou worden gelezen, zou BBT 12 namelijk verplichten tot het volledig elimineren van elke geuremissie van een intensieve veehouderij. Dit is feitelijk onmogelijk en kan niet in redelijkheid van een veehouderij worden gevraagd.

Verder is van belang dat BBT 26 de mogelijkheid openlaat voor alternatieve vormen van monitoring. Monitoring kan dus ook anders dan door middel van geurmetingen (dynamische olfactometrie).

Volgens de rechtbank verplichten BBT 12 en BBT 26 een veehouderij in een overbelaste situatie wel om wat meer te doen. Het bevoegd gezag kan verlangen dat er periodieke geurrendementsmetingen worden uitgevoerd. Zo kan nog beter worden gecontroleerd of het stalsysteem de geur reduceert zoals het zou moeten doen. De rechtbank wijst er hierbij op dat zo’n metingen soms ook al in de stalbeschrijving worden genoemd en vervolgens kunnen worden opgelegd. Ook de Raad van State heeft een verplichting voor periodieke rendementsmetingen om die reden in het verleden geaccepteerd (ABRvS 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1828).

Verder merkt de rechtbank op dat BBT 28 alle intensieve veehouderijen met luchtwassers verplicht tot elektronische monitoring van de luchtwassers in combinatie met een eenmalige geurrendementsmeting. Omdat het Activiteitenbesluit al verplicht tot elektronische monitoring, hoeft dit niet meer in een geurbeheersplan verplicht te worden gesteld.

Tot slot merkt de rechtbank op dat een geurbeheersplan niet ter inzage hoeft te worden gelegd met de omgevingsvergunning zelf. Het bevoegd gezag hoeft een geurbeheersplan ook niet goed te keuren. Het geurbeheersplan moet voldoen aan de parameters in BBT 12. Het bevoegd gezag kan toezien op de naleving van een vergunningvoorschrift dat hiertoe verplicht.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

‘Geurperikelen’ bij gecombineerde luchtwassers

De verhoging van de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers per 20 juli 2018 leidt tot de nodige ‘geurperikelen’. Deze verhoging kan bijvoorbeeld leiden tot een verzoek om een omgevingsvergunning voor een varkenshouderij in te trekken of de daaraan verbonden voorschriften te wijzigen. Op 15 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:108) deed de Raad van State hier een interessante uitspraak over.

Achtergrond

In maart 2018 is het onderzoeksrapport ‘Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen’ van WUR gepubliceerd. In dit rapport concludeert WUR dat gecombineerde luchtwassers veel minder geur blijken te reduceren dan waarvan wordt uitgegaan. Naar aanleiding hiervan zijn de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers in de bijlage bij de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) verhoogd. Deze wijziging van de Rgv is op 20 juli 2018 in werking getreden en wordt hierna ook wel ‘Rgv 2018’ genoemd.

Wat was er aan de hand?

De provincie Limburg heeft op 21 januari 2014 een omgevingsvergunning milieu verleend aan een varkenshouderij. Deze vergunning is onherroepelijk.

In de varkenshouderij worden gecombineerde luchtwassers toegepast. In de vergunning is hiervoor uitgegaan van een geurreductie van 85%. Dit volgde namelijk uit de op dat moment geldende geuremissiefactoren in de Rgv.

Op grond van de Rgv 2018 wordt voor de vergunde luchtwassers niet meer uitgegaan van 85% ammoniakemissiereductie, maar van slechts 45%. Dit was voor een aantal omwonenden aanleiding om de provincie te verzoeken om de omgevingsvergunning voor de varkenshouderij in te trekken of zodanig te wijzigen dat de vergunde bedrijfsvoering ten minste voldoet aan de wettelijke eisen van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gebaseerd op de meest actuele milieuinzichten.

De provincie heeft geweigerd om de omgevingsvergunning in te trekken. Wel heeft de provincie een aantal vergunningvoorschriften gewijzigd. Dit heeft de provincie gedaan op grond van artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De provincie heeft in de vergunning een meetverplichting, streefnormen en grenswaarden voor geuremissie opgenomen. De streefnormen zijn gebaseerd op een geurverwijderingsrendement van de luchtwasser van 85% en de grenswaarden op een rendement van 45%.

De omwonenden vinden dit niet genoeg en hebben daarom beroep en vervolgens hoger beroep ingediend.

Juridisch kader

Artikel 2.31, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning moet wijzigen als blijkt dat de nadelige gevolgen die een inrichting voor het milieu veroorzaakt

  • gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu verder kunnen of
  • gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu verder moeten

worden beperkt.

Artikel 2.31, tweede lid, onder b, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning milieu kan wijzigen als dit in het belang van de bescherming van het milieu is.

Artikel 2.33, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning milieu intrekt als de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en artikel 2.31 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt.

Oordeel van de rechter

Weigering intrekking vergunning

De Raad van State is eerst ingegaan op de vraag of de provincie terecht heeft geweigerd om de vergunning in te trekken. Hiervoor is van belang dat een omgevingsvergunning milieu pas mag worden ingetrokken als:

  • de inrichting ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en
  • de nadelige gevolgen niet voldoende kunnen worden beperkt met een wijziging van de vergunningvoorschriften.

Volgens de Raad van State staat niet vast dat de varkenshouderij ontoelaatbare geurhinder zal veroorzaken. Daarvoor zijn verschillende redenen.

  • Het is nog niet duidelijk of de varkenshouderij het streefpercentage van 85% geurreductie bij een optimale instelling van de luchtwassers niet kan halen.
  • De varkenshouderij heeft andere mogelijkheden in onderzoek om de geuremissie te verminderen.
  • In de praktijk moet na geurmetingen blijken welke geurreductie voor de varkenshouderij feitelijk haalbaar is.
  • Het geurreductiepercentage van 45% in de Rgv 2018 is een niveau dat minimaal kan worden gehaald. Gecombineerde luchtwassers kunnen in de praktijk mogelijk een hoger reductiepercentage halen.
  • Het geurreductiepercentage van 45% in de Rgv 2018 is geen algemeen aanvaard milieutechnisch inzicht dat geldt voor alle stallen met vergunde gecombineerde luchtwassers.
  • De gewijzigde inzichten over geurreductiepercentages van gecombineerde luchtwassers geven geen duidelijkheid over de geurreductie die in dit geval kan worden gehaald.

De provincie heeft de omgevingsvergunning voor de varkenshouderij daarom terecht niet geheel of gedeeltelijk ingetrokken naar aanleiding van de Rgv 2018.

Wijziging vergunningvoorschriften

Vervolgens heeft de Raad van State de gewijzigde vergunningvoorschriften beoordeeld. In dat kader heeft de Raad van State allereerst opgemerkt dat een nieuw inzicht over de effectiviteit van een bepaalde techniek geen technische ontwikkeling in de zin van artikel 2.31, eerste lid, sub b, van de Wabo is. Met het gewijzigde inzicht verandert de techniek immers niet.

De nieuwe inzichten over de geurreductie van luchtwassers hebben ook niet geleid tot de ontwikkeling van nieuwe technieken om geur vanuit dierenverblijven te reduceren. Gecombineerde luchtwassers worden nog steeds beschouwd als de beste beschikbare techniek om de geurhinder te beperken.

In de oude vergunningvoorschriften stond dat de gecombineerde luchtwassers een geurverwijderingsrendement van 85% halen. De provincie heeft dit percentage uit de voorschriften geschrapt. Dat mocht de provincie ook doen, omdat het percentage geen zelfstandige betekenis heeft. Het percentage is alleen bedoeld als een extra omschrijving van het vergunde type luchtwasser. Dat type werd in de oude Rgv beschreven als een systeem met 85% geurreductie.

Het schrappen van het percentage uit de vergunningvoorschriften heeft dan ook geen gevolgen voor het milieu. De geurbelasting die de varkenshouderij mag veroorzaken, verandert hierdoor niet.

De provincie hoefde ook niet alsnog een geurverwijderingsrendement van 85% voor te schrijven. Want als de varkenshouderij dat rendement niet kan halen, dan kan het bedrijf niet overeenkomstig de vergunning in werking zijn.

Het was voldoende om de streefnormen en meetverplichtingen op te leggen. Dit is volgens de Raad van State vooralsnog namelijk toereikend om het milieu te beschermen.

Als de varkenshouderij de streefnormen zou overschrijden en niet aan de inspanningsverplichting zou voldoen, dan kan dat voor de provincie aanleiding zijn om anders te beslissen. Dan zou de provincie de omgevingsvergunning alsnog geheel of gedeeltelijk in kunnen trekken of de vergunningvoorschriften opnieuw kunnen wijzigen.

Franca Damen, advocaat Damen Legal

Omgevingsvergunning weigeren o.b.v. Endotoxine toetsingskader

De beoordeling van endotoxinen in het kader van een besluit voor een veehouderij blijft de juridische gemoederen bezighouden. Het is inmiddels vaste rechtspraak dat het bevoegd gezag de emissies van endotoxinen moet toetsen en dat het zelf mag beslissen op welke manier het dat doet. Naar het oordeel van rechtbank Oost-Brabant mag het bevoegd gezag daarvoor het Endotoxine toetsingskader 1.0 gebruiken en op basis daarvan zelfs een omgevingsvergunning voor een veehouderij weigeren. Dit volgt uit twee uitspraken van de rechtbank van 12 april 2019 (ECLI:NL:RBOBR:2019:1973 en 1974).

Wat was er aan de hand?

Beide uitspraken gaan over een besluit waarbij een omgevingsvergunning voor een veehouderij is geweigerd vanwege volksgezondheidsrisico’s door de toename van de emissie van endotoxinen. Deze emissie overschrijdt de adviesgrenswaarde voor endotoxinen. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek respectievelijk de gemeente Heeze en Leende) heeft daaraan de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid; Endotoxine toetsingskader 1.0’ (Endotoxine toetsingskader) ten grondslag gelegd.

De veehouders die de omgevingsvergunning hebben aangevraagd, hebben beroep ingediend tegen de weigering van hun vergunningaanvraag.

Toetsingskader volksgezondheid en endotoxinen

De effecten die veehouderijen op de volksgezondheid kunnen hebben, moeten worden betrokken bij besluiten in het kader van ruimtelijke ordening (bestemmingsplan of omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik) en milieu (omgevingsvergunning milieu). De afgelopen jaren is daarover veel rechtspraak verschenen. Meer informatie over veehouderij en volksgezondheid kunt u hier lezen.

Een van de effecten op de volksgezondheid ziet op endotoxinen. De Gezondheidsraad hanteert in het rapport ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ (2012) een advieswaarde van 30 EU/m3 voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht. De Gezondheidsraad gaat ervan uit dat met deze advieswaarde de gezondheid van omwonenden van veehouderijen tegen te veel aan endotoxinen kan worden beschermd.

De rijksoverheid ontwikkelt een landelijk toetsingskader voor endotoxinen. Dit toetsingskader is momenteel nog niet beschikbaar. Daarom heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (team van provincie Noord-Brabant, de GGD en verschillende Brabantse omgevingsdiensten en gemeenten) vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.

Over dit toetsingskader hebben de Raad van State en rechtbank Oost-Brabant eerder een uitspraak gedaan. Meer informatie daarover kunt u lezen in mijn blogs daarover (uitspraak Raad van State en uitspraak rechtbank Oost-Brabant).

In een uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2395) oordeelde de Raad van State voorts dat er:

“zowel wat de voor blootstelling aan endotoxinen te hanteren advieswaarden, als de wijze waarop kan worden berekend welke concentratie endotoxinen zal worden veroorzaakt door een veehouderij, thans nog een aanzienlijk aantal vragen bestaat [toevoeging FD] waarvoor verder wetenschappelijk onderzoek is vereist. Dit laat evenwel onverlet dat een bestuursorgaan bij zijn besluitvorming over een inrichting mede de gevolgen van emissies van endotoxinen betrekt. Het is aan het bestuursorgaan om te bepalen op welke wijze dat gebeurt.”

In twee uitspraken van 27 februari 2019 oordeelde de Raad van State verder dat het bevoegd gezag niet hoeft te toetsen of wordt voldaan aan de advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxinen van 30 EU/m3 (zie mijn blog ‘Geen verplichte toetswaarde endotoxinen’ hierover).

Oordeel van de rechter

Het bevoegd gezag heeft bij het toetsen van de emissies van endotoxinen beoordelingsruimte. In de rechtspraak van de Raad van State is geen aanwijzing te vinden dat het ontbreken van een algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht de beoordelingsruimte van het bevoegd gezag zo ver beperkt dat het een omgevingsvergunning niet mag weigeren. Dat is naar het oordeel van rechtbank Oost-Brabant niet vreemd. Anders zou de rechtspraak het bevoegd gezag namelijk belemmeren om invulling te geven aan het voorzorgsbeginsel.

De beoordelingsruimte die het bevoegd gezag heeft, kan het bevoegd gezag gebruiken om de risico’s van de emissie van endotoxinen te betrekken. Dat geldt ook als er nog geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over endotoxinen bestaan. Het gebruiken van deze beoordelingsruimte kan ook leiden tot het weigeren van een omgevingsvergunning.

Nu in beide gevallen de emissie van endotoxinen in de aangevraagde situatie de adviesgrenswaarde voor endotoxinen overschrijdt, mocht het bevoegd gezag de aangevraagde omgevingsvergunningen naar het oordeel van de rechtbank weigeren.

mw. mr. Franca Damen

Belanghebbende vanwege volksgezondheid?

Iemand kan tegen een omgevingsvergunning of een bestemmingsplan alleen beroep indienen als hij of zij als belanghebbende bij dat besluit kan worden aangemerkt. De vraag is of iemand enkel vanwege het bestaan van mogelijke volksgezondheidsrisico’s als belanghebbende bij een besluit kan worden aangemerkt. De Raad van State heeft hierover op 6 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:718) een uitspraak gedaan.

Wat was er aan de hand?

Een gemeente heeft een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) verleend voor het wijzigen van een bestaande pluimveehouderij naar een melkgeitenhouderij.

Op een afstand van ongeveer 650 meter van het bedrijf ligt het perceel met daarop de woning van een Q-koortspatiënt (hierna: appellant). Omdat appellant vreest voor zijn gezondheid bij de komst van een geitenhouderij, heeft hij tegen de OBM beroep en hoger beroep ingediend.

In de procedure is de vraag aan de orde of appellant gelet op de afstand tussen zijn woning en de inrichting als belanghebbende bij de OBM kan worden aangemerkt.

Juridisch kader

Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te kunnen worden aangemerkt, moet aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden.

Hoe dit criterium moet worden ingevuld, heeft de Raad van State toegelicht in een uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271). Voor een toelichting daarop verwijs ik naar mijn blog ‘Het belanghebbendebegrip: invulling gevolgen van enige betekenis’ over die uitspraak.

Oordeel van de rechter

Voor het beantwoorden van de vraag of appellant als belanghebbende bij de OBM kan worden aangemerkt, stelt de Raad van State voorop dat de afstand van de geitenhouderij tot zijn perceel als uitgangspunt moet worden genomen. Deze afstand bedraagt ongeveer 650 meter.

Gelet op deze afstand is het naar het oordeel van de Raad van State niet uitgesloten dat appellant gevolgen van enige betekenis ondervindt van de geitenhouderij in de vorm van een verhoogd gezondheidsrisico. De Raad van State vindt daarvoor steun in de rapporten Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO-rapporten).

Appellant is daarom als belanghebbende bij de OBM aan te merken. Omdat de gemeente en de rechtbank dat ten onrechte niet hebben erkend, wijst de Raad van State de zaak terug naar de rechtbank.

mw. mr. Franca Damen

1 2 3 7