Stalderingsregeling voor Brabantse veehouderij

Als het aan de provincie Noord-Brabant ligt, kunnen Brabantse veehouderijen alleen nog uitbreiden als de stallen van een andere veehouderij komen te vervallen. De provincie is voornemens om daarvoor in de Verordening Ruimte 2014 een stalderingsregeling op te nemen. Hiervoor heeft in het voorjaar van 2017 een ontwerp wijziging van de verordening ter inzage gelegen.

De stalderingsregeling zal worden opgenomen in artikel 26 van de Verordening Ruimte 2014 (VR2014) en geldt in aanvulling op de al bestaande eisen voor de uitbreiding van veehouderijen (artikelen 6.3 en 7.3 van de VR2014).

Hokdierhouderij

De stalderingseis zal alleen gelden voor de zogenaamde ‘hokdierhouderij’:

“veehouderij met uitzondering van melkrundveehouderij en schapenhouderij”

De reden dat de melkveehouderij vooralsnog wordt uitgezonderd van de stalderingsregeling is volgens de toelichting op de wijziging van de VR2014 dat er momenteel landelijk een aantal maatregelen in voorbereiding dan wel in uitvoering is die de intensiteit en omvang van deze sector sturen.

Stalderingsregeling

De vestiging van of omschakeling naar een hokdierhouderij zal alleen nog toegestaan worden als is aangetoond dat:

  • binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming mits is aangetoond dat het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
  • de oppervlakte van de sanering tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;
  • de sanering plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar een hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

Eenzelfde bepaling geldt voor de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij.

Gevolgen

De stalderingsregeling heeft grote gevolgen voor veehouderijen die hieraan moeten voldoen (denk met name aan de varkenshouderij en pluimveehouderij). Hokdierhouders zullen de stallen van een stoppende hokdierhouderij op moeten kopen om hun eigen bedrijf uit te mogen breiden. Dit leidt tot meerkosten die bovenop de extra kosten komen die reeds gepaard gaan met de (bovenwettelijke) eisen die volgen uit de VR2014 en de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). De kosten kunnen – mede vanwege de ‘concurrentiepositie’ met andere regelingen en de 110% oppervlakte-eis – fors oplopen.

Ook bij de voorwaarde dat de dierenverblijven van een stoppende hokdierhouderij al moeten zijn gesaneerd door sloop of door herbestemming mits is aangetoond dat het gebruik als dierenverblijf is beëindigd voordat de andere hokdierhouderij kan uitbreiden, kunnen de nodige kanttekeningen worden geplaatst. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de onzekerheid en tijdsvertraging die deze voorwaarde met zich brengt.

Verder valt niet in te zien waarom onderscheid is gemaakt tussen verschillende stalderingsgebieden. Dit maakt het voor hokdierhouders extra moeilijk om een stoppende hokdierhouderij te vinden om ‘op te kopen’, hetgeen nog eens te meer geldt voor bedrijven die aan de grens van een stalderingsgebied zijn gevestigd.

Vervolg

Tegen het ontwerp voor de wijziging van de VR2014 zijn veel bezwaren ingediend. Op dit moment moet nog worden afgewacht of deze bezwaren leiden tot een aanpassing van de voorgestelde wijziging. Dit zal duidelijk worden als de wijziging van de VR2014 wordt vastgesteld.

mw. mr. Franca Damen

Meer mestverwerkingsmogelijkheden in Brabant?

De provincie Noord-Brabant wil weer meer mogelijkheden gaan bieden voor mestverwerking. Daarvoor zal de Verordening Ruimte worden aangepast. Hiervoor heeft in het voorjaar van 2017 een ontwerp wijziging van de Verordening Ruimte 2014 ter inzage gelegen.

Bewerken of verwerken van mest?

In de toelichting op het ontwerp voor de wijziging van de Verordening Ruimte 2014 (VR2014) heeft de provincie overwogen dat vanuit landelijke regelgeving de verplichting bestaat om te voorzien in voldoende capaciteit om het mestoverschot te verwerken. Veehouders moeten op grond van de Meststoffenwet namelijk hun mestoverschot verwerken. De provincie spreekt in (de wijzing van) de VR2014 echter over het bewerken van de mest.

Mestbewerkingsmogelijkheden

Binnen het toegelaten bouwperceel van een veehouderij zal de bewerking van de eigen ter plaatse geproduceerde mest rechtstreeks worden toegestaan. De bewerking van eigen mest maakt namelijk deel uit van de agrarische bedrijfsvoering, zo overweegt de provincie in de toelichting op het ontwerp voor de wijziging van de VR2014.

Op het perceel van veehouderijen kan geen mestbewerking ten behoeve van elders geproduceerde mest plaatsvinden. Dat zal moeten plaatsvinden op een daartoe geschikt middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein. Hierop zijn twee uitzonderingen:

  • voor de mestvergisting van samenwerkende melkrundveehouders tot een maximale capaciteit van 25.000 ton per jaar;
  • als nevenfunctie op een veehouderij.

Voor veehouders is het positief dat de provincie meer mogelijkheden wil bieden voor het bewerken van de mest op het eigen bedrijf.

Kanttekeningen

Bij de voorgestelde wijziging van de VR2014 is echter ook een aantal kanttekeningen te plaatsen. Een van deze kanttekeningen is bijvoorbeeld dat varkenshouders en pluimveehouders niet mogen samenwerken bij het bewerken van de mest. Ook is het een veehouderij met meerdere bedrijfslocaties niet toegestaan om de mest van de verschillende locaties op één locatie te bewerken. Verder is en blijft het de vraag of er voldoende mestbe-/verwerkingscapaciteit mogelijk gemaakt zal worden, nu hierop in de voorgestelde wijziging van de VR2014 kort gezegd geen sturing plaatsvindt.

Vervolg

Tegen het ontwerp voor de wijziging van de VR2014 zijn veel bezwaren ingediend. Op dit moment moet nog worden afgewacht of deze bezwaren leiden tot een aanpassing van de voorgestelde wijziging. Dit zal duidelijk worden als de wijziging van de VR2014 wordt vastgesteld.

mw. mr. Franca Damen

0

Veehouderij en volksgezondheid

De laatste jaren heerst er in de maatschappij veel onrust over de intensieve veehouderij in ons land. Deze onrust bestaat onder meer uit de mogelijke risico’s voor de volksgezondheid ten gevolge van veehouderijen. In juridische procedures tegen nieuwe veehouderijen danwel uitbreidingen van veehouderijen worden de risico’s voor de volksgezondheid vaak als bezwaar tegen de nieuwvestiging c.q. uitbreiding naar voren gebracht. Maar hoe zit het nu met de eventuele risico’s van veehouderijen voor de volksgezondheid?

Vorig jaar verscheen het rapport ‘Mogelijke effecten van intensieve-veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen’ van het IRAS, NIVEL en RIVM. Naar aanleiding van dit onderzoek konden nog geen uitspraken gedaan worden over een eventuele (directe) relatie tussen de nabijheid van veehouderijen en effecten op de gezondheid. Veeleer vormden de uitkomsten van het onderzoek aanknopingspunten voor gerichter vervolgonderzoek. Vervolgens hebben de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zich tot de Gezondheidsraad gewend ten behoeve van een nader onderzoek van eventuele gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen.

Op 30 november 2012 heeft de Gezondheidsraad haar advies uitgebracht. In zijn rapport ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen‘ gaat de Gezondheidsraad in op een beoordelingskader over gezondheidsrisico’s voor de bevolking van blootstelling aan verschillende micro-organismen en endotoxinen afkomstig uit de veehouderij. Daarnaast adviseert de Gezondheidsraad over eventueel in te stellen normen en te nemen maatregelen.

In het rapport wordt in feite geen nieuwe informatie bekend gemaakt. Nog steeds is de conclusie dat er weliswaar aanwijzingen zijn dat omwonenden van veehouderijen blootgesteld kunnen worden aan micro-organismen en aan stoffen afkomstig van micro-organismen (met name endotoxinen) en dat zich daarbij effecten op de luchtwegen kunnen voordien, maar nog steeds zijn er onvoldoende gegevens voor conclusies over oorzakelijke kwalitatieve verbanden tussen het optreden van gezondheidsproblemen en blootstelling aan specifieke agentia. De tot  nu toe beschikbare wetenschappelijke informatie is te schaars en heterogeen voor conclusies en heeft derhalve beperkte zeggingskracht.

Het is onbekend vanaf welke concentraties en afstand omwonenden van veehouderijen te maken kunnen krijgen met verhoogde gezondheidsrisico’s. De beschikbare maar beperkte informatie lijkt er wel op te wijzen dat pluimvee-, varkens-, geiten- en nertsbedrijven eerder gezondheidsrisico’s met zich meebrengen dan rundveehouderijen. Megastallen hoeven bij goede technische voorzieningen niet zonder meer sterkere bronnen van microbiële agentia te zijn dan kleinere bedrijven (in termen van emissies). Nu de eisen aan goede technische voorzieningen – ook wel best beschikbare technieken genaamd – steeds strenger worden, zijn megastallen dus niet zonder meer een groter ‘gevaar’ voor omwonenden vanwege eventuele gezondheidsrisico’s.

Aangezien er slechts enkele aanwijzingen zijn voor het bestaan van gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen, kan op dit moment geen kwantitatief beoordelingskader gegeven worden waarin wordt vastgelegd welke risiconiveaus voor omwonenden maximaal toelaatbaar zijn. De Gezondheidsraad herhaalt in haar rapport nogmaals dat het te vroeg is om een uitspraak te kunnen doen over de eventuele negatieve gezondheidseffecten.

Gelet op het voorgaande kunnen (minimale) afstandseisen tussen veehouderijen en woningen, bedoeld om gezondheidsrisico’s te voorkomen danwel tot een aanvaardbaar niveau te beperken, wetenschappelijk noch gezondheidskundig onderbouwd worden. Risicobeperkende maatregelen en technieken zoals luchtwassers kunnen de uitstoot van stoffen die geurhinder of gezondheidsschade veroorzaken tot op zekere hoogte reduceren. Naar het oordeel van de Gezondheidsraad blijft het van belang om hier aandacht aan te besteden. Dat hiervoor blijvende aandacht is, blijkt reeds uit het feit dat steeds strengere eisen aan goede technische voorzieningen (best beschikbare technieken) worden gesteld. Voorts is het volgens de Gezondheidsraad van belang dat het antibiotica verder terug wordt gedrongen. Ook hieraan wordt in de veehouderij reeds ruimschoots gehoor gegeven. Zoals de ministeries van Economische Zaken en Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben aangeven in een brief van 27 november 2012, is het antibioticagebruik in de veehouderij in de eerste helft van 2012 reeds met 51% gedaald ten opzichte van 2009. Daarmee lijkt het erop dat in 2012 de voor 2013 gestelde doelstelling al wordt gehaald.

Gelet op het voorgaande bestaat er mijns inziens geen grond om bij nieuwvestiging danwel uitbreiding van veehouderijen een minimumafstand tot woningen aan te houden. Hiervoor bestaat immers vanuit wetenschappelijk noch gezondheidskundig oogpunt een onderbouwing.

Heeft u naar aanleiding van het voorgaande nog vragen of opmerkingen, dan hoor ik dat graag van u.

mw. mr. Franca Damen

Provinciaal beleid intensieve veehouderij op de schop

Een groot gedeelte van de veehouderij in Nederland is intensief. Vooral in Noord-Brabant zijn er veel intensieve veehouderijen gevestigd. De intensieve veehouderij staat echter vanuit zowel de maatschappij als de politiek flink onder druk. Er wordt in de relevante wet- en regelgeving een behoorlijk slot gezet op intensieve veehouderijen. Voor de provincie Noord-Brabant is het beleid hieromtrent met name opgenomen in de diverse reconstructieplannen en in de Verordening Ruimte.

Sinds december 2011 zijn er echter de nodige ontwikkelingen met betrekking tot deze reconstructieplannen en deze verordening. In het navolgende wordt een toelichting gegeven op deze ontwikkelingen. Daarbij zal eveneens worden ingegaan op mijn visie op deze ontwikkelingen.

Uitspraak rechtbank ’s-Hertogenbosch

Op 1 december 2011 heeft rechtbank ’s-Hertogenbosch een belangrijke uitspraak gedaan met betrekking tot de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant (Rechtbank ’s-Hertogenbosch 1 december 2011, LJN BU6561). In deze zaak ging het over de aanvraag om een bouwvergunning voor de uitbreiding van een kalkoenhouderij in verband met eisen van dierenwelzijn. Voor deze uitbreiding was een vergroting van het bouwblok benodigd. Voorts is van belang dat de betreffende kalkoenhouderij was gelegen in een extensiveringsgebied, zoals bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden (in het vervolg: de Reconstructiewet). Het college van burgemeester en wethouders heeft de bouwvergunning geweigerd wegens strijd met de Verordening Ruimte.

De Verordening Ruimte bepaalt in artikel 9.2 lid 3 dat – kort gezegd – een bouwblok ten be-hoeve van een intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden niet groter mag zijn dan de op 1 oktober 2010 aanwezige bebouwing. Ingevolge artikel 9.2 lid 4 werkt deze bepaling rechtstreeks door en vormt deze een weigeringsgrond voor onder andere een aanvraag om een bouwvergunning.

Deze bepaling uit de Verordening Ruimte geeft intensieve veehouderijen minder ruimte dan het voor het betreffende gebied geldende reconstructieplan. In dit reconstructieplan is namelijk ten aanzien van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden de beleidsuitspraak vastgelegd dat uitbreiding van bouwblokken is toegestaan om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde besluiten gestelde huisvestingseisen. Het reconstructieplan staat derhalve wel (eenmalige) vergroting van intensieve veehouderijen toe.

De rechtbank stelt in haar uitspraak van 1 december 2011 vast dat artikel 9.2 van de Verordening Ruimte afwijkt van het reconstructieplan.

“ De rechtbank stelt vast dat artikel 9.2 van de Verordening afwijkt van de hierboven weergegeven beleidsuitspraak in het reconstructieplan ‘De Peel, correctieve herziening’. De Verordening staat, anders dan het reconstructieplan, een eenmalige uitbreiding van de bebouwing ten behoeve van dierenwelzijn immers niet toe. Uit de hierboven weergegeven toelichting op de Verordening begrijpt de rechtbank dat provinciale staten bij de vaststelling van de Verordening de bewuste keuze hebben gemaakt om af te wijken van het geldende reconstructieplan. Dit wordt bevestigd in de Structuurvisie Noord-Brabant van 1 januari 2011, pagina 14, waarin is aangegeven dat in de Verordening het kaderstellende beleid uit de provinciale reconstructieplannen op onderdelen fors is aangepast waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden zijn beperkt. (…)

De besluitvorming tot wijziging van een reconstructieplan is met waarborgen omkleed. (…) Op grond van urisprudentie van de Afdeling moet voorts worden aangenomen dat de in het onderhavige reconstructieplan neergelegde beleidsuitspraak, inhoudende dat een uitbreiding van bouwblokken in extensiveringsgebieden is toegestaan om te kunnen voldoen aan de wettelijke voorschriften inzake dierenwelzijn, ofschoon niet rechtstreeks doorwerkend naar geldende bestemmingsplannen, wel bij de vaststelling en toetsing van een bestemmingsplan dient te worden betrokken. (…) Met de vaststelling van artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening is deze beleidsuitspraak uit het reconstructieplan betekenisloos geworden. Dit voorschrift verbiedt immers elke uitbreiding van bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden. De Verordening heeft in materieel opzicht derhalve dezelfde gevolgen als een wijziging van het reconstructieplan, evenwel zonder dat bij de totstandkoming ervan de waarborgen in acht zijn genomen waarmee in de Rcw de totstandkoming van reconstructieplannen is omkleed. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt dit zich niet met de Rcw.”

Zoals uit deze rechtsoverwegingen van rechtbank ’s-Hertogenbosch blijkt, heeft de provincie bij de vaststelling van de Verordening Ruimte bewust gekozen voor afwijking van het reconstructieplan. Met de vaststelling van de Verordening Ruimte – waarbij meer specifiek wordt gedoeld op artikel 9.2 – is de betekenis van voornoemde beleidsuitspraak in het reconstructieplan komen te vervallen. Artikel 9.2 van de Verordening Ruimte verbiedt – anders dan het reconstructieplan – immers iedere uitbreiding van bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de Verordening Ruimte in materieel opzicht dezelfde gevolgen heeft als een wijziging van het reconstructieplan. Bij de totstandkoming van de Verordening Ruimte zijn evenwel niet de waarborgen in acht genomen waarmee in de Reconstructiewet de totstandkoming van reconstructieplannen is omkleed. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat artikel 9.2 lid 4 van de Verordening Ruimte in strijd is met de Reconstructiewet en dientengevolge verbindende kracht mist. De rechtbank heeft artikel 9.2 lid 4 van de Verordening Ruimte derhalve onverbindend verklaard.

Deze uitspraak heeft naar mijn mening tot gevolg dat eenmalige uitbreiding van bouwblokken (in extensiveringsgebieden) is toegestaan om te kunnen voldoen aan de door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de daarop gebaseerde gestelde huisvestingseisen. De uitbreiding dient daarbij wel te passen binnen het reconstructieplan en het vigerend bestemmingsplan, waarbij tevens de ontheffingsmogelijkheden worden inbegrepen.

Reconstructieplannen

Voornoemde uitspraak van rechtbank ’s-Hertogenbosch blijkt voor de provincie Noord-Brabant aanleiding te zijn voor een procedure tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen. Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (in het vervolg: het college van GS) heeft daartoe op 20 december 2011 een ontwerpbesluit vastgesteld (http://brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/platteland/intensieve-veehouderij/intrekking-gebieds_en-reconstructieplannen.aspx?rel=7039AA7AF83543DBAD442F897DD388A1).

In het ontwerpbesluit zelf staat vermeld dat de aanleiding voor het ontwerp is gelegen in de omstandigheid dat de provinciale belangen met betrekking tot de beleidsvelden uit de vigerende reconstructie- en gebiedsplannen in nadien vastgestelde provinciale plannen en verordeningen voldoende zijn gewaarborgd. Dientengevolge zouden de reconstructie- en gebiedsplannen kunnen worden ingetrokken. Uit een Statenvoorstel van het college van GS aan de Provinciale Staten blijkt evenwel dat de aanleiding voor het ontwerp is gelegen in de uitspraak van rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 december 2011 (http://brabant.nl/dossiers/dossiers-op-thema/platteland/intensieve-veehouderij/intrekking-gebieds_en-reconstructieplannen.aspx?rel=2DC105963E4149D181BD788EF2B4DEA8).

“Naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den Bosch van 1 december jl. wordt voorgesteld een procedure te staren tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen. (…) Aangezien de rechter er van uitgaat dat er momenteel twee regiems gelden, wordt ter meerdere zekerheid voorgesteld de reconstructie- en gebiedsplannen formeel in te trekken.”

Het ontwerpbesluit is (vooralsnog) niet in lijn met de Reconstructiewet. De Reconstructiewet stelt het voorhanden hebben van een reconstructieplan namelijk verplicht. Het wijzigen van een reconstructieplan is wel mogelijk, doch het intrekken van een reconstructieplan niet. Desondanks stelt het college van GS dat er thans meerdere redenen zijn om toch tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen over te gaan. De voornaamste redenen hiervoor zijn de volgende:

De uitspraak van rechtbank ‘s-Hertogenbosch gaat uit van het bestaan van twee met elkaar strijdige regiems. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat de Verordening Ruimte afwijkt van het reconstructieplan. Bij de vaststelling van de Verordening Ruimte is bewust gekozen voor afwijking van het reconstructieplan. De Verordening Ruimte heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank materieel dezelfde gevolgen als een wijziging van het reconstructieplan, doch bij de totstandkoming van de Verordening Ruimte zijn niet de waarborgen in acht genomen waarmee in de Reconstructiewet de totstandkoming van reconstructieplannen is omkleed.

In plaats van een wijziging van de reconstructieplannen is het college van GS thans kennelijk voornemens om de reconstructie- en gebiedsplannen in te trekken. Daarvoor geeft zij voorts de volgende redenen.

Het voornemen om de Reconstructiewet in te trekken. Blijkens het Statenvoorstel wordt dit voornemen meegenomen in de wijziging van de Wet inrichting landelijk gebied. Hiervoor zou reeds een wetsontwerp zijn opgesteld. Vooralsnog ontbreekt evenwel een formeel wetsvoorstel tot intrekking van de Reconstructiewet. Blijkens een bericht in het Agrarisch Dagblad (23 december 2011) heeft een woordvoerder van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gemeld dat als het bestuursakkoord – waarop hierna zal worden ingegaan – er komt, de Reconstructiewet inderdaad opnieuw wordt bekeken in het kader van de Wet inrichting landelijk gebied. “Het zou inderdaad kunnen leiden tot intrekking of buiten werking stelling van die wet.” Van intrekking van de Reconstructiewet is vooralsnog dus nog geen sprake. Nu de Reconstructiewet derhalve (vooralsnog) haar werking behoudt en bovendien het voorhanden hebben van reconstructieplannen verplicht stelt, ontbreekt naar mijn mening een formele grondslag voor het ontwerpbesluit tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen.

Het college van GS geeft in het Statenvoorstel voorts aan dat de intrekking van de Reconstructiewet ook zou passen binnen het bestuursakkoord tussen het Rijk en de provincies, waarin de provincies verantwoordelijk worden gehouden voor de inrichting van het landelijk gebied en voor het regionale beleid voor onder meer natuur, landschap en structuurversterking van de landbouw. Uit het bestuursakkoord blijkt inderdaad dat provincies verantwoordelijk worden voor het landelijk gebied en het regionaal beleid voor voornoemde onderwerpen. Van belang is evenwel dat de Provinciale Staten van Noord-Brabant tégen het bestuursakkoord hebben gestemd; zij zijn derhalve tegen de overdracht van taken voor natuurbeheer aan de provincie. In zoverre is het dan ook opmerkelijk dat de provincie voor de motivering van het ontwerpbesluit tot intrekking van de reconstructie- en gebiedsplannen verwijst naar het bestuursakkoord, waar zij zelf tegen heeft gestemd.

In het Statenvoorstel geeft het college van GS van de provincie Noord-Brabant voorts aan dat ook in het onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur expliciet genoemd wordt dat de reconstructie van zandgebieden als Rijkstaak vervalt. Dit staat inderdaad in het onderhandelingsakkoord vermeld, doch de vraag is wat de betekenis van dit onderhandelingsakkoord is nu de provincie tegen het bestuursakkoord heeft gestemd en van intrekking van de Reconstructiewet vooralsnog geen sprake is. Indien en voorzover de reconstructie van zandgebieden al zou vervallen als Rijkstaak, brengt dit immers nog niet met zich dat de gehele reconstructie, inclusief de Reconstructiewet, zou komen te vervallen.

Naar aanleiding van het voorgaande kom ik dan ook tot de conclusie dat er een formele noch een deugdelijke basis aan het ontwerpbesluit van het college van GS van de provincie Noord-Brabant ten grondslag ligt.

Reageren

Het ontwerpbesluit van het college van GS van de provincie Noord-Brabant ligt van 22 december 2011 tot en met 1 februari 2012 ter inzage. Gedurende deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend tegen het ontwerpbesluit.

Het indienen van zienswijzen tegen dit ontwerpbesluit is met name van belang voor bedrijven in de provincie Noord-Brabant voor wie op grond van een reconstructieplan nog wel uitbreidingsmogelijkheden bestonden, doch welke mogelijkheden in de Verordening Ruimte zijn komen te vervallen. Dit geldt te meer nu de rechtbank ’s-Hertogenbosch de Verordening Ruimte (gedeeltelijk) onverbindend heeft verklaard wegens strijd met de Reconstructiewet concentratiegebieden.

Indien u naar aanleiding van het voorgaande vragen hebt of juridisch wenst te worden bijgestaan, kunt u contact met mij opnemen.

mw. mr. Franca Damen

1 4 5 6